Beethovens 'Eroica' door het Concertgebouworkest
Concertgebouworkest
Kristiina Poska dirigent
Alina Ibragimova viool
Dit programma maakt deel uit van de series D en Z.
Lees ook: Componiste Annelies Van Parys: ‘Componeren is als het bouwen van een brug’
Annelies Van Parys (1975)
Eco… del vuoto (2019)
In memoriam Luc Brewaeys
geschreven in opdracht van het Koninklijk Concertgebouworkest met financiële steun van de Vereniging van Vrienden van het Koninklijk Concertgebouworkest in België;
wereldpremière
Felix Mendelssohn (1809-1847)
Vioolconcert in e kl.t., op. 64 (1844)
Allegro molto appassionato
Andante
Allegretto non troppo – Allegro molto vivace
pauze ± 21.00 uur
Ludwig van Beethoven (1770-1827)
Symfonie nr. 3 in Es gr.t., op. 55 (1802-04)
‘Eroica’
Allegro con brio
Marcia funebre: Adagio assai
Scherzo: Allegro vivace
Finale: Allegro molto – Poco andante – Presto
einde ± 22.20 uur
Toelichting
Annelies Van Parys (1975)
Van Parys: Eco… del vuoto
Door Roeland Hazendonk
Eco… del vuoto, de titel van het nieuwe werk van de Belgische componiste Annelies Van Parys, betekent ‘Echo… van de leegte’. Die leegte is de stilte waarin het componeren van Luc Brewaeys – Van Parys was zijn eerste leerling – verstomde na diens overlijden in 2015. De echo verwijst naar het resterende fragment van Brewaeys’ laatste compositie, dat Van Parys in haar stuk incorporeerde. De titel van dat onvoltooide werk, net als dit stuk van Van Parys een opdracht van het Concertgebouworkest, verwees ook al naar de leegte. Het zou ...sciolto nel foro universale del vuoto… gaan heten: ‘Versmolten in het allesomvattende niets’. De leegte waarvan Brewaeys – terminaal kankerpatiënt toen hij aan het stuk werkte – wist dat hij ernaar op weg was.
Wat Brewaeys voltooide, wordt integraal geciteerd op ongeveer drie vijfde van het nieuwe werk (op de gulden snede). Eco… del vuoto klinkt veelal zacht en ademend versmeltend, al zijn er ook strakkere ritmische momenten en een enkel forte. Het doemt mysterieus op uit het niets en keert daar aan het slot ook weer in terug.
Net als veel van het werk van Brewaeys heeft de muziek van Van Parys geen echte , maar is ze gestructureerd op basis van kleur en ‘massa’. Van Parys’ muziek (en die van Brewaeys) verklankt echter een poëtisch idee. Ze plaatste het in memoriam voor haar vroegere leraar in een muzikale context die overeenkomt met het op de pure klank gerichte componeren van Brewaeys. In Eco… del vuoto verglijdt Van Parys’ muziek vloeiend in de laatste klanken – ook al verglijdend – die Brewaeys zich heeft voorgesteld.
Het begint met zacht aanzwellende strijkers en dicht opeengepakte figuraties in de . Het slot is een echo van die opening, die wordt ingekleurd door een rondcirkelend je in de harp, een zacht ruisende vibrafoon die met breinaalden wordt bespeeld, en aan het eind een breking in de piano die een strijkerstremolo stopt en een uitdovend blazerstutti smoort.
In de laatste maten voordat het citaat van Brewaeys klinkt, laat Van Parys haar eigen muziek ook al bijna tot stilstand komen in een wegstervend liggend kleurblok, terwijl een pendelend van twee harpen en een vibrafoon preludeert op de inzet van het fragment van Brewaeys. Het hele stuk zit vol met dergelijke momenten waarin verwezen wordt naar wat gaat komen of al is geweest. Het is een web van echo’s. De eerste maten zijn al afgeleid van het citaat van Brewaeys.
Het is alsof er sterren oplichten en uitdoven in dat mysterieuze stille niets waarin alles is besloten; een subtiel geboetseerd komen en gaan van kleur en massa dat onder de poëtische buitenkant toch strak georganiseerd klinkt. Niets komt of gaat zomaar. Een kwartier lang is het onbegrensde niets toch even een duidelijk afgebakend, strak georganiseerd kleurenspel, waarna het in zijn eigen staart bijtend in het oneindige wegcirkelt.
Felix Mendelssohn (1809-1847)
Mendelssohn: Vioolconcert
Door Jos van der Zanden
‘Komend seizoen wil ik graag een vioolconcert voor je componeren. Eentje in e klein. Het openingsthema spookt al de hele tijd door mijn hoofd en kan ik het niet van me afzetten.’
Mendelssohn schreef dit in 1838 aan zijn vriend Ferdinand David, concertmeester van het Leipziger Gewandhausorchester en leraar viool aan het (door Mendelssohn zelf opgerichte) conservatorium aldaar. Omstandigheden van uiteenlopende aard verhinderden hem de daad bij het woord te voegen. Van echt componeren kwam niet veel, maar er volgden wel jaren van nadenken, schetsen en het uitwisselen van ideeën met David, over viooltechniek en speciale effecten. Vanaf het prille begin lag het hoofdthema vast, net als de , maar het lukte Mendelssohn maar niet om momentum te vinden. Pas in 1844, op vakantie in de buurt van Frankfurt, kwam het concert op papier. Maar zelfs toen bleef de twijfel, en toen het manuscript op de post was richting uitgever Breitkopf & Härtel, werden nog altijd correcties aangebracht. Dat was ongewoon voor Mendelssohn en de zware bevalling bewijst dat componeren voor viool solo hem niet zo lag.
Maar het hoofdthema van het concert was een gouden vondst. Wat een gratie! De noten rijgen zich aaneen als parels aan een snoer – weinig ën uit de negentiende eeuw brachten het tot zo’n populariteit. Het wordt gedragen door expressieve len van de toonsoort, met het op de meest affectieve daarvan, zoals de kleine secunde. In het verloop van het openingsdeel krijgen die intervallen een structurerende functie en dringen door tot in alle geledingen van het bouwwerk. In weerwil van de melancholieke ondertoon kent dit openingsdeel weinig dramatische momenten. Zelfs de doorwerking blijft sereen. Verrassenderwijs is er een solocadens in verwerkt, een procedé dat maar weinig componisten hebben nagevolgd. De reprise heeft nu het karakter van een orkestrale slotgroep, een continue stuwing naar een slotakkoord.
Een noot in de die weigert weg te sterven zorgt voor een naadloze overgang naar het , het tweede deel. Opnieuw weet Mendelssohn een uiterst hoofdthema te scheppen, solistisch gebracht met een onovertroffen cantabile. In de finale haalt hij het gouden uit het openingsdeel terug, nadat een brugpassage van veertien maten het tempo heeft hersteld. Met dat organisch teruggrijpen krijgt het concert een cyclisch karakter, iets wat in de hoogromantiek als wezenlijk werd beschouwd voor hoogwaardige kunst. De luisteraar krijgt het gevoel thuis te komen na een reeks affectieve belevenissen. Speelse dialogen tussen solist en tutti maken deze dartele finale tot een ongebreideld feest, waaraan het mineur geen afbreuk meer kan doen.
Ludwig van Beethoven (1770-1827)
Beethoven: ‘Eroica’
Door Clemens Romijn
In Beethovens tijd was zijn Derde symfonie ‘Eroica’ zeker de langste en meest imposante symfonie die musici en publiek ooit hadden meegemaakt. Ze duurde met haar circa vijftig minuten maar liefst twee maal zo lang als de gemiddelde symfonie van Haydn of Mozart. Door die enorme lengte, de grote orkestbezetting, de enorme dramatiek, de heftige en, en de veelvuldige ritmische verwarring die Ludwig van Beethoven bij spelers en luisteraars zaaide, veroorzaakte de symfonie een ware schokgolf in het Weense muziekleven. Zelfs zijn trouwste bewonderaars vonden het werk bizar en ver over de schreef.
Beethovens ‘Eroica’ duurde met haar circa vijftig minuten maar liefst twee maal zo lang als de gemiddelde symfonie van Haydn of Mozart
Beethoven vergrootte de vorm van de symfonie door hem op alle fronten uit te breiden. Vreemd genoeg bereikte hij dit door de ’s van het stuk sterk te vereenvoudigen. Hoewel het eerste deel verbazingwekkend complex en rijk is, is het basismateriaal waaruit het is opgebouwd niet ingewikkeld. Het hoofdthema van het deel bestaat bijvoorbeeld uit de -drieklank en een markante ‘verkeerde’ noot. Door een dubbele doorwerking ontstaat echter een van nog nooit vertoonde lengte. Met het tweede deel is het qua omvang al niet anders. Hier geen kort, ingetogen langzaam deel, maar een treurmars van een kwartier, met vele herhalingen, wisselende s en ische verwerkingen.
Na twee lange loodzware delen bieden de overige twee schijnbaar enige ontspanning. Het korte zit vol kleine ritmische verrassingen en de Finale is een reeks variaties over een thema waarover Beethoven al eerder pianovariaties had geschreven. Het thema ontleende hij aan zijn balletmuziek Die Geschöpfe des Prometheus, over de Griekse god Prometheus die het vuur van de goden stal om het aan de mensen te geven. En over dit laatste gaat deze symfonie: over strijdvaardigheid jegens goden en overheden, over de revolutionaire idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap.
Daarom droeg Beethoven de symfonie aanvankelijk op aan Napoleon. Toen deze zich in 1804 echter tot keizer liet kronen, ontstak Beethoven in hevige woede en scheurde hij het titelblad van de symfonie met Napoleons naam erop aan flarden. In zijn ogen had Napoleon zich gedegradeerd tot een ordinaire machtswellusteling: ‘Ist der auch nichts anders wie ein gewöhnlicher Mensch! Nun wird er auch alle Menschenrechte mit Füssen treten, nur seinem Ehrgeiz fröhnen [botvieren, red.]; er wird sich nun höher wie alle andern stellen, ein Tyrann werden!’ Op een ander exemplaar van de symfonie kraste hij Napoleons naam zo heftig weg, dat er een gat in het papier onststond. Napoleon had afgedaan. Beethoven schaamde zich zelfs voor zijn aanvankelijke verering, maar bleef in de idealen van de revolutie geloven. Aan de symfonie veranderde hij geen noot.
Biografie
Kristiina Poska, dirigent
De Estse Kristiina Poska maakte in seizoen 2018/2019 haar debuut bij het Symfonieorkest Vlaanderen, met ingang van 2019/2020 werd ze er chef-dirigent, en orkest en dirigent nemen nu samen een Beethoven-symfoniecyclus op. Na haar studie koordirectie aan de Muziek- en Theateracademie in Tallinn studeerde Kristiina Poska orkestdirectie aan de Hochschule für Musik ‘Hanns Eisler’ in Berlijn.
In 2013 won ze de Dirigentenprijs van de Deutsche Musikrat en was ze finalist van de Donatella Flick Competition.
Nadat ze in 2010 La traviata van Verdi had gedirigeerd bij de Komische Oper Berlin werd ze daar van 2012 tot 2016 eerste kapelmeester. Daarnaast werkte Kristiina Poska aan de huizen van Oslo, Kopenhagen, Helsinki, Stockholm, Antwerpen, Stuttgart, Dresden, bij English National Opera en de Volksoper Wien. In 2019/2020 leidde ze bovendien het Theater Basel.
Gastdirecties vervulde ze bij het Concertgebouworkest (maart 2022, onder meer Beethovens Derde symfonie), het NHK Symphony Orchestra, Tokyo, het Hallé Orchestra, de London Philharmonic, de Münchner Philharmoniker, het Orchestre National de France, het Tonhalle-Orchester Zürich, omroeporkesten in Scandinavië en in Keulen, Leipzig, Saarbrücken, Frankfurt en Wenen, en de orkesten van Minnesota, Colorado en Toronto. In Het Concertgebouw maakte ze in februari 2017 haar debuut op de bok bij het Nederlands Philharmonisch. Momenteel is ze chef- van Symfonieorkest Vlaanderen, alsook vaste gastdirigent van het Lets Nationaal Symfonieorkest; vanaf zomer 2025 leidt Kristiina Poska bovendien het Orchestre Français des Jeunes.
Alina Ibragimova, viool
Alina Ibragimova begon haar opleiding aan de Gnessin Muziekschool in Moskou. Nadat haar familie in 1995 naar Engeland was verhuisd, vervolgde ze haar studie daar aan de Yehudi Menuhin School en het Royal College of Music in Londen. Met repertoire van tot hedendaags, gespeeld op zowel moderne als historische instrumenten, bouwde de violiste een grote reputatie op.
Tijdens de BBC Proms in 2015 trad ze als solist op met zowel een als een ensemble én voerde ze in twee s alle solopartita’s en -s van Bach uit. Alina Ibragimova werd geëngageerd door onder meer het Boston Symphony Orchestra, de Wiener Symphoniker, het London Symphony Orchestra, het Chamber Orchestra of Europe, het Mahler Chamber Orchestra en Camerata Salzburg.
Bij het Concertgebouworkest debuteerde ze in maart 2019 met het Vioolconcert van Schumann onder leiding van John Eliot Gardiner. Hoogtepunten in het huidige seizoen zijn optredens met het Budapest Festival Orchestra, de Dresdner Philharmonie, het Scottish Chamber Orchestra en Camerata Bern.
Alina Ibragimova speelt ook graag kamermuziek: ze is de primarius van het Chiaroscuro Quartet, waarmee ze voor het laatst in mei 2025 in de optrad, en vormt al jaren een vast duo met de Franse pianist Cédric Tiberghien. De violiste bespeelt een instrument van Anselmo Bellosio uit circa 1775.




