Beethoven Festival: Alexander Melnikov en Orkest van de Achttiende Eeuw
Orkest van de Achttiende Eeuw
Jonathan Darlington dirigent
Alexander Melnikov fortepiano
Dit concert maakt deel uit van het Beethoven Festival.
Lees ook:
- Wat maakt Beethoven Beethoven?
- Alexander Melnikov: ‘Een instrument helpt je de taal van de componist te begrijpen’
- Kunnen we nog begrijpen hoe baanbrekend Beethoven was?
- Speurtocht in Beethovens ‘Eroica’: waar is thema twee?
Ludwig van Beethoven (1770-1827)
Pianoconcert nr. 5 in Es gr.t., op. 73 (1809) ‘Keizerconcert’
Allegro
Adagio un poco moto
Rondo: Allegro
pauze ± 21.00 uur
Symfonie nr. 3 in Es gr.t., op. 55 (1803) ‘Eroica’
Allegro con brio
Marcia funebre: Adagio assai
Scherzo: Allegro vivace
Finale: Allegro molto – Poco andante – Presto
einde ± 22.15 uur
Toelichting
Ludwig van Beethoven (1770-1827)
Vijfde pianoconcert
Door Michiel Cleij
In het vroeg-negentiende-eeuwse Wenen hoorde je niet alleen muzikale meesterwerken, maar minstens evenveel kanongebulder: de troepen van Napoleon rukten op.Ludwig van Beethoven werd na de dood van Wolfgang Amadeus Mozart en Joseph Haydn de belangrijkste componist en aldus degene die, met zijn groeiende doofheid, het oorlogstumult met welluidender klanken van repliek moest dienen; geen gemakkelijke taak. Maatschappelijke en persoonlijke rampspoed hebben Beethoven evenzeer gehinderd als boven zichzelf uit doen stijgen. Een componist die volhardt ondanks oorlog en doofheid, die het muzikale stramien doorbreekt, die de emancipatie van de autonome kunstenaar een zet geeft, die in conflicten de eer aan zichzelf houdt en die desondanks hogelijk gewaardeerd wordt – zo iemand groeit uit tot een symbool, met meer dan muziekhistorische waarde.
Tijdens de , waar Beethoven op z’n minst een voorbode van was, werd zijn grandeur benadrukt door onder anderen Robert Schumann en Richard Wagner – twee componisten voor wie ‘het goddelijke’ een werkbaar begrip was en die niet aarzelden Beethoven een plaats in hun persoonlijke pantheon te geven. En Franz Liszt beschouwde hem als ‘de rookzuil die de weg naar het Beloofde Land wees’. Die ‘rookzuil’ – een fraaie metafoor in dit verband – wijst niet alleen op een vurig muzikaal genie, maar evenzeer op de verhitte gemoederen in de Europese maatschappij. Beethovens tijd was de tijd van Oostenrijks oorlog met het Ottomaanse Rijk, van schermutselingen tussen Frankrijk en Engeland en van de Franse Revolutie – gebeurtenissen die, ondanks hun chaotische verloop, een nieuwe orde schiepen. Te midden van alle turbulentie, in 1809, componeerde Beethoven zijn Vijfde pianoconcert.
De landelijke rust die hem kort daarvoor nog aanzette tot zijn Zesde symfonie (de ‘Pastorale’) lag nu buiten zijn bereik: Napoleons belegering van Wenen dwong zelfs tot sluiting van de stadsparken en beroofde Beethoven aldus van een belangrijke rust- en inspiratiebron. Een lichtpunt vormde het contract dat hij eerder dat jaar gesloten had met drie van zijn belangrijkste broodheren. Aartshertog Rudolf – die tevens zijn compositieleerling was en aan wie het Vijfde pianoconcert is opgedragen –, prins Lobkowitz en prins Kinsky garandeerden hem een jaarlijks inkomen, op voorwaarde dat hij de rest van zijn leven in Weens dienstverband zou blijven, een tot dan toe ongehoord staaltje kunstsubsidie.
Later zou blijken dat het beloofde stipendium door de oorlogsinflatie niet verzilverd kon worden, maar het Vijfde pianoconcert getuigt nog van Beethovens onvoorwaardelijke vertrouwen in de aristocratie. Misschien pakte daarom de perskritiek bij de Weense première zo negatief uit. ‘Beethoven, vol trots en zelfvertrouwen, weigert om muziek voor de massa te schrijven,’ smaalde een recensent, ‘en kan alleen door een elite begrepen en gewaardeerd worden.’ Mede door het ‘nobele’ gehalte van de muziek kreeg het concert later de bijnaam ‘Kaiserkonzert’ – een misleidende titel, want Beethoven koesterde weinig sympathie voor de twee keizers die op dat moment actueel waren: de Oostenrijkse keizer Franz I had het land in de misère gestort door zijn nederlaag tegen Frankrijk en Napoleon was in Beethovens ogen al eerder afgezakt tot het niveau van een eerzuchtige tiran.
Ludwig van Beethoven 1770-1827
Beethoven: ‘Eroica’
Door Michiel Cleij
Toen Ludwig van Beethoven zijn Derde symfonie componeerde, tekende zich een politieke aardverschuiving af, een omwenteling waarop de maatschappelijk geëngageerde Beethoven vol geestdrift reageerde. De Franse Revolutie, enkele jaren eerder, was een inspirerend voorbeeld geworden voor andere landen. Als Frankrijk zijn autoritaire regime voor een republiek kon verruilen moest dat elders ook mogelijk zijn, dachten velen.
Beethoven was een van hen. Al tijdens zijn studiejaren in Duitsland koesterde hij republikeinse idealen. Die sympathieën werden nog sterker toen hij in Wenen in opdracht werkte van diverse prinsen en bisschoppen. Beethoven, van nature eigenzinnig, voelde zich in zijn creativiteit gehinderd door de willekeur van de broodheren voor wie hij zijn kunsten moest vertonen – en met zijn scherpe oog voor maatschappelijke misstanden observeerde hij zorgelijk het gebrek aan zeggenschap dat andere ambachtslieden over hun eigen werk hadden. De frustraties werden nog verergerd door zijn toenemende doofheid.
De Derde symfonie veroorzaakte in 1805 een sensatie. Niemand was voorbereid op dit ongewoon grootschalige werk waarin militante uitbarstingen worden afgewisseld door serene passages met een bijna hymne-achtige gedragenheid. Dit was meer dan een divertissement voor de aristocratie; het was muziek die het volk moest aanspreken en meeslepen, een spiegel van de maatschappij, een persoonlijke getuigenis van een idealist.
De eerste helft van de symfonie bevat de grootste verrassingen. Het begindeel dendert dwars door de heersende klassieke conventies heen. De afgemeten proporties die eerdere componisten respecteerden worden hier schaamteloos overschreden: waar zij hun betoog hadden afgerond lanceert Beethoven minstens één nieuw muzikaal gegeven waaruit weer nieuwe loten groeien.
Om die strategie te laten werken introduceert hij aanvankelijk alleen korte, ‘onaffe’ motieven; als het complete ën waren geweest was het een spanningsloze potpourri geworden. Al die jes hebben een eigen ritmische identiteit, wat de sterke contrastwerking in dit deel ueert.
Deel twee is een treurmars – een genre dat in Frankrijk tijdens de Revolutie populair was geworden en voor de progressieve Beethoven een speciale lading had. Na zo’n gedragen episode kan het effect van het daaropvolgende niet groter zijn: ook weer zo’n deel waarin korte, krachtige fragmenten over elkaar heen buitelen – en halverwege zelfs een -achtig metselwerk vormen.
In de Finale – met een bijna treiterige introductie die steeds een andere richting uit lijkt te gaan – gebruikte Beethoven een dat hij eerder in een pianowerk gebruikte en, nog prominenter, in zijn ballet Die Geschöpfe des Prometheus. En dat werpt licht op de veelbediscussieerde ondertitel ‘Eroica’ (‘heldhaftige’); de mythische figuur Prometheus gold als een sleutelfiguur in de menselijke beschaving doordat hij het vuur vanuit het godenrijk naar de mensenwereld smokkelde.
Concreter dan die symboliek was Beethovens fascinatie voor Napoleon Bonaparte, de Franse consul die de internationale hoop op een rechtvaardiger staatsbestel belichaamde. Aan hem had Beethoven zijn symfonie willen opdragen. Bekend is de anekdote die Beethovens vriend Ferdinand Ries (achteraf) navertelde: Beethoven had het werk aanvankelijk ‘Bonaparte’ gedoopt, maar kraste die opdracht door toen hij vernam dat Napoleon zich tot keizer had laten kronen (‘Dus ook híj is een ordinair mens! Ook híj zal de mensenrechten met voeten treden, zijn eigen ambities najagen en een tiran worden!’).
Kort daarop werd de symfonie uitgegeven met de ondertitel ‘Heroïsche symfonie, gecomponeerd ter herinnering aan een groot man’. En dat had evengoed Beethoven zelf kunnen zijn: met een gevoelsspectrum dat van strijdlust tot kalme bespiegeling reikt klinkt de grillige ‘Eroica’ bovenal als een zelfportret van een trotse en idealistische componist.
Biografie
Jonathan Darlington, dirigent
Jonathan Darlingtons muzikale opleiding begon op zijn achtste in het koor van Worcester Cathedral en liep uit in een pianostudie aan de Royal Academy of Music in Londen. De Brit vestigde zich in Parijs, waar hij bij Radio France samenwerkte met grootheden als Pierre Boulez, Riccardo Muti en Olivier Messiaen.
Masterclasses door zangers als Elisabeth Schwarzkopf, Hans Hotter en Peter Pears begeleidde hij aan de Britten-Pears School in Aldeburgh.
Zijn directiedebuut volgde in 1984 in het Théâtre des Champs-Elysées in Parijs, toen hij Cavalli’s Ormindo leidde vanachter het klavecimbel. In 1990 nam Myung-whun Chung hem aan als assistent en al snel dirigeerde Jonathan Darlington verschillende producties aan de Opéra de Paris. Na een paar jaar bij de Deutsche Oper am Rhein werd hij in 2002 chef- van zowel de Duisburger Philharmoniker (tot 2011; in de samen te gast in de zomers van 2004 en 2007) als de Vancouver . Aan dit laatste gezelschap is hij momenteel nog als emeritus verbonden, en met ingang van het huidige seizoen is hij daarnaast chef-dirigent van de Nürnberger Symphoniker.
Als gastdirigent werkte Jonathan Darlington met de Wiener Philhamoniker en de Wiener Staatsoper, de Staatskapelle Dresden en de Semperoper, het Konzerthaus Orchester Berlin, de Oper Frankfurt, het Royal Philharmonic Orchestra, het Orchestre de Paris en het National Youth Orchestra of Canada. Hij is Fellow van de Royal Academy of Music en Chevalier des Arts et des Lettres en ontving van de stad Duisburg de Mercatorplakette.
Alexander Melnikov, piano
Alexander Melnikov studeerde in Moskou bij Lev Naumov, en ook Svjatoslav Richter was van grote muzikale invloed: hij nodigde zijn jonge collega uit voor prestigieuze festivals in Rusland en Frankrijk. Prijzen won Alexander Melnikov op het Schumann Concours in Zwickau (1989) en de Koningin Elisabethwedstrijd in Brussel (1991).
Zijn belangstelling voor de historische uitvoeringspraktijk kreeg vorm bij Andreas Staier en Alexei Lubimov, en hij werd vaste gast bij gespecialiseerde gezelschappen als het Freiburger Barockorchester en de Akademie für Alte Musik Berlin.
Highlights in Alexander Melnikovs huidige seizoen zijn een residency aan het Konzerthaus Wien, solorecitals in Berlijn, Keulen, Lyon, Praag, Madrid, Yokohama en Tokio, en solobeurten bij de Münchner Philharmoniker, het Konzerthausorchester Berlin, het Gürzenich-Orchester, het Orquestra Gulbenkian in Lissabon en het Australian Chamber Orchestra. De pianist is vaste duopartner van Isabelle Faust; voor hun Sonates voor viool en piano van Beethoven (2010) kregen ze een Gramophone Award, een Echo Klassik en een Grammy-nominatie.
Alexander Melnikovs solo-album met de 24 preludes en fuga’s van Sjostakovitsj werd meermaals bekroond en in 2011 door BBC Music Magazine opgenomen in de ‘50 Greatest Recordings of All Time’. Recente albums zijn de complete s van Prokofjev en Fantasie - Seven Composers Seven Keyboards (2023).
In Het Concertgebouw trad Alexander Melnikov de afgelopen jaren op met bariton Georg Nigl (februari 2015), in een met Jean-Guihen Queyras en Isabelle Faust (april 2016), in Mozarts Zeventiende pianoconcert met musicAeterna onder leiding van Teodor Currentzis (april 2018) en in het Tweede pianoconcert van Sjostakovitsj (februari 2023, bij het Concertgebouworkest).
Orkest van de Achttiende Eeuw, orkest
Het Orkest van de Achttiende Eeuw verwierf wereldfaam door symfonisch werk uit te voeren op originele instrumenten (of kopieën daarvan) en op een historisch geïnformeerde manier. Het ontstond in 1981 naar een idee van blokfluitist Frans Brüggen, die tot aan zijn dood in 2014 en artistiek leider bleef. Sindsdien werkt het gezelschap met gasten.
De orkestleden spelen internationaal in toonaangevende (kamer)muziekensembles en komen een aantal keer per jaar voor een project bij elkaar. De uitgebreide discografie van het Orkest van de Achttiende Eeuw omvat werken van Purcell, J.S. en C.Ph.E. Bach, Rameau, Haydn, Mozart, Beethoven, Schubert, Mendelssohn, Chopin en Weber. Met Daniel Reuss en Cappella Amsterdam nam het orkest Beethovens Missa solemnis en Brahms’ Ein deutsches Requiem op.
Na een concertante Così fan tutte van Mozart onder leiding van Ed Spanjaard in 2013 volgden in de onder leiding van Kenneth Montgomery Le nozze di Figaro, La clemenza di Tito, Don Giovanni en een bewerking van Die Zauberflöte/ Der Schauspieldirektor. In mei 2023 verzorgde het orkest in Het Concertgebouw een driedaags Beethoven Festival, in oktober 2023 bracht het opnieuw, nu onder leiding van Manoj Kamps, een productie van Così fan tutte, en in oktober 2024 kwam het met een Mozart-programma met onder meer het Requiem samen met Cappella Amsterdam.



