Bartók en Wereldpremière Macmillan bij Het Concertgebouworkest

Koninklijk Concertgebouworkest
Iván Fischer dirigent
Jörgen van Rijen trombone

Dit concert maakt deel uit van de series D, E en Z.

Het concert van 23 april wordt live uitgezonden door AVROTROS via NPO Radio 4.

download dit programma als pdf

Béla Bartók 1881-1945

Hongaarse schetsen (Magyar képek), Sz. 97 (1931)
Een avond in het dorp
Berendans
Melodie
Een beetje dronken
Varkenshoedersdans 

James MacMillan 1959

Tromboneconcert (2016)
wereldpremière; geschreven in opdracht van het Koninklijk Concertgebouworkest, de Koninklijke Filharmonie van Vlaanderen, het Orchestre de la Suisse Romande, Oulu Sinfonia, het Philharmonisches Orchester des Staatstheater Cottbus en het Dallas Symphony Orchestra

pauze

Antonín Dvořák 1841-1904

Zevende symfonie in d kl.t., op. 70 (1884-85)
Allegro maestoso
Poco adagio
Scherzo: Vivace – Poco meno mosso
Finale: Allegro

begin van de pauze ca. 20.55 uur resp. 14.55 uur
einde van het concert ca. 22.05 uur resp. 16.05 uur

Toelichting

Bekijk de video

Jörgen van Rijen vertelt over het Tromboneconcert

Hoe vraag je een componist om een concert voor je te schrijven? En hoe studeer je deze gloednieuwe muziek? Beitske de Jong interviewt Jörgen van Rijen over de voorbereidingen op 'zijn' concert. 

Béla Bartók 1881-1945

Hongaarse schetsen

tekst: Carine Alders

Nadat de vader van de zevenjarige Béla Bartók op jonge leeftijd stierf, verhuisde het gezin met grote regelmaat naar verschillende streken in het grote Hongaarse rijk, op zoek naar werk voor moeder en goede ­scholing voor de kinderen.

Vanuit Poszony (nu Bratislava in Slowakije) bezocht Bartók als tiener het conservatorium in Wenen, waar hem onmiddellijk een beurs aangeboden werd. Hij koos echter voor Boedapest, waar hij piano en compositie studeerde en onder de indruk raakte van componisten als Franz Liszt, Richard Wagner en Richard Strauss.

Zijn interesse in volksmuziek ontstond na zijn studie, op het platteland van Slowakije in de zomer van 1904. Met zijn vriend Zoltán Kodály begon hij dat jaar met het ­verzamelen van volksmelodieën. Vanaf die tijd trok Bartók er elk jaar in de zomer op uit met zijn Edison fonograaf.

Zelfs toen in augustus 1919 Roemeense soldaten zijn huis bezetten, kon hij het niet laten hen te laten zingen en hun ën op te schrijven. In de ­winter speelde hij de wasrollen af, noteerde en ordende hij de muziek en studeerde hij Roemeens en Slowaaks.

Componeren deed hij voornamelijk ’s nachts. Tussen 1908 en 1911 schreef hij een groot aantal korte werken voor piano solo, zijn stijl werd sterk beïnvloed door de volksmuziek.

Aan het begin van de grote depressie kon het gezin Bartók de eindjes maar met grote moeite aan elkaar knopen en Bartók besloot in 1931 een aantal van zijn meest populaire pianocomposities uit deze vroege periode te onder de titel Hongaarse schetsen.

Over de ‘Berendans’ schreef hij in 1928 vanuit Amerika aan zijn moeder: ‘De muziek maakt hier tot nu toe iedereen aan het lachen.’ Het is de verklanking van een beer die danst naar het van zijn temmer en gromt op het slaan van de trommel.

De ‘Varkenshoedersdans’ was in 1908 een van de eerste composities waarin Bartók putte uit zijn volksmuziekcollectie.

James MacMillan

Tromboneconcert

Het katholieke geloof speelt een belangrijke rol in de muziek van Sir James MacMillan, net als zijn Schotse achtergrond. Zo ook in het tromboneconcert dat hij componeerde op verzoek van Jörgen van Rijen, solotrombonist van het Koninklijk Concertgebouworkest.

Aan het begin van dit eendelige werk klinkt een van zeven noten in drie verschillende toonhoogtes, alsof de muziek uit een hogere wereld tot ons komt. In de langzame opening herhaalt dit ‘heilige’ thema zich in verschillende verschijningsvormen.

De belangrijkste tegenstem is de hoge, expressieve van de trombone. Deze melodie daalt af naar het normale bereik van de trombone, terwijl de begeleiding steeds onrustiger wordt. De passage mondt uit in een dansante, -achtige variatie op het openingsthema.

Deze markante ritmische passage komt abrupt tot stilstand als de langzame tegenstemmen uit de opening terugkomen in de fluitpartij. Nu neemt een nieuw dansritme de muziek over, met de vloeiende bewegingen van een , opnieuw een variatie op de openingsmelodie.

Beetje bij beetje wordt de breekbare elegantie ondermijnd door snelle, gehaaste bewegingen in de lage instrumenten. De puls wordt steeds sneller, paniek breekt uit; tot een vierstemmig trombone-ensemble de rust laat terugkeren.

Niet voor lang, want al snel raast de muziek weer voort onder het loeien van een sirene. Het vierstemmige kwartet dat eerder in de trombones klonk wordt nu vertolkt door altviolen: de aankondiging van het langzame deel van het concert.

Wat begint met het karakter van een hymne, ontwikkelt zich tot een kamermuziekachtig gesprek tussen de solotrombone, een en twee ’s. De componist geeft hierbij aanwijzingen als ‘delicaat en van ver’, ‘expressief’ en ‘verdrietig’.

Aan het eind van deze passage klinkt een nieuwe, etherische versie van het openingsthema, de brug naar de laatste dansante passage met opdringerige strijkers en een virtuoze trombone. De slotcadens is niet – zoals gebruikelijk – voor de solotrombonist alleen, maar is eerder een half geïmproviseerd gesprek tussen de vier trombonisten.

Een kort slot brengt de hymne-achtige sfeer terug. Het concert is gecomponeerd ter nagedachtenis aan Sara Maria MacMillan, kleindochter van de componist. Zij overleed begin 2016.

Antonín Dvořák 1841-1904

Zevende symfonie

Door Carine Alders

Muziek speelde in Antonin Dvořák jeugd op het Boheemse platteland een ­belangrijke rol; bijna iedereen speelde wel zither, of viool. Bij de Tsjechische in Praag was Dvořák getuige van de eerste opera’s van Bedřich Smetana, wat zijn liefde voor ­Tsjechische muziek deed opbloeien.

Hij hechtte bovendien zeer aan zijn Tsjechi­sche identiteit: een uitnodiging om lid te ­worden van de German Artists’ Club in Londen weigerde hij beleefd en met zijn uitgever Simrock maakte hij ruzie over de Duitse afkorting ‘Anton’ van zijn naam op de ­partituren.

Toen in 1884 een groep anti-Habsburgse Hongaarse Tsjechen vanuit Boedapest per trein een bezoek bracht aan Praag voor een festival in het Nationaal Theater (een politiek getinte manifestatie), volgde Dvořák met belangstelling het wel en wee van de treinreizigers.

In juni van dat jaar had hij juist een bijzonder eervolle opdracht gekregen van de London Philharmonic Society om een symfonie te componeren bij zijn benoeming als erelid. Boven het hoofdthema van het eerste deel schreef hij in het manuscript: ‘Dit kwam in mij op toen de ceremoniële trein uit Pest in 1884 arriveerde op het station.’

En toch liet Dvořák juist voor deze symfonie de gewoonte los om uit de hem zo dierbare Slavische folklore te putten. Misschien was het omdat zijn goede vriend Johannes Brahms ervan uitging dat deze symfonie vast heel anders zou worden dan de voorgaande.

Misschien dacht hij dat hij zich voor deze gelegenheid van een meer internationale muzikale taal moest bedienen. Het publiek bij de première op 22 april 1885 in St. James Hall – gedirigeerd door Dvořák zelf – was enthousiast. Een Londense criticus vond de symfonie zelfs beter dan de muziek van Brahms.

Een mftocht door Europa volgde, maar het zou nog tot 1925 duren voordat de muziek voor het eerst in Het ­Concertgebouw zou klinken.

Biografie

Iván Fischer, dirigent

Iván Fischer studeerde piano, viool, en compositie in Boedapest, en vervolgde zijn opleiding in Wenen met lessen orkestdirectie van Hans Swarowsky. Daarop was hij twee seizoenen lang assistent van Nikolaus Harnoncourt. In 1983 richtte Iván Fischer het Budapest Festival Orchestra op.

Met dit gezelschap, waarvan hij nog steeds chef- is, voerde hij vele vernieuwingen door, zoals ‘chocomel­concerten’ voor kleine kinderen, ‘Midnight Music’-concerten voor een jong publiek, verrassingsconcerten en verschillende educatie- en ­outreachprojecten, zoals een tournee langs voormalige synagogen.

Hij is actief als componist en regisseur met zijn Iván Fischer Opera Company en richtte diverse festivals op, waaronder het Vicenza Opera Festival. In het verleden stond hij aan het roer van Kent Opera, de Opéra National de Lyon, het National Sym­phony Orchestra in Washington en het Konzerthausorchester in Berlijn, waar hij sindsdien eredirigent is.

Bij het Concertgebouworkest is Iván Fischer al sinds 1987 vrijwel jaarlijks te gast. Vanwege zijn belangrijke artistieke bijdragen benoemde het orkest hem tot honorair gastdirigent met ingang van het seizoen 2021/2022. In maart kreeg hij de vijftiende Concertgebouw Prijs. Eerder ontving Iván Fischer de Kossuth Prijs, de Ovatie Prijs en de Crystal Award van het World Economic Forum voor het steunen van internationale cultuuruitwisseling, en is Chevalier des Arts et des Lettres en erelid van de Royal Academy of Music in Londen.

Iván Fischer beperkt zijn gastdirigentschappen tot slechts enkele orkesten om voldoende tijd en aandacht te kunnen geven aan het componeren, aan zijn Budapest Festival Orchestra en zijn operagezelschap, en aan het voortdurend ontwikkelen van creatieve ideeën. Hij is een erkend voorvechter voor mensenrechten, democratie en tolerantie.

Jörgen van Rijen, trombone

Jörgen van Rijen is solotrombonist van het Concertgebouworkest sinds 1997. Sinds 2007 maakt hij daarnaast deel uit van het Lucerne Festival Orchestra. Als solist trad de trombonist – behalve met zijn eigen orkest – onder meer op met het Rotterdams Philharmonisch Orkest, het BBC Symphony Orchestra, het Tsjechisch Philharmonisch Orkest en het Residentie Orkest Den Haag.

Hij studeerde bij George Wiegel aan het Rotterdams Conservatorium en in Lyon bij Michel Becquet. trombone studeerde hij bij Daniel Lassalle, en ook volgde hij lessen en masterclasses bij Christian Lindberg, Joseph Alessi, tist Brian Pollard en cellist Anner Bijlsma.

Jörgen van Rijen won de internationale tromboneconcoursen van Guebwiller en Toulon, en componisten als Theo Verbey, Martijn Padding, Jacob ter Veldhuis en Jan van Vlijmen componeerden nieuw werk voor hem.

In 2012 bracht hij de wereldpremière van Kalevi Aho’s Tromboneconcert; in april 2017 hield hij met het Concertgebouworkest het Tromboneconcert van James MacMillan ten doop en in november 2021 ook het opdrachtwerk Three Muses in Video Game van Tan Dun.

Jörgen van Rijen kreeg in 2004 de Nederlandse Muziekprijs en in 2006 een Borletti-Buitoni Trust Award. Hij geeft les aan het Conservatorium van Amsterdam en aan de Royal Academy of Music in Londen.

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest