Bariton Andrè Schuen in Schumann, Wolf en Martin

Andrè Schuen bariton
Daniel Heide piano

 

pauze ca. 20.55 uur
einde ca. 22.00 uur 

teksten gratis verkrijgbaar aan de zaal

Dit concert maakt deel uit van de serie Vocaal 1.

Robert Schumann 1810-1856

Liederkreis, op. 24 (1840)
Morgens steh’ ich auf und frage
Es treibt mich hin, es treibt mich her
Ich wandelte unter den Bäumen
Lieb Liebchen, leg’s Händchen
Schöne Wiege meiner Leiden
Warte, warte, wilder Schiffsmann
Berg’ und Burgen schau’n herunter
Anfangs wollt’ ich fast verzagen
Mit Myrthen und Rosen, lieblich und hold

Lehn’ deine Wang’ an meine Wang’ (1840)
uit ‘Vier Gesänge’. op. 142

Dein Angesicht, so lieb und schon (1840)
uit ‘Fünf Lieder und Gesänge’, op. 127

Mein Wagen rollet langsam (1840)
uit ‘Vier Gesänge’, op. 142 

Tragödie 1: Entflieh’ mit mir und sei mein Weib (1841)
Tragödie 2: Es fiel ein Reif in der Frühlingsnacht (1841)
uit ‘Romanzen und Balladen IV’, op. 64

Du bist wie eine Blume (1840)
uit ‘Myrthen’, op. 25

pauze

Hugo Wolf 1860-1903

Harfenspieler I: Wer sich der Einsamkeit ergibt (1888)
Harfenspieler II: An die Türen will ich schleichen (1888)
Harfenspieler III: Wer nie sein Brot mit Tränen ass (1888)
uit ‘Goethe-Lieder’

Frank Martin 1890-1974

Sechs Monologe aus Jedermann (1943-44)
Ist alls zu End das Freudenmal
Ach Gott, wie graust mir vor dem Tod
Ist als wenn eins gerufen hätt
So wollt ich ganz zernichtet sein
Ja! Ich glaub: solches hat er vollbracht
O ewiger Gott! O göttliches Gesicht!

Toelichting

Heine en Schumann

tekst: Frits Vliegenthart

Hoogstaande poëzie leidt vaak tot hoogstaande kunst. Drie grote dichters uit het Duitse taalgebied staan in dit programma centraal: Heinrich Heine (1797-1856), Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832) en Hugo von Hofmannsthal (1874-1929).

Heine kwam uit een familie van textielhandelaren. Met tegenzin ging hij rechten studeren, maar met des te meer enthousiasme hield hij zich bezig met geschiedenis en filosofie. Heine bezocht de universiteiten van Bonn, Berlijn en Göttingen. De politieke opvattingen van deze scherpe geest waren te progressief voor zijn vaderland, en in 1831 vestigde hij zich in Parijs als correspondent voor de Allgemeine Zeitung.

De rest van zijn leven zou hij in Frankrijk doorbrengen, waar hij na een jarenlang ziekbed – door hemzelf ‘Matratzen-gruft’ genoemd – overleed. Zijn gedichten zijn op muziek gezet door veel componisten, onder wie Silcher (Die Lorelei), Schubert, Mendelssohn, Loewe, Brahms, Wolf, Strauss, Orff en Henze. Wat maakt zijn poëzie hiervoor zo bijzonder geschikt? Dat is niet alleen de grote muzikaliteit ervan: ook is het de inhoud die inspireert, met zijn rijkdom aan emoties.

Tevens intrigeert zijn kernachtige dichtkunst door dubbele of verborgen betekenissen. Een rode draad is onbeantwoorde liefde, een herinnering aan de gevoelens van de jeugdige Heine voor zijn nicht Amalie. Met name het Buch der Lieder (1817-1826) is daar een reflectie van. Melancholie wordt vaak verluchtigd door ironie en zelfspot.

Misschien voelde Robert Schumann, die jarenlang geen liederen meer had gecomponeerd, zich in februari 1840 aangesproken door dit van een ongelukkige liefde, toen hij zijn Liederkreis, 24 schreef, op teksten uit het eerste deel, Junge Leiden, van Heines Buch der Lieder.

Weliswaar hield Schumanns aanbedene Clara Wieck ook van hem, maar hun verbintenis werd tegengehouden door haar vader. De rechter moest eraan te pas komen voordat het paar op 12 september 1840 kon trouwen. Schumann stuurde een exemplaar van zijn Liederkreis naar de door hem bewonderde dichter. Helaas heeft die zending de geadresseerde niet bereikt, evenmin hebben de twee elkaar ooit ontmoet. 

Zowel commercieel – losse, korte eren verkochten niet zo makkelijk – als artistiek gezien was dit aaneenrijgen tot een cyclus uitermate zinvol. De stijl is al echt die van de rijpere liedcomponist Schumann. Hij had veel kennis van en een goede intuïtie voor literatuur.

Doorslaggevend bij het uitkiezen van teksten was de vraag of een gedicht bij hem persoonlijk een bepaalde snaar raakte. Horen deze negen gedichten al bij elkaar door hun tiek (verlangen, liefdes-verdriet, hoop, eenzaamheid) en een subtiel gesuggereerde verhaallijn, zo ook Schumanns zettingen, onder meer door - en tempokeuze.

De strofische vorm is nog volop aanwezig. Liederen als Schöne Wiege meiner Leiden en Warte, warte, wilder Schiffsmann vertonen echter al complexere vormen en hebben een meer ambitieuze, vaak illustratieve pianopartij. Naspelen vatten het betoog als het ware samen.

Oorspronkelijk had Schumann Lehn’ deine Wang’ an meine Wang’ en Mein Wagen rollet langsam willen opnemen in de cyclus Dichter-liebe, maar uiteindelijk kwamen deze twee liederen terecht in de Vier Gesänge, 142. De dood overschaduwt het liefdesvisioen in Dein Angesicht, so lieb und schön, eveneens aanvankelijk bedoeld voor Dichterliebe.

Na twee delen van Tragödie (1841, in Romanzen und Balladen IV) volgt Du bist wie eine Blume (1840, uit Myrthen), een bij vele componisten geliefde tekst.

Goethe en Wolf

De gedichten, romans en toneelstukken van Goethe hebben krachtige impulsen geleverd tot de ontwikkeling van het Duitse . Dit hangt samen met de directe weergave van emoties, humor, dramatische gebeurtenissen en verheven ideeën.

Zelf vond de dichter ‘dat geen enkel gedicht helemaal af was, voordat iemand het op muziek had gezet’. Toen Hugo Wolf vanwege zijn niets en niemand ontziende kritieken was ontslagen als recensent voor het Wiener Tagesblatt, brak er een periode van onbelemmerde productiviteit aan.

Zijn respect voor de dichtkunst, die volgens hem gediend moest worden door de muziek, blijkt onder meer uit de naamkeuze van bundels als 51 Gedichte von J.W. von Goethe (of 53 Gedichte von Eduard Mörike). Altijd analyseerde hij het betreffende gedicht zorgvuldig en droeg het en petit comité voor, of liet dit doen door een voordrachtskunstenaar.

Daarna verliep het componeren doorgaans vrij vlot. In Goethes roman Wilhelm Meisters Lehrjahre is de geheimzinnige Harfenspieler veroordeeld tot een zwervend bestaan om boete te doen voor een incestueuze liefdesaffaire. De drie aangrijpende ‘Harfenspieler-liederen’ gaan tot de bodem van het menselijk leed.

Hofmannsthal en Martin

De dichter en schrijver Hofmannsthal heeft vooral bekendheid gekregen als librettist van Richard Strauss. Minder bekend is wellicht het feit dat hij in 1920 samen met regisseur Max Reinhardt de Salzburger Festspiele oprichtte. Tot 1938 werd in dat kader bijna elk jaar zijn toneelstuk Jedermann op de Domplatz uitgevoerd.

Hofmannsthal was ervan overtuigd dat de combinatie van poëzie, toneel en muziek de mens tot een hogere manier van leven kon verheffen. Dit ideaal bezielt ook Jedermann, waarvoor hij inspiratie vond in laat-middeleeuwse mysterie-spelen als het Engelse Morality Play en de Comedi [sic] vom reichen sterbenden Menschen van Hans Sachs.

Uit de Nederlandse literatuur kennen we de allegorische moraliteit Elckerlyc. Een zelfvoldane rijkaard wordt door God ter verantwoording geroepen. De Dood komt hem halen en iedereen laat hem in de steek. Op zijn laatste reis kan hij alleen zijn geldkist meenemen, waaruit de Mammon opduikt, in wiens macht hij zich bevindt. Geloof en Goede Werken redden hem echter uit de klauwen van de duivel en vergezellen hem als enigen het graf in.

De Zwitserse componist Frank Martin ontwikkelde een geheel eigen muzikaal idioom, dat opvalt door een grote sensibiliteit. Hij hield veel van Hofmannsthals Jedermann, met zijn ‘naïeve’, archaïsch gekleurde tekst. Aanvankelijk wilde hij er een van maken, maar hij zag daarvan af toen de bariton Max Christmann hem verzocht om een aantal eren voor zang en piano.

Dat werden de Sechs Monologe aus Jedermann, die door Christmann en Martin op 5 augustus 1944 ten doop werden gehouden. Ze zijn zo geschreven dat ze ook kunnen worden gezongen door een alt. Terugkerende melodische wendingen creëren een eenheid tussen de onderling sterk verschillende liederen, die uitsluitend tot hun recht komen binnen het geheel van de cyclus. Hoewel Martin de Sechs Monologe later heeft georkestreerd, behield hij altijd een voorliefde voor de oerversie met piano.

Biografie

Andrè Schuen, bariton

Andrè Schuen groeide op in Zuid-Tirol, Italië. Al was hij in zijn jeugd een fanatiek cellist, toch ging hij zang studeren aan het ­Mozarteum in Salzburg. Na een periode in het ensemble van de Oper Graz (2010-2014) werd hij geëngageerd door onder meer de Bayerische Staatsoper in München, de Wiener Staatsoper, het Royal House Covent Garden in Londen en de operahuizen van Madrid, Milaan en Zürich en door de festivals van Salzburg en Aix-en-Provence.

Hoogtepunten op het concertpodium waren Mahlers Lie­der eines fahrenden Gesellen met het Lucerne Festival Orchestra, Mahlers Wunderhorn-­L­ieder en Chaussons Poème de l’amour et de la mer met het Fins Radio , Beethovens Negende symfonie bij de Boston Symphony onder Andris Nelsons en bij het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks onder Simon Rattle, Mahlers Achtste symfonie in Milaan onder Riccardo Chailly en Mendelssohns Elias met het Mahler Chamber Orchestra onder Maxim Emelyanychev.

Andrè Schuen geeft ook veelvuldig recitals; in Wigmore Hall in Londen, op de Schu­bertiades van ­Hohenems, Schwarzenberg en Vila­bertran, de Heidelberger Frühling, en in de Verenigde Staten op de festivals van Tanglewood en Aspen. Met pianist Daniel Heide gaf de bariton twee keer eerder een in de : op 16 januari 2018 brachten ze Robert Schumann, Martin en Wolf, en op 12 december 2023 Mahler en Schubert. De debuut-cd van het duo, met het repertoire van hun Amsterdamse debuutrecital, was in 2016 bekroond met een Echo Klassik, en voor Schuberts Schwanengesang kregen ze een Opu­s Klassik. In voorjaar 2024 verscheen ook hun interpretatie van Schuberts Winterreise op cd.

Daniel Heide, piano

Daniel Heide studeerde aan de Franz Liszt Hochschule in zijn ­geboorteplaats Weimar.

De pianist was te gast op de ­Schubertiades van Schwarzenberg/ Hohenems en ­Vilabertran en de festivals van Schleswig-­Holstein, Rheingau, ­Edinburgh en Oxford en speelde in kamermuziek­zalen als de Philharmonie en het Konzerthaus in Berlijn, het Konzerthaus Dortmund, de Oper Frankfurt, de Philharmonie de Paris, het Wiener Konzerthaus, Wigmore Hall in Londen, de Børssalen in Kopenhagen, deSingel in Antwerpen en de Bunka Kaikan Hall in Tokio.

In ‘Der e Salon’ in Schloss Ettersburg begeleidde hij al over de honderd avonden. Onder de ­zangers met wie Daniel Heide musiceert zijn Katharina Konradi, Patrick Grahl, ­Tobias Berndt, Dorottya Lang en Britta Schwarz. Hij werkt aan een integrale opname van het liedoeuvre van Liszt, en voor albums met mezzosopraan Stella Doufexis ­(Poèmes), Andrè Schuen (Schwanen­gesang) en Konstantin Krimmel (Die schöne Müllerin) kreeg de pianist de Preis der ­deutschen Schallplattenkritik en de Op­us ­Klassik.

Instrumentale muziek speelt hij met collega’s als Tabea ­Zimmer­mann, Julia ­Hagen, Andreas Willwohl en het Mandelring-­Quartett, en sinds de corona­tijd concentreert hij zich ook weer meer op het pianosolorepertoire. Eerder dit jaar begeleidde Daniel Heide in de tenor Christoph Prégardien ­(3 juni; Schubert en Duparc).