Badke Kwartet in gesprek met Schubert

Badke Kwartet:
Emma Parker viool
Charlotte Scott viool
Jon Thorne altviool
Nathaniel Boyd cello

Joseph Haydn 1732-1809

Strijkkwartet in F gr.t., op. 77 nr. 2 (1799)

Allegro moderato
Menuet: Presto – Trio
Andante
Finale: Vivace assai

Ian Wilson 1964

Eerste strijkkwartet (1992) ‘Winter’s Edge’
[in één deel]

pauze

Franz Schubert 1797-1828

Strijkkwartet in a kl.t., D 804 (1824) ‘Rosamunde’

Allegro ma non troppo
Andante
Menuetto: Allegretto
Allegro moderato

Dit concert wordt opgenomen door de Concertzender voor latere uitzending; zie www.concertzender.nl

Toelichting

Joseph Haydn 1732-1809

Haydn: Strijkkwartet in F

Door Anneloes Brand

Over een periode van veertig jaar componeerde ‘papa’ Joseph Haydn een kleine zeventig strijkkwartetten. De twee kwartetten van 77 uit 1799 waren zijn laatste voltooide werken in dit genre; in 1803 begon hij opnieuw aan een strijkkwartet, maar voltooide slechts twee delen (opus 103).

Dat opus 77 niet uit het destijds gangbare aantal van zes kwartetten bestond, had misschien te maken met Haydns tanende gezondheid en het feit dat de componist tegelijkertijd bezig was aan een veel grootser werk, zijn Die Jahreszeiten. Niet dat de kwartetten ook maar enigszins aandoen als producten van een oude, vermoeide man. Het Strijkkwartet in F groot, opus 77 nr. 2 zit vol elan, verrassingen en meesterschap. Het eerste deel, moderato, begint elegant en eenvoudig, waarna Haydn zijn ideeën doordacht en vakkundig ontwikkelt.

De twee middendelen staan in omgekeerde volgorde: het is niet het derde, maar het tweede deel. En dat niet alleen, het Menuet lijkt op het later gebruikelijke . Haydn haalt ritmische grappen uit met het boerendansachtige en zet de luisteraar diverse malen op het verkeerde been. Het midden- vormt er een groot contrast mee: het lijkt haast een slaapliedje. Het derde deel, , begint met een statig duet voor eerste viool en . Later krijgen de andere twee strijkers het thema ook toe­bedeeld en wordt het gecompliceerder. De Finale tot slot leent zijn karakter van een volksdans, de polonaise.

77 werd in 1802 uitgegeven door Artaria in Wenen en opgedragen aan prins Joseph František Maximilian Lobkowicz (ook wel gespeld als Lobkowitz). De prins speelde zelf viool en cello (en zong ook) en werd een belangrijke mecenas voor het Weense muziekleven – u kent hem misschien ook in verband met strijkkwartetten en symfonieën van Beethoven.

Ian Wilson 1964

Wilson: ‘Winter’s edge’

Door Anneloes Brand

Ian Wilson werd geboren in Belfast en schreef tot dusver ruim 150 composities, waaronder kameropera’s, concerten, andere orkestmuziek, kamermuziek en multimediawerken. Hij werkte niet alleen samen met klassieke musici, maar ook met jazzmusici, traditionele Aziatische en Ierse muzikanten, choreografen, regisseurs en anderen.

Onder zijn kamermuziek bevinden zich maar liefst vijftien strijkkwartetten. Over dit genre zei Wilson zelf ooit: ‘Het strijkkwartet kan soms intimiderend zijn vanwege het gewicht van het verleden; maar het verleden is er om van te leren en om evenzeer te negeren, en voor mij biedt dit genre nog steeds geweldige mogelijkheden.’ De Ierse componist schreef zijn Eerste strijkkwartet ‘Winter’s Edge’ in 1992 in opdracht van het Vanbrugh Kwartet met financiële steun van de Arts Council of Northern Ireland. Het Vanbrugh Kwartet verzorgde op 10 maart 1993 de wereldpremière in Omagh (Noord-Ierland) en voerde het werk daarna nog diverse keren uit en nam het op cd op.

‘Winter’s Edge’, volgens Wilson geïnspireerd door ‘het idee van de verlossing, zoals belicht in het leven van de apostel Paulus’, verkent het spanningsveld tussen conflict en kalmte. De kleurrijke muziek prikkelt het voorstellingsvermogen van begin tot eind. Maar waarom Wilson een gedeelte van de ‘Danse sacrale’ uit Stravinsky’s Le sacre du printemps citeerde, was een raadsel. Bij navraag vertelt de componist: ‘Dit is inderdaad een curieuze kwestie. Toen ik het werk 23 jaar geleden schreef, realiseerde ik me niet dat deze passage met Stravinsky’s muziek overeenkwam! Het is dus geen direct citaat, maar er is wel degelijk een gelijkenis. Het moet een soort onderbewuste hommage aan Stravinsky zijn geweest, want er was niets bewusts aan!’

Franz Schubert 1797-1828

Schubert: ‘Rosamunde’

Door Anneloes Brand

Na enkele jaren voornamelijk eren te hebben geschreven, keerde Franz Schubert begin 1824 terug naar kamermuziek. Hij werkte hard en intens geconcentreerd. Zo schreef een vriend: ‘Als je overdag bij hem langs gaat, zegt hij: “Hallo, hoe gaat het? – Goed!” en gaat verder met schrijven, waarop jij maar weer vertrekt.’ In sneltreinvaart creëerde Schubert meesterwerken als het Strijkkwartet ‘Rosamunde’, het Strijkkwartet ‘Der Tod und das Mädchen’ en het Octet in F groot, D 803. De twee strijkkwartetten zijn opvallend verschillend van karakter: het eerste is bespiegelend en melancholiek, het tweede dramatisch en intens.

Het delicate Strijkkwartet in a klein dankt zijn bijnaam ‘Rosamunde’ aan het tweede deel, , waarin Schubert een citeerde uit zijn toneelmuziek voor Rosamunde, Fürstin von Zypern uit het voorgaande jaar. Net als zijn vele andere theaterpogingen beleefde ook dit toneelstuk weinig succes, maar de orkestmuziek leefde voort – vooral de hergebruikte derde Entr’acte. Overigens greep Schubert tevens in het derde deel, het to, terug op eerder werk: het openingsmotief komt uit zijn  Die Götter Griechenlands, D 677 op een gedicht van Schiller. Terneergeslagen vraagt de componist zich af: ‘Schöne Welt, wo bist du?’ Maar na drie delen die balanceren tussen wanhoop, vrees, verlangen en droefheid rekent Schubert in het levendige, dansante slotdeel met de somberheid af en mfeert de hoop.

Het ‘Rosamunde’-kwartet was Schuberts enige strijkkwartet dat tijdens zijn leven werd gepubliceerd. Het werd op 14 maart 1824 in première gebracht door het kwartet van de befaamde violist Ignaz Schuppanzigh, aan wie het was opgedragen. Een van Schuberts vrienden tekende hierover op: ‘Schuberts kwartet is uitgevoerd, tamelijk langzaam volgens zijn mening, maar wel puur en fijngevoelig... Het kreeg veel applaus.’

Biografie

Badke Kwartet

Het Britse Badke Kwartet werd geformeerd in 2002. Het ensemble studeerde bij Gabor Takács-Nagy en bij leden van het Alban Berg Kwartet. Ook volgden de musici lessen aan de Royal Academy of Music in Londen. Het ensemble won de eerste prijs en de publieksprijs tijdens de Melbourne International Chamber Music Competiton.

In de afgelopen jaren speelde het Badke Kwartet in vele concertzalen, zowel in Engeland als daarbuiten. Het was te gast tijdens de bekende muziekfestivals van Aldeburgh, Aix en-Provence, Malmö, Bad Kissingen en Santander.

Voor uitvoeringen van werk in ruimere bezetting musiceerde het kwartet met collega’s als Mark Padmore, Simon Crawford-Philips en John Mark Ainsley. Met Maximiliano Martín maakten de musici succesvolle opnamen van klarinetkwintetten van Mozart en Brahms. Andere albums bevatten vertolkingen van werk van Britten, Mendelssohn en Haydn.

Het Badke Kwartet is sinds september 2014 quartet in residence van de Royal Holloway University in Londen en organiseert een eigen festival in het Zuid-Engelse Kingsand. In Het Concertgebouw was het kwartet één keer eerder te gast, tijdens de Robeco Zomerconcerten van 2010.