Bachs Johannes-Passion bij het Concertgebouworkest

Koninklijk Concertgebouworkest
Trevor Pinnock dirigent/klavecimbel
Mauro Peter tenor (Evangelist, aria’s)
Matthew Rose bas (Christus)
Lydia Teuscher sopraan
Wiebke Lehmkuhl alt
Johannes Weisser bas (aria’s en Pilatus)
Groot Omroepkoor instudering Gijs Leenaars

solisten uit het Groot Omroepkoor:
Elma Dekker sopraan (dienstmeisje)
Felipe Gallegos Carlos tenor (dienaar 1 en 2)
Pieter Hendriks bas (Petrus)

instrumentale solisten en basso continuo:
Emily Beynon en Mariya Semotyuk-Schlaffke fluit
Ivan Podyomov hobo, oboe da caccia
Miriam Pastor Burgos hobo, oboe d’amore 
Gustavo Núñez fagot
Joris van Rijn en Caroline Strumphler viool
Robert Smith viola da gamba
Gregor Horsch cello
Pierre-Emmanuel de Maistre contrabas
Leo van Doeselaar orgel

Dit programma maakt deel uit van de serie D.

Een tekstboekje is voor € 3 verkrijgbaar aan de zaal.

Ook interessant:
- Hoe tekstdichter Brockes de Johannes-Passion inspireerde 
- Bachs leven in kaart
- De werkdag van dirigent Trevor Pinnock
- 100 jaar Concertgebouworkest op de radio

Johann Sebastian Bach (1685-1750) 

Johannes-Passion, BWV 245 (1724) 
op teksten van Barthold Heinrich Brockes en anderen

pauze na het eerste deel, ± 21.00 uur 

einde ± 22.40 uur 

Toelichting

Johann Sebastian Bach (1685-1750)

Bach: Johannes-Passion

Door Frits Vliegenthart

Voor zover bekend heeft Johann Sebastian Bach vijf passies geschreven, waarvan alleen die naar de evangelies van Johannes en Matthäus bewaard zijn gebleven. Van de Lukas-Passion is het auteurschap omstreden, terwijl de Markus-Passion en een passie op een tekst van Picander (librettist van de Matthäus) verloren zijn gegaan. Toen B­ach in 1723 aantrad als cantor van de Thomaskirche in Leipzig, kende die stad sinds een paar jaar een traditie van het uitvoeren van ‘moderne’ passiemuziek in de hoofdkerken. De vesperdienst in de Thomaskirche op Goede Vrijdag was het muzikale hoogtepunt van het jaar geworden. Johann Kuhnau’s Markus-Passion voerde men volgens een vast schema afwisselend in de Thomaskirche of in de Nikolaikirche uit.

Helaas was de nieuwkomer Ba­ch hierover niet goed geïnformeerd. Daardoor had hij voor Goede Vrijdag 1724 nietsvermoedend de première van zijn eigen Johannes-Passion in de Thomaskirche gepland, terwijl daar Kuhnau op het programma stond. Op het laatste moment moest Bach uitwijken naar de Nikolaikirche, wat veel gedoe met zich meebracht, zoals uit de correspondentie blijkt. Het tekstboekje was al gedrukt, er moest extra ruimte worden gemaakt op de koorgalerij en een spoedreparatie van het klavecimbel was nodig. Dit laatste biedt en passant interessante informatie over de uitvoeringspraktijk: sinds de opkomst van de historisch geïnformeerde vertolkingen van Bachs passies in de jaren 1970 gold het gebruik van een klavecimbel immers lange tijd als ‘niet authentiek’. 

Tegenwerking 

Ook in 1739 deed zich een incident voor rond de Johannes-­Passion, zoals we kunnen lezen in een verslag van de Leipziger stadsklerk die op 17 maart een bezoek had gebracht aan een zeer boze Bach: ‘In opdracht van de nobele en zeer wijze raad ben ik naar de heer Bach alhier gegaan en heb hem uitgelegd dat de muziek die hij van plan is uit te voeren op de komende Goede Vrijdag niet uitgevoerd mag worden totdat daarvoor toestemming is ontvangen. Daarop antwoordde hij: het was altijd zo gedaan; het kon hem niets schelen omdat hij er toch niets voor kreeg en het was hem alleen maar tot last. Hij zou de bisschop laten weten dat het hem verboden was; en als er bezwaar werd gemaakt vanwege de tekst, dan diende in aanmerking te worden genomen dat die al een aantal malen was uitgevoerd.’

Wat was hier toch aan de hand? Bach wilde zijn Johannes-Passion na de laatste uitvoering (1732) weer eens ten gehore brengen in de Nikolaikirche, maar stuitte plotseling op tegenwerking van de stedelijke overheid. Bach-­biografen hebben tot nu toe niet kunnen achterhalen welke intriges hier een rol speelden – want zoiets moet haast wel het geval geweest zijn nadat Bach de Johannes inderdaad sinds 1724 meermalen had uitgevoerd, zonder daarbij door kerkelijke of wereldlijke autoriteiten te zijn gehinderd. Uiteindelijk ging de uitvoering van de Johannes in 1739 niet door en verving Bach deze waarschijnlijk door Georg Philipp Telemanns Brockes-­Passion.

Vertrouwde versie 

In de loop der jaren bleef Bach aan de groots opgezette, experimentele Johannes sleutelen totdat de ons vertrouwde versie ontstond. Hij verplaatste het oorspronkelijke openingskoor ‘O Mensch, bewein dein Sünde gross’ naar het slot van het eerste deel van de Matthäus-Passion en componeerde als nieuw begin van de Johannes-Passion het majestueuze koor ‘Herr, unser Herrscher’. Christus wordt hierin als koning geëerd; de tekst gaat terug op een Saksische gebedsformule, ‘Herr, unser Herrscher, dessen Name herrlich ist in allen Landen!’ Het slotkoraal ‘Christe, du Lamm Gottes’ verhuisde naar de BWV 23, Du wahrer Gott und Davids Sohn.

Verder verwijderde Bach de ’s ‘Zerschmettert mich, ihr Felsen und ihr Hügel’ en ‘Windet euch nicht, geplagte Seelen’, en voegde hij de aria’s ‘Ach, mein Sinn’ en ‘Erwäge, wie sein blutgefärbter Rücken’ plus het arioso ‘Betrachte meine Seel’ toe. Na het slotkoor ‘Ruht wohl, ihr heiligen Gebeine’ plaatste hij het ‘Ach, Herr, lass dein’ lieb’ Engelein’. Een al begonnen revisie voor 1739 liet Bach verder liggen toen de uitvoering, zoals hierboven beschreven, werd afgelast. Pas in 1749 zou de Johannes-Passion weer te horen zijn, in een nieuwe, rijkere

Retorische stijlmiddelen 

Het verhaal (naar Johannes 18 en 19) zoomt in op de aanhouding van Jezus, zijn berechting en zijn executie. De hier ten tonele gevoerde Messias is koninklijk en waardig; naar oude traditie in de passiemuziek is zijn stemsoort een bas. Bach past vele ke retorische stijlmiddelen toe. In de sopraanaria ‘Ich folge dir gleichfalls’ maakt de fluit door het herhalen van het van de zangstem bijvoorbeeld het ‘volgen’ hoorbaar; in de altaria ‘Von den Stricken meiner Sünden’ lijken de ­zangstem, de twee hobo’s en het continuo zich met hun krullende lijnen in elkaar te ‘verstrikken’.

De schokkende beweging in de tenoraria ‘Ach, mein Sinn’ geeft het ‘niet weten waarheen’ aan van de gelovige die zich verplaatst in het verdriet van Petrus, nadat deze Jezus heeft verloochend. Ook voor tenor is de aria ‘Erwäge, wie sein blutgefärbter Rücken’, met fraai uitgebeelde (en een lange adem vereisende) ‘Wasserwogen’ en ‘Regenbogen’. Onconventioneel en theatraal in de goede zin des woords is de altaria ‘Es ist vollbracht’, met het snelle, heroïsche middendeel over de held uit Juda. ‘Und siehe da’ (een ingevoegde tekstpassage uit het Matthäus-evangelie) en arioso ‘Mein Herz!’ schilderen plastisch de wonderlijke natuurverschijnselen die volgen op Jezus’ dood. 

Koren 

De ‘turba’-koren zijn dramatisch en breed uitgemeten, in overeenstemming met de aandacht van het Johannes-evangelie voor de uitingen van de volksmenigte, die Jezus’ lijden omringt en op cruciale momenten zijn marteldood steeds dichterbij brengt. Onderling zijn deze koren tisch verwant, wat bijdraagt aan de structuur van de Johannes, die het moest stellen zonder de briljante tekstdichter van de aria’s en koren van de Matthäus. Dat laatste verklaart wellicht waarom de componist zelf zoveel moest doen aan de opbouw van het stuk en waarom hij er verschillende versies van maakte. Het serene slotkoor staat in dezelfde als dat van de Matthäus-Passion: c klein.

Dit is geen toeval, want in beide wordt Jezus in het graf toegezongen met de wens dat hij vredig moge rusten in zijn (tijdelijke) doodsslaap. Componist en muziektheoreticus Johann Mattheson typeerde in 1713 de toonsoort c klein als volgt: ‘ein überaus lieblicher dabey auch trister tohn [...] Soll es aber eine Pièce sein, die den Schlaf befordern muss, so kann man [...] natürlicher Weise bald zum Zweck erlangen.’ Het slotkoraal ‘Ach Herr, lass dein lieb’ Engelein’ verwijst naar de jongste dag, waarop de gelovigen hopen door God te worden opgewekt uit de dood om de hemelse vreugden te genieten. 

Biografie

Trevor Pinnock, dirigent

Trevor Pinnock is wereldwijd actief als klavecinist en . Als een van de pioniers op het gebied van de authentieke uitvoerings­praktijk richtte hij in 1972 The English Concert op, waarvan hij tot 2003 artistiek leider was.

Hij gaf soloconcerten in Engeland en Italië en trad op met het Freiburger Barockorchester ter gelegenheid van het twintigjarig bestaan van dat ensemble. Met het Brandenburg Ensemble, dat hij vormde ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag, speelde hij Bachs Brandenburgse concerten

Trevor Pinnock ondernam tournees door Europa met onder andere de Deutsche Kammerphilharmonie Bremen, het Orchestra of the Age of Enlightenment en de ­Kammerakademie Potsdam. Hij dirigeerde orkesten als de Wiener en de Berliner Philharmoniker, het Chicago Symphony Orchestra, het Moz­arteum­orchester Salzburg, het Gewandhausorchester Leipzig, het London Philharmonic Orchestra en het Orchestra Mozart.

Bij de Metropolitan in New York leidde hij Giulio Cesare van Händel. In 1992 werd hij Commander of the Order of the British Empire. Trevor Pinnock is sinds 2008 regelmatig te gast bij het Concertgebouworkest. In oktober 2018 leidde hij het orkest in werken van Haydn, Chopin en Liszt

Mauro Peter, tenor

Mauro Peter werd geboren in Luzern en studeerde zang aan de Hochschule für Musik und Theater in München. In 2012 won hij de eerste prijs en de publieksprijs op het Internationaal Robert Schumann Concours in Zwickau. Een hoogtepunt in zijn loopbaan was het bejubelde debuut in 2012 op de Schubertiade in Schwarzenberg, waar hij Schuberts Die schöne Müllerin zong.

Sindsdien verschijnt de Zwitserse tenor regelmatig op de belangrijke Europese - en concertpodia. In het Theater an der Wien zong hij Mozart-rollen onder leiding van Nikolaus Harnoncourt. Andere en met wie hij samenwerkte zijn bijvoorbeeld Gustavo Dudamel, Marc Albrecht en John Eliot Gardiner.

Tijdens de opening van de Salzburger Festspiele in 2018 vertolkte hij Tamino in Mozarts Die Zauberflöte. Mauro ­Peter is een veelgevraagde solist voor de evangelistenrol in Bachs Passionen.

Bij het Concertgebouworkest vertolkte hij die in de Matthäus-Passion in maart 2018 onder leiding van Ton Koopman en in maart 2024 onder Trevor Pinnock.

Matthew Rose, bas

De Britse bas Matthew Rose studeerde aan het Curtis Institute in Philadelphia, waarna hij deelnam aan het jongtalentprogramma van het Royal House Covent Garden in Londen.

Voor zijn debuut als Bottom in Brittens A Midsummer Night’s Dream op het Glynde­bourne Festival van 2006 ontving hij de John Christie Award. Sindsdien treedt ­Matthew Rose op in operahuizen over de hele wereld. 

Een speciale relatie onderhoudt hij met de Metropolitan in New York, waar hij in 2022 alweer zijn honderdste optreden gaf. Hij vertolkte er bijvoorbeeld Filippo II in Verdi’s Don Carlos, Raimondo in Donizetti’s Lucia di Lammermoor en Leporello in Mozarts Don Giovanni.

Recent werd hij veelvuldig geprezen om zijn Wagner-­vertolkingen, waaronder Wotan in Die Walküre, Marke in Tristan und Isolde en Fasolt in Das Rheingold. Als concertzanger trad Matthew Rose op met onder meer de ­Staatskapelle Dresden, het Boston Sym­phony ­Orchestra en de filharmonische ­orkesten van New York, Los Angeles en Londen.

Bij het Concertgebouworkest maakt hij zijn debuut.

Lydia Teuscher, sopraan

Lydia Teuscher studeerde aan het Royal Welsh College of Music and Drama en aan de Hochschule für Musik in Mannheim.

De Duitse sopraan trad op met onder meer het Gürzenich-­Orchester, het Orchestra of the Age of Enlightenment en het Amsterdam Baroque Orchestra. Daarnaast schitterde Lydia Teuscher in ­diverse producties. Zo vertolkte ze Pamina in Mozarts Die Zauberflöte tijdens de Mozartwoche in Satzburg, op het Festival van Aix-en-Provence, in het Bolsjoj Theater en in de operahuizen van München en Berlijn. In Le nozze di Figaro was ze Susanna op het Glyndebourne Festival, bij de Dresdner Semperoper, in het Staatstheater Karlsruhe en in het Hyogo Performing Arts Center in Japan. Andere rollen waren Ännchen in Webers Der Freischütz (Opernhaus Zürich), Zerlina in Mozarts Don Giovanni in het Bolsjoj Theater en Gretel in Humperdincks Hänsel und Gretel op het Glyndebourne Festival, bij de Dresdner Semperoper en tijdens het Saito Kinen Festival.

Recent soleerde ze in Verdi's Quattro pezzi sacri bij het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks onder Christian Thielemann, Haydns Die Schöpfung met het Scottish Chamber Orchestra onder Maxim Emelyanychev, Mahlers Tweede symfonie met het Orquestra Simfónica de Barcelona i Nacional de Catalunya onder Kazushi Ono en BrahmsEin deutsches Requiem met Philharmonia Zürich gedirigeerd door Gianandrea Noseda.

Bij het Concertgebouworkest debuteerde Lydia Teuscher in 2007 in Bachs Matthäus-Passion onder leiding van Rogier Norrington

Wiebke Lehmkuhl, alt

Wiebke Lehmkuhl studeerde aan de Hochschule für Musik und Theater in Hamburg. Na gastoptredens bij de de ’s van Kiel, Hamburg en Hannover werd ze nog tijdens haar opleiding soliste bij de Oper Zürich.

In 2012 debuteerde de Duitse alt onder leiding van Nikolaus Harnoncourt op de Salzburger Festspiele, waarna optredens volgden in Wagners Der Ring des Nibelungen bij de Opéra de Bastille in Parijs en Götterdämmerung bij de Bayerische Staatsoper in München.

Erda in Wagners Das Rheingold en Siegfried groeide uit tot een van de sleutelrollen van Wiebke Lehmkuhl, wat haar al naar München, Genève, Parijs en Londen bracht.

In 2016 debuteerde ze bij De Nationale in Amsterdam, in Händels Jephtha. De is dan ook een andere favoriete stijlperiode: met het Gewandhausorchester Leipzig onder Riccardo Chailly is Wiebke Lehmkühl te horen op een cd-opname van het Weihnachtsoratorium, en in 2018 soleerde ze bij het Concertgebouworkest in Bachs Matthaüs-­Passion onder Ton Koopman en in maart dit jaar in de Johannes-­Passion onder Trevor Pinnock.

Wiebke Lehmkuhl was te gast op de festivals van Bayreuth en Luzern en soleerde bij de Berliner Philharmoniker, het Orchestre National de Paris, het Orchestra del Teatro alla Scala di Milano en The Cleveland Orchestra.

Johannes Weisser, bas

De Noorse bas Johannes Weisser studeerde aan het Conservatorium van Kopenhagen en aan de Koninklijke Deense -academie. In 2004 debuteerde hij als Masetto in Mozarts Don Giovanni bij zowel de Nationale Opera van Noorwegen als de Komische Oper Berlin.

Sindsdien brengt zijn carrière hem naar operatheaters als de Staatsoper Berlin, het Theater an der Wien, De Munt in Brussel en het Théâtre des Champs-Elysées in Parijs en naar de festivals van Salzburg en Edinburgh. 

Hij vierde successen met Mozart-rollen als Leporello in Don Giovanni, Guglielmo in Così fan tutte en Papageno in Die Zauberflöte, maar ook als Schaunard in Puccini’s La bohème, Mr. Flint in Brittens Billy Budd en Agamemnon in Glucks Iphigénie en Aulide.

Daarnaast is hij een veelgevraagd - en concertzanger, met een repertoire dat uiteenloopt van Monteverdi tot Weill. Zijn recitals worden hooggeprezen, met name die waarbij hij samenwerkt met pianist Leif Ove Andsnes.

Bij het Concertgebouworkest maakt Johannes Weisser zijn debuut. 

Groot Omroepkoor, koor

Het Groot Omroepkoor, opgericht kort na de Tweede Wereldoorlog, is het enige professionele koor in Nederland dat het grote symfonische koorrepertoire uitvoert. Het koor is nauw verbonden met de Publieke Omroep en zingt veelvuldig in de omroepseries: de NTR ZaterdagMatinee, Het Zondagochtend Concert en het AVROTROS Vrijdagconcert.

Het repertoire beweegt zich tussen hedendaagse muziek (opdrachtwerken van zowel Nederlandse als buitenlandse componisten), oudere werken uit de negentiende en twintigste eeuw en . Het Groot Omroepkoor treedt op met orkesten van naam en faam, en werkt in de omroepseries doorgaans met het Radio Filharmonisch Orkest.

Ook met het Concertgebouworkest bestaat een lange, vruchtbare samenwerking. Bij de laatste gezamenlijke concerten in mei 2025 stond Mahlers Achtste symfonie op het ­programma onder leiding van Klaus Mäskelä. Samen met het Radio Filharmonisch Orkest ontving het Groot Omroepkoor in 2017 de Concertgebouw Prijs. Chef- sinds 2020 is Benjamin Goodson.

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest