Arthur Jussen speelt Mozarts Jeunehomme-concert

Klassieke Meesterwerken 20.15 uur

Rotterdams Philharmonisch Orkest
Jukka-Pekka Saraste dirigent
Arthur Jussen piano

Ludwig van Beethoven 1770-1827

Ouverture ‘Leonore’ nr. 2 in C gr.t., op. 72a (1804-05)

Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1791

Negende pianoconcert in Es gr.t., KV 271 (1777) ‘Jeunehomme’
Allegro
Andantino
Rondeau: Presto – Menuetto (cantabile) – Presto

pauze

Johannes Brahms 1833-1897

Eerste symfonie in c kl.t., op. 68 (1862-76)
Un poco sostenuto - Allegro
Andante sostenuto
Un poco allegretto e grazioso
Adagio – Più andante – Allegro non troppo ma con brio – Più allegro

begin van de pauze ca. 21.05 uur
einde van het concert ca. 22.15 uur

 

Toelichting

Ludwig van Beethoven 1770-1827

ouverture ‘leonore’ nr. 2

Tekst: Liesbeth Houtman

Maar liefst vier ouvertures componeerde Ludwig van Beethoven voor zijn Fidelio. Hieruit blijkt wel hoezeer hij heeft geworsteld met de materie. ‘Voor deze opera verdien ik een martelaarskroon’, beweerde de componist later.

De eerste versie, toen nog Leonore geheten, ging op 20 november 1805 in het Weense Theater an der Wien in première gedirigeerd door Beethoven zelf. Bij die gelegenheid klonk de Ouverture ‘Leonore’ nr. 2 in C groot, 72a. De oorspronkelijke ouverture had Beethoven toen al verworpen omdat hij die te mager vond.

Een slechter moment voor de première van zijn eerste en enige opera had Beethoven niet kunnen kiezen. Enkele dagen eerder hadden Napoleons troepen Wenen bezet, en de hele stad was in rep en roer. Afgezien van een paar Franse militairen bleef het publiek grotendeels weg.

De flopte en werd na nog eens twee opvoeringen van het programma gehaald. Beethoven trok het werk terug, sleutelde er nog wat aan en presenteerde een paar maanden later zijn revisie. Pas in 1814 kwam de derde en definitieve versie gereed, inclusief ouverture nummer vier. 

De opera is gebaseerd op een libretto van Joseph Sonnleithner, naar een Frans origineel van Jean-Nicolas Bouilly geschreven voor componist Pierre Gaveaux. Vanwege mogelijke politieke complicaties verplaatste Sonn­leithner de plot van het Frankrijk ten ­tijde van de Revolutie naar het zestiende-eeuwse Spanje. Hoofdpersonen zijn Florestan, een jonge vrijheidsstrijder die ten onrechte vastzit in de gevangenis, en zijn vrouw Leonore.

Verkleed als jongen (Fidelio) slaagt zij erin haar geliefde te bevrijden. Beethoven had hiermee een actueel te pakken, want zogenaamde noodlots- of reddings-opera’s waren destijds niet aan te slepen. De humanitaire lading en verheven idealen spraken hem bovendien persoonlijk aan. 

Als in een notendop ligt in de Ouverture ‘Leonore’ nr. 2 het hele drama besloten. Af en toe speelt Beethoven met motieven uit de opera, zoals de backstage fanfares die het moment van bevrijding aankondigen. De ouverture opent met een langzame, onheilspellende inleiding.

Die onbestemde sfeer blijft hangen totdat toonladderachtige loopjes in de fluit een nieuwe episode inluiden. Heftige en vormen de overgang naar een meer optimistisch thema, geïntroduceerd door de en omspeeld door ritmische strijkersfiguren die verwant zijn aan het toonladdermotief. Maar de stemming slaat pas echt om in het gespierde C-groot-. Dit mondt uit in een heroïsche lofzang op de vrijheid.

Wolfgang Amadeus Mozart 1756-1791

pianoconcert ‘jeunehomme’

Tekst: Frederike Berntsen

In 1777 woonde Mozart in Salzburg, maar had hij Wenen, Parijs, Londen, Nederland en Italië al gezien. In januari, de maand waarin de componist eenentwintig jaar werd, voltooide hij zijn Negende pianoconcert, ‘Jeunehomme’.

Dit werk behoort tot de eerste concerten die hij helemaal zelf schreef voor het instrument. Stukken van vóór 1773 die de titel ­‘pianoconcert’ dragen, waren arrangementen van werken van collega-componisten.

Mozart schreef het concert voor Louise Victoire Jenamy, dochter van Jean-Georges Noverre, een bekend balletdanser voor wie Mozart ook componeerde. De achternaam van Louise Victoire lijkt een beetje op Jeunehomme.

De spelling die Mozart aanhield, we vinden onder andere ‘Jenomè’ terug, – Mozart grapte graag, ook in zijn brieven – en de ­aanname later van onderzoekers en musicologen zorgde ervoor dat Jeunehomme in de boeken terechtkwam.

Een mooi woord, en opmerkelijk genoeg ook passend bij dit concert, het eerste van Mozart als buitengewoon begaafd jonge man, wonderkind af. Mozart hield van het stuk, hij ging er zelf mee op reis, had het jaren later nog op zijn repertoire staan en componeerde er meerdere en voor.

Volgens pianist Alfred Brendel is het concert ‘a wonder of the world’ en biograaf Alfred Einstein noemde het Mozarts ‘Eroïca’, vanwege het innovatieve karakter van het stuk; luister alleen al naar het begin van het eerste deel waarin de piano nogal brutaal zijn opwachting maakt.

En mevrouw Louise Victoire had wel een en ander in haar , te horen aan de techniek en virtuositeit die Mozart van de solist vraagt, die begeleid wordt door twee hobo’s, twee s en strijkers. In het eerste deel valt een enorme rijkdom aan ideeën, ­’s en ën op.

Mozart introduceert ook -achtige elementen, zoals de lange triller waarmee de piano voor de tweede keer inzet in het eerste deel. Het is ook geen geheim dat de componist niet alleen in zijn opera’s diverse muzikale karakters opvoert. In het Andantino in lijkt de solist wel de zanger. In het Rondeau, het laatste deel, anticipeert de rechterhand op de Jeder fühlt der liebe Freuden uit Die Zauberflöte.

Johannes Brahms 1833-1897

eerste symfonie

Tekst: Liesbeth Houtman

Op het moment dat Johannes Brahms met zijn Eerste symfonie in c klein, 68 naar buiten trad, was Beethoven al bijna vijftig jaar dood. Dat diens symfonieën aan impact nog niets hadden verloren, daarvan was Brahms zich maar al te bewust. ‘Vandaag de dag valt met een symfonie niet te spotten, het is een zaak van leven en dood’, verklaarde hij.

Na een vergeefse poging om al in 1854 een symfonie te schrijven, zag Brahms voorlopig van zijn symfonische plannen af. Maar het idee liet hem niet meer los. In composities als het Eerste pianoconcert, de twee orkestserenades en de Haydn-variaties verkende hij het orkestrale coloriet en langzaam maar zeker stevende hij af op zijn doel.

In 1862 durfde Brahms dan eindelijk een opzet van het eerste deel, waarmee hij al zes jaar bezig was, aan Clara Schumann te sturen. Toch bleef hij ook de jaren erna ernstig twijfelen aan zijn kunnen.

Zelfs in 1875 heette het nog in een brief aan de Franz Wüllner: ‘Ik schrijf af en toe hoogst nutteloze dingen, om maar niet een symfonie in het ernstige gezicht te hoeven kijken.’ Maar een jaar later, tijdens een zomervakantie die hij samen met Clara Schumann in Lichtenthal doorbracht, was Brahms dan eindelijk voldoende zeker van zijn zaak en zette hij een punt achter zijn Eerste symfonie.

De première, op 4 november 1876, plande hij uit voorzorg in Karlsruhe, ver weg van het kritische Wenen. De criticus Eduard Hanslick was vol lof en schreef: ‘Geen enkele andere componist heeft het schitterende werk van Beethoven zo dicht benaderd.’ Prompt kreeg de symfonie de bijnaam ‘Beethovens Tiende’, overigens tot grote frustratie van Brahms.

Toch ligt een vergelijking met Beethoven voor de hand: de klassieke, vierdelige opbouw, de c klein (Beethovens favoriet!), de pathetiek en de heroïsche ondertoon, dit alles wijst erop dat Brahms doelbewust voortbouwde op de erfenis van zijn grote idool.

Na de langzame inleiding, met zijn onheilspellende slagen, ontwikkelt zich in het eerste deel een dramatiek die verwant lijkt aan Beethovens Vijfde symfonie. Via een weemoedig , waarin de hobo met een innig klaaglied naar voren treedt, en een bedachtzaam Allegretto komt de steeds onderdrukte spanning in de overwinningsroes van de finale tot een furieuze uitbarsting.

Ook hier dient een gelijkenis met Beethoven zich onmiddellijk aan. De wijsneuzen die Brahms wezen op de overeenkomst tussen het van zijn finale en dat van de Ode an die Freude uit Beethovens Negende symfonie, snauwde hij dan ook verbeten toe: ‘Iedere ezel kan dat horen.’

Biografie

Rotterdams Philharmonisch Orkest, orkest

Het Rotterdams Philharmonisch Orkest werd opgericht in 1918. Onder Eduard Flipse ontwikkelde het zich vanaf 1930 tot een van de meest prominente Nederlandse orkesten, en met Jean Fournet, Edo de Waart en James Conlon bouwde het in de jaren 1970 en 1980 verder aan zijn internationale reputatie.

De benoeming van Valery Gergiev in 1995 luidde een nieuwe bloeiperiode in, die sinds 2008 werd voortgezet met Yannick Nézet-­Séguin.

Hij bleef als eredirigent aan het orkest verbonden toen Lahav Shani per seizoen 2018/2019 chef- werd. Vaste gastdirigent is Tarmo Peltokoski. Naast de concerten in de thuiszaal, Concert­gebouw De Doelen, speelt het Rotterdamse gezelschap op vele andere podia in binnen- en buitenland.

Zo heeft het sinds 2010 een residency in het ­Parijse Théâtre des Champs-Élysées. Met zijn concerten, educatieve voorstellingen en sociale projecten trekt het Rotterdams Philharmonisch Orkest ieder seizoen 150.000 à 200.000 bezoekers. Het orkest koestert een uitgebreide discografie en voor de heruitgave van historische opnamen initieerde het zijn eigen label Rotterdam Philharmonic ­Vintage Recordings.

De vorige optredens in de serie Klassieke Meesterweken waren op 6 mei 2024 met Yannick Nézet-Séguin en violist Randall Goosby respectievelijk op 5 april 2025 met Lahav Shani en violiste Clara-­Jumi Kang.

Jukka-Pekka Saraste, dirigent

Jukka-Pekka Saraste begon zijn carrière als violist, voordat hij een directieopleiding volgde bij Jorma Panula aan de Sibelius Academie in Helsinki. Hij voelt een speciale affiniteit met laatromantische muziek en heeft een bijzonder sterke band met het werk van Beethoven, BrucknerSjostakovitsj, Stravinsky en Sibelius. De Finse wordt internationaal geprezen om zijn Mahler-uitvoeringen.

Sinds 2023 is Jukka-Pekka Saraste chef- en artistiek directeur van het Filharmonisch Orkest van Helsinki. Tussen 2010 en 2019 was hij chef-dirigent van het WDR Sinfonieorchester in Keulen, dat onder zijn leiding een internationale reputatie opbouwde. En van 2006 tot 2013 was hij chef-dirigent van de Oslo Philharmonic, waar hij vervolgens werd benoemd tot de eerste eredirigent in de geschiedenis van het orkest.  

Eerder was Jukka-Pekka Saraste onder meer chef-dirigent van het Fins Radio en het Toronto Symphony Orchestra en eerste gastdirigent van het BBC Symphony Orchestra. Hij richtte het Finnish Chamber Orchestra op, waar hij nog steeds artistiek adviseur is, en is een van de oprichters van de LEAD! Foundation, een internationaal mentorprogramma voor jonge dirigenten en solisten.  

Als gastdirigent stond Jukka-Pekka Saraste voor vrijwel alle grote orkesten ter wereld. Het Koninklijk Concertgebouworkest leidde hij in 2005 en in 2006. De afgelopen jaren heeft de dirigent een sterke reputatie opgebouwd in de wereld; na concertuitvoeringen van Stravinsky's Oedipus Rex, Erwartung van Schönberg en Hertog Blauwbaards burcht van Bartók leidde hij bijvoorbeeld Korngolds Die tote Stadt in de Finse Nationale Opera en een zeer succesvolle nieuwe scenische productie van Mendelssohns Elias, geregisseerd door Calixto Bieito, in het Theater an der Wien. 

Arthur Jussen, piano

Ondanks zijn jonge leeftijd bouwde pianist Ar­thur Jussen al een grote reputatie op binnen het internationale concertcircuit, zowel solo als samen met zijn broer Lucas – ook pianist. Leny Bettmann was de eerste pianodocent van Arthur Jussen, in zijn geboorteplaats Hilversum. Later volgden de broers lessen bij Jan Wijn, Ton Hartsuiker en Maria João Pires. Ze wonnen diverse prijzen, waaronder in 2011 de eerste Concertgebouw Young Talent Award.

Zowel samen als alleen soleerden Arthur en Lucas Jussen bij nagenoeg alle Nederlandse orkesten en werden ze in het buitenland uitgenodigd door bijvoorbeeld het London Chamber Orchestra, het MDR Sinfonie Orchester, het Dallas Symphony Orchestra, het van Shanghai en het Filharmonisch Orkest van Hong Kong.

In oktober 2015 kwam hun vierde cd uit, met Mozarts Concerten voor twee piano’s KV 365 en KV 242 met de Academy of St Martin in the Fields gedirigeerd door Sir Neville Marriner. Voor het geven van s werd het pianoduo geëngageerd door bijvoorbeeld de serie Meesterpianisten, de Robeco SummerNights, de Herkulessaal in München en het festival La Roque d’Anthéron.

Arthur Jussen speelde in januari 2009 voor het eerst in de Eigen Programmering van Het Concertgebouw, in de in een Mozart-programma met het Rubens Kwartet. Zijn vorige solo-optreden in de was in februari van dit jaar, toen hij met het Nederlands Studenten Orkest tourde met het Pianoconcert voor de linkerhand van Ravel.