Angelika Kirchschlager zingt Schuberts Winterreise
Angelika Kirchschlager mezzosopraan
Julius Drake piano
Zangteksten zijn gratis verkrijgbaar aan de zaal.
Dit concert maakt deel uit van de serie Vocaal 2.
Franz Schubert (1797-1828)
Winterreise, D 911 (1827)
Gute Nacht
Die Wetterfahne
Gefrorne Tränen
Erstarrung
Der Lindenbaum
Wasserflut
Auf dem Flusse
Rückblick
Irrlicht
Rast
Frühlingstraum
Einsamkeit
Die Post
Der greise Kopf
Die Krähe
Letzte Hoffnung
Im Dorfe
Der stürmische Morgen
Täuschung
Der Wegweiser
Das Wirtshaus
Mut
Die Nebensonnen
Der Leiermann
er is geen pauze
einde ± 21.40 uur
Toelichting
Franz Schubert 1797-1828
Schubert: Winterreise
Door Frits Vliegenthart
Wat is er eigenlijk gebeurd? De man die ons in Franz Schuberts cyclus Winterreise toezingt, verlaat ’s nachts stilletjes het huis van zijn geliefde (Gute Nacht), terwijl het toch zo goed leek te gaan: ‘Das Mädchen sprach von Liebe, die Mutter gar von Eh’. Was haar vader het er misschien niet mee eens? Kwam er een betere partij opdagen of had het meisje er genoeg van?
Of... was het de innerlijke onrust van de verteller zelf? ‘Die Liebe liebt das Wandern’: kan dat ook voor hem gelden? Want onstabiel is hij zeker, zoals blijkt wanneer hij in het verloop van de cyclus reddeloos afglijdt in de richting van de waanzin. We weten het niet, en dat versterkt alleen maar de weerklank in ons eigen gemoed, juist omdát wij de feiten zelf moeten invullen. Het gaat hier over existentiële emoties.
De dichter van Winterreise was Wilhelm Müller (1794-1827), een tijdgenoot van Franz Schubert. Als hij niet deze teksten en die van Die schöne Müllerin had geschreven, zou niemand hem nu meer kennen. De twee hebben elkaar nooit ontmoet. Dat is jammer, want er zou tussen hen beslist een ‘klik’ zijn geweest. Müller, afkomstig uit Dessau, studeerde filologie en geschiedenis in Berlijn. Hij nam als nationalist vrijwillig de wapenen op tegen Napoleon in de roerige jaren 1813-14 en werd in 1819 leraar oude talen, tevens hertogelijk bibliothecaris in zijn geboorteplaats. Uit veel van zijn gedichten blijkt solidariteit met de Griekse vrijheidsstrijd, wat Müller gemeen had met de roemruchte Lord Byron, die hij zeer bewonderde. Ook Byrons helden zijn vaak mysterieus.
De politieke situatie kan wellicht een rol hebben gespeeld bij het vertrek van de ik-figuur in Winterreise, zoals de zanger Ian Bostridge aantoont in zijn zeer interessante boek Schubert’s Winter Journey: Anatomy of an Obsession (2015). Daarin vergelijkt hij de Biedermeiertijd waarin Müller en Schubert leefden met een tijd van stagnatie, met een ijstijd (ook Müller gebruikte die metafoor in een van zijn geschriften). Progressieve meningen, zoals zij beiden erop nahielden, werden systematisch onderdrukt door de censuur. Verder betrekt Bostridge ook de beeldende kunst en de natuurwetenschap uit de jaren 1820 bij zijn betoog.
Het is in dit korte bestek niet mogelijk bij elk op de cultuurhistorische aspecten in te gaan, maar twee voorbeelden wil ik toch geven. Een subtiele verwijzing naar de opstandige Carbonari in Italië zit in het tiende lied, Rast, wanneer de vermoeide zwerver onderdak vindt in de (lege) hut van een kolenbrander (‘carbonaro’ in het Italiaans). Het zeventiende lied, Im Dorfe, is een toespeling op de gezapige postrevolutionaire tijdgeest: de slapende mensen dromen van materiële rijkdom, van brave en stoute dingen; de waakhonden rammelen aan hun kettingen, terwijl de ik-figuur helemaal klaar is met zijn dromen en illusies.
‘Ik zal jullie een cyclus van huiveringwekkende eren voorzingen en ik ben benieuwd wat jullie daarvan vinden. Ze hebben mij meer aangegrepen dan alle andere liederen.’ Zo sprak Schubert tegen zijn vriend Josef von Spaun, die verder vertelt: ‘Hij zong ons de hele Winterreise voor. Wij waren verbijsterd over de duistere stemming van deze liederen en [vriend Franz von] Schober zei dat hem alleen Der Lindenbaum was bevallen. Daarop zei Schubert alleen: ‘Mij bevallen deze liederen meer dan alle andere en ze zullen ook jullie bevallen.’ En hij had gelijk: weldra waren we enthousiast over de indruk die deze weemoedige liederen maakten, die [bariton Michael] Vogl meesterlijk voordroeg.’
In februari 1827 had Schubert de eerste twaalf gedichten van Müllers Die Winterreise – die waren gepubliceerd in de Duitse almanak Urania voor 1823 – als een compacte cyclus op muziek gezet. Schubert schrapte in de titel het lidwoord ‘Die’. Deze oer-Winterreise komt ook al over als een mooi afgerond geheel.
Kort daarna stuitte de componist op de rest van de gedichtencyclus in de Gedichte aus den hinterlassenen Papieren eines reisenden Waldhornisten. Hij begon direct weer met componeren en veranderde met feilloze muzikale intuïtie hier en daar de volgorde, zodat bijvoorbeeld Die Post (oorspronkelijk het zesde lied) het eerste lied werd van wat we als tweede deel van de cyclus kunnen zien.
Winterreise eindigt met het in zijn soberheid zo indringende visioen van Der Leiermann. Deze figuur is de eerste en tevens de laatste persoon die de ik-figuur op zijn eenzame zwerftocht tegenkomt. Kunnen we in hem iets anders zien dan de dood?
De syfilis die Schubert eind 1822 had opgelopen, leidde tot zijn voortijdig overlijden in november 1828. Nog op zijn sterfbed was hij bezig met de drukproeven van de tweede helft van Winterreise. Hopelijk heeft hij troost en inspiratie geput uit wat een recensent in mei van dat jaar schreef over de uitgave van de eerste helft: ‘Schubert heeft zijn dichter geïnterpreteerd op de geniale wijze die voor hem typerend is. Hij heeft de gevoelens die de gedichten uitdrukken diep nagevoeld en zo in tonen weergegeven dat geen hart ze zonder ontroering kan zingen en horen.’
Biografie
Angelika Kirchschlager, mezzosopraan
Angelika Kirchschlager studeerde aanvankelijk piano en aan het Mozarteum in haar geboorteplaats Salzburg. In 1984 begon ze haar zangopleiding in Wenen, en volgde lessen bij Gerhard Kahry en Walter Berry.
Ze viel in 1991 in de prijzen tijdens de prestigieuze International Hans Gabor Belvedere Singing Competition. Twee jaar later maakte ze in Graz haar debuut als Octavian in Richard Strauss’ Der Rosenkavalier.
In 1993 trad ze toe tot het vaste ensemble van de Wiener Staatsoper. Tot op heden is ze nauw aan dit operahuis verbonden en in 2007 kreeg ze de eervolle titel ‘Österreichische Kammersängerin’.
Angelika Kirchschlager zong ook tal van rollen in andere grote theaters. Recentelijk stond ze in Stephen Sondheims musical Sweeney Todd in Zürich en was ze in München te horen in de hedendaagse Liliom van Johanna Doderer.
s geeft Angelika Kirchschlager wereldwijd. Daarbij put ze uit een breed repertoire van Bach, Berlioz en Brahms tot Wolf en Weill. Voor haar discografie ontving ze vele prijzen, waaronder drie ECHO Klassiks en een Grammy Award. Sinds 2009 is Angelika Kirchschlager Honorary Member van de Royal Academy of Music in Londen en ze geeft geregeld masterclasses.
In Het Concertgebouw was de zangeres verschillende keren te gast, voor het laatst in juni 2015 met een Schumann-programma met pianist Julius Drake.
Julius Drake, piano
Julius Drake geniet een internationale reputatie als een van de beste begeleiders. De Britse pianist werkt samen met vele vooraanstaande zangers, zowel op het podium als in de opnamestudio.
Zijn passie voor het lied leidde tot diverse uitnodigingen om liedseries samen te stellen, onder andere voor Het Concertgebouw, de Londense Wigmore Hall en de BBC.
In de historische Middle Temple Hall in Londen organiseert hij een jaarlijkse reeks, Julius Drake and Friends. Daaraan werken uitstekende vocalisten mee, onder wie Sir Thomas Allen, Véronique Gens, Simon Keenlyside en Felicity Lott.
Julius Drake maakte vele opnamen, onder anderen met Gerard Finley, Ian Bostridge en Christianne Stotijn. Hij werd opgeleid aan de Purcell School en het Royal College of Music in Londen.
Tegenwoordig doceert hij zelf piano/zangbegeleiding aan de Kunstuniversität Graz in Oostenrijk. In december 2022 kreeg Julius Drake de Concertgebouwpenning.




