Angelich, Feng en Moreau: Schubertiade
Nicholas Angelich piano
Ning Feng viool
Edgar Moreau cello
Franz Schubert (1797-1828)
Sonate in a kl.t., D 821 (1824) ‘Arpeggione’
voor cello en piano
Allegro moderato
Adagio
Allegretto
Sonate in A gr.t., D 574 (1817) ‘Grand duo’
voor viool en piano
Allegro moderato
Scherzo: Presto
Andantino
Allegro vivace
pauze ± 21.05 uur
Pianotrio in Bes gr.t., D 898 (1827)
Allegro moderato
Andante un poco mosso
Scherzo: Allegro - Trio
Rondo: Allegro vivace
einde ± 22.15 uur
Toelichting
Franz Schubert 1797-1828
'Arpeggione'-sonate
Door Jacqueline van Rooij
In het muzikale leven van de Weense Biedermeiertijd (ca. 1815-1850) bestond er een grote voorliefde voor intieme, huiselijke concerten. Die sfeer was een ideale basis voor de opkomst van de ne, een nieuw instrument dat was uitgevonden door de Weense vioolbouwer Johann Georg Staufer en dat kenmerken had van zowel een als een gitaar.
Het instrument had een gebogen hals, zes snaren, fretten, en werd bespeeld met een strijkstok. Volgens een criticus uit die tijd klonk het ‘in de hoogte lieflijk als een hobo, in de laagte vol als een bassethoorn’. Met het verdwijnen van de Biedermeierstijl raakte de arpeggione in de vergetelheid.
Franz Schubert leerde de ne kennen door zijn vriend Vincent Schuster. Het is aan Schuberts in a klein te danken dat het instrument een plaats in de muziekgeschiedenis heeft gekregen. Schubert wist in zijn sonate de expressieve, melancholieke klank van de nieuwe uitvinding uitstekend te benutten.
De kwaliteiten van Schubert als componist zijn volop aanwezig. Tegelijkertijd klinkt er een diepe ernst in door. Bij de postume uitgave van de sonate, in 1871, werd de partij voor de arpeggione vervangen door een partij. Het eerste deel, geschreven in de gebruikelijke , begint met een schitterend, eerste .
Het dansante, tweede thema zorgt voor een prachtig contrast. Het heeft een sterk introspectief karakter, en is doortrokken van een zangerige, melancholieke sfeer. Tot slot klinkt het virtuoze, energieke Allegretto, waarin Schubert ën verwerkte die aan volksmuziek doen denken. De sonate vraagt een grote virtuositeit van de musici.
‘Grand duo’
De viool was het eerste instrument dat Schubert leerde bespelen. Omdat in huize Schubert een familiekwartet bestond, begon de jonge componist al vroeg te experimenteren met het schrijven van muziek voor strijkers. Later zouden Schuberts muzikale ideeën vooral via de piano ontstaan, zoals uit schetsen is af te leiden.
In de zomer van 1817 werkte Schubert aan een cyclus met grote klaviersonates. De in A groot (‘Grand duo’), voor viool en piano, is hier waarschijnlijk uit voortgekomen. De piano wordt in deze sonate immers tot een volkomen gelijkwaardige partner van de viool.
In het eerste deel, een klassieke , vloeien de verschillende klankwerelden van de viool en de piano us samen. De ’s buitelen over elkaar en zijn kenmerkend voor Schuberts achtige, expressieve manier van componeren. Het tweede deel zit vol met abrupte dynamische veranderingen en duizelingwekkende sprongen voor de viool.
In het langzame Andantino klinkt een achtig thema dat tweemaal, in gevarieerde vorm, terugkeert. In het midden van dit deel voegt Schubert nog een nieuw en zangerig thema toe. De finale klinkt bijna als een tweede , en Schubert besluit de met zijn karakteristieke spel met - en toonsoorten.
Franz Schubert 1797-1828
Pianotrio in Bes groot
In de laatste dertien maanden van zijn leven voltooide Schubert twee ’s voor piano, viool en : het in Bes groot, vanavond te horen, en het Pianotrio in Es groot. Het is moeilijk voor te stellen dat hij nauwelijks ervaring had met dit muzikale genre. Zijn eerdere pogingen dateerden van vijftien jaar daarvoor, met een pianotrio (D 28) dat slechts uit één enkel deel bestond. Uit brieven van Schubert blijkt dat zijn nauwe vriendschapsbanden met pianist Carl Maria von Bocklet, violist Ignaz Schuppanzigh en cellist Joseph Linke zijn hernieuwde interesse in het genre zouden hebben aangewakkerd.
De beide trio’s hebben veel gemeen. Zo componeerde Schubert voor beide werken vier delen, waarvan er drie in de hoofdtoonsoort staan. Allebei de langzame delen beginnen met een solo voor de cello. De ’s van beide pianotrio’s kenmerken zich door sierlijk , maar de finales zijn nog het meest aan elkaar verwant: ze zijn opmerkelijk lang, bijna van symfonische afmetingen.
In het in Bes groot combineert Schubert de klassieke vorm met een uiterst romantische expressiviteit. Het sprankelende, eerste is ritmisch gepuncteerd, het tweede thema is er. In het klinkt een wiegende , die afwisselend in de drie instrumenten oplicht. Schubert componeerde hierbij prachtige tegenmelodieën. Robert Schumann beschreef dit deel als ‘ein seliges Träumen’.
Het pittige derde deel heeft een klassieke vorm. De drie instrumenten imiteren elkaar voortdurend. In de speelse finale heeft Schubert een eenvoudig dansthema verwerkt. Het lijkt op zijn eerder gecomponeerde Skolie (D 306). Dit thema komt steeds terug, evenals een energiek overgangsmotief met een kenmerkende terts, dat steeds opnieuw wordt doorgewerkt.
Biografie
Nicholas Angelich, piano
Nicholas Angelich kreeg zijn eerste pianolessen van zijn moeder en debuteerde op zijn zevende met Mozarts Pianoconcert nr. 21 in C groot, KV 467. Op dertienjarige leeftijd werd de Amerikaanse pianist toegelaten tot het Conservatoire National Supérieur de Musique in Parijs, waar hij studeerde bij Aldo Ciccolini en Yvonne Loriod.
Masterclasses volgde hij bij Leon Fleisher, Dmitri Bashkirov en Maria João Pires. Nicholas Angelich won prijzen tijdens de Cleveland International Piano Competition en de Gina Baucher International Piano Competition. Ook kreeg hij een onderscheiding van het prestigieuze Klavier Festival Ruhr.
Rond dezelfde tijd, in 2003, debuteerde de pianist als solist bij de New York Philharmonic onder leiding van Kurt Masur. Sindsdien is hij te beluisteren met vele grote orkesten, waaronder in het lopende seizoen het National Symphony Orchestra in Washington, het Chicago Symphony Orchestra, het Orchestre Métropolitain de Montréal en het Orchestre de la Suisse Romande.
Kamermuziek speelde Nicholas Angelich in de van Het Concertgebouw eerder met bijvoorbeeld het Pavel Haas Kwartet, het Henschel Kwartet en – de vorige keer, in januari 2016 – met violist Renaud Capuçon.
Ning Feng, viool
Ning Feng begon zijn viool-opleiding in Chengdu om deze te vervolgen in Berlijn bij Antje Weithaas en in Londen bij Hu Kun. Hij werd onderscheiden door bijvoorbeeld het Koningin Elisabeth Concours en de Yehudi Menuhin International Violin Competition en won eerste prijzen van de Michael Hill International Violin Competition (2005, Nieuw-Zeeland) en de International Paganini Competition (2006, Genua).
In het huidige concertseizoen debuteert Ning Feng bij het BBC Philharmonic Orchestra, het Stuttgarter Kammerorchester en het van São Paulo en keert hij terug bij het Konzerthaus-orchester Berlin voor optredens in zijn tegenwoordige thuisstad Berlijn en een tournee door zijn vaderland China.
In China keert hij bovendien terug bij het Shanghai Symphony Orchestra en is hij artist in residence bij het Shenzhen Symphony Orchestra. Eerder soleerde de violist bij gezelschappen als de Los Angeles Philharmonic, het Hong Kong Philharmonic Orchestra, het Boedapest Festival Orkest, het City of Birmingham Symphony Orchestra en het Royal Philharmonic Orchestra.
In kamermuziek treedt hij op met onder anderen pianist Igor Levit en was hij te gast op de festivals van Kissingen, Heidelberg, Moritzburg en Mecklenburg-Vorpommern, in Wigmore Hall in Londen en bij de La Jolla Music Society (Californië). In Het Concertgebouw maakt Ning Feng vandaag zijn debuut. Hij bespeelt de Stradivarius ‘MacMillan’ uit 1721.
Edgar Moreau, cello
Edgar Moreau werd op zijn dertiende toegelaten tot het Conservatoire National Supérieur de Musique en studeerde later bij Frans Helmerson aan de Kronberg Academy. Masterclasses volgde hij bij Anner Bijlsma, Miklós Perényi, Gary Hoffman en David Geringas.
Hij viel in de prijzen bij het Rostropovitsj Concours 2009 en het Tsjaikovski Concours 2011, won in 2014 in New York de Young Concert Artists International Auditions en kreeg twee jaar later een ECHO Klassik voor Giovincello, opgenomen met de oudemuziekspecialisten van Il Pomo d’Oro.
Edgar Moreau musiceerde inmiddels met vele beroemde collega’s, onder wie Valery Gergiev, András Schiff, Gidon Kremer, Yuri Bashmet, Krzysztof Penderecki, Gustavo Dudamel, Renaud Capuçon, Frank Braley, Khatia Buniatishvili en het Talich Kwartet.
Als solist werd hij uitgenodigd door onder meer het Orkest van het Mariinski Theater, het Los Angeles Philharmonic Orchestra, het Orchestre Philharmonique de Radio France, het Simón Bolívar Symphony Orchestra of Venezuela en Hong Kong Sinfonietta. In de was Edgar Moreau eerder te beluisteren in 2015/16 in drie programma’s m violist Renaud Capuçon, met pianist Pierre-Yves Hodique in de serie Rising Stars van 2016/17 en met pianist David Kadouch tijdens de Robeco SummerNights 2018.


