Andris Nelsons met Sjostakovitsj Zesde Symfonie
Het Koninklijk Concertgebouworkest
Andris Nelsons dirigent
Jean-Yves Thibaudet piano
Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975
Mars
Lyrische wals
Dans nr. 1
Wals nr. 2
Finale
uit ‘Suite voor variétéorkest’ (ca. 1956)
selectie Andris Nelsons
Symfonie nr. 6 in b kl.t., op. 54 (1939)
Largo, Moderato
Allegro
Presto
pauze
George Gershwin 1898-1937
Pianoconcert in F gr.t. (1925-28)
Allegro
Andante con moto
Allegro agitato
begin van de pauze ca. 21.10 uur
einde van het concert ca. 22.15 uur
dit programma maakt deel uit van de Serie B
Het concert van 10 januari wordt live uitgezonden door AVROTROS via
NPO Radio 4.
Toelichting
Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975
suite voor variétéorkest
Dmitri Sjostakovitsj, componist van getroebleerde en politiek beladen symfonieën en strijkkwartetten, is niet de eerste die je met kekke salonmuziekjes associeert. Toch schreef hij er diverse, ondanks afkeurende geluiden van de Sovjet-componistenbond. Amusementsmuziek, vond Sjostakovitsj, was net zozeer een zaak van professionals als de serieuzere genres. In de jaren dertig werkte hij dan ook enthousiast samen met film- en theatermakers die om lichte begeleidingsmuziek vroegen – van jazz (of wat men daaronder verstond, in het toenmalige Rusland) tot Johann Strauss-achtige jes en en. Dat ging Sjostakovitsj gemakkelijk af; al in 1931 had hij de nodige ervaring opgedaan door de variétéartiest Leonid Utyosov van showmuziek te voorzien.
De voor variété-orkest is níet de verloren gewaande Jazz Suite nr. 2 uit 1938, zoals men lange tijd dacht – het manuscript daarvan kwam in 1998 boven water – maar een potpourri van pakkende ‘nummers’ uit Sjostakovitsj’ vooroorlogse filmmuziek, waarschijnlijk samengesteld door Sjostakovitsj’ vriend Levon Atovmjan in de late jaren vijftig. Hoe vaag de oorsprong ook is, de muziek trof doel – niet alleen als laagdrempelig vermaak voor het Russische volk, maar ook als filmmuziek in Stanley Kubricks Eyes Wide Shut en, recenter, bij shows van André Rieu.
Sjostakovitsj: Zesde symfonie
Door Michiel Cleij
Zoals meer kunstenaars in de Sovjetperiode werd Dmitri Sjostakovitsj verscheurd tussen wat hij wilde en wat hij mocht. Zijn Vierde symfonie was als ‘staatsgevaarlijk’ gebrandmerkt – een oordeel dat sommige van zijn collega’s al in strafkampen of voor het executiepeloton had doen belanden – maar met de Vijfde had hij zich enigszins gerehabiliteerd.
Over zijn Zesde symfonie legde hij voor de zekerheid alvast verantwoording af eer hij een noot had geschreven: het zou een grandioos werk ter ere van Lenin worden, zo liet hij de cultuurpolitie weten. Maar feitelijk was dat een smoes om min of meer ontspannen aan een allesbehalve grandioze symfonie te kunnen werken.
De Zesde is één van Sjostakovitsj’ kleinere symfonieën en klinkt niet bepaald als een ode aan de Sovjetstaat. Evenmin is het een klaagzang over zijn angsten en frustraties. Veeleer maakt Sjostakovitsj hier de balans op van zijn symfonische aspiraties tot dan toe, soms op een bijna experimentele, schetsboekachtige manier; verscheidene ideeën uit de Zesde zouden in meer uitgewerkte vorm terugkeren in de grote Negende symfonie.
Dat het werk een ongewone opzet heeft kon niemand ontgaan. In plaats van de gebruikelijke vier delen schreef Sjostakovitsj één lang, statisch Largo gevolgd door twee korte, kekke ’s. Bij de première in Moskou (onder Jevgeni Mravinski, in 1939) was het publiek laaiend enthousiast.
De onvermijdelijke kritiek kwam niet zozeer van de autoriteiten als van muziekjournalisten – en van orkestmusici die in dit werk met zijn merkwaardige spanningsopbouw (‘een romp zonder hoofd’) een aantasting van hun speelroutine zagen. Sommigen vonden het stuk ‘een vormloze brij’, anderen vergeleken de finale spottend met ‘een voetbalwedstrijd waarin de kansen voortdurend keren’. Sjostakovitsj zelf was aanvankelijk zeer tevreden (‘Nog nooit heb ik zo’n geslaagde Finale gecomponeerd… Zelfs de ergste muggenzifter kan hier niets tegenin brengen.’), maar toen hij hoorde dat de Componistenbond alsnog een kritische vergadering over het werk wilde beleggen, werd hij moedeloos: ‘[Lev] Atovmjan schreef dat alle componisten ontsteld waren over mijn symfonie. Wat moet ik doen – blijkbaar heb ik het niet goed gedaan. Hoezeer ik ook probeer mij er niet over op te winden, mijn hart krimpt al ineen bij de gedachte eraan. Mijn leeftijd, mijn zenuwen – alles voel ik dan.’
Maar Leopold Stokowski, die zich in Amerika inzette voor Sjostakovitsj’ oeuvre, zorgde dat de rest van de wereld nieuwsgierig werd: ‘In dit werk bereikt de componist nieuwe hoogtepunten, vooral in het eerste deel… Op het eerste gehoor klinken de melodische wendingen vreemd, misschien zelfs onbegrijpelijk, alsof ze hun betekenis voor ons willen verbergen. Maar bij herhaald luisteren wordt alles duidelijk, krijgt alles een enorme diepte…’
George Gershwin 1898-1937
Tweede Pianoconcert
Heel wat Europese componisten lieten zich rond 1920 inspireren door jazz. Het omgekeerde gebeurde in Amerika: George Gershwin was een pianist/songwriter in de New Yorkse amusementsindustrie die zich de Europese componeertraditie eigen wilde maken. Met de beroemde Rhapsody in Blue bewees hij de vertaalslag van jazz naar de concertzaal te kunnen maken – een idee van bandleider Paul Whiteman, die het ‘slonzige’ imago van jazz wilde oppoetsen.
Toen de Rhapsody aansloeg volgden anderen Whitemans voorbeeld. Walter Damrosch, van het New York Symphony Orchestra, gaf Gershwin opdracht voor een pianoconcert. Dat was glad ijs voor een componist zonder conservatoriumopleiding of andere klassieke achtergrond, en Gershwin verklaarde achteraf besmuikt dat hij eerst compositiehandboeken moest doornemen om erachter te komen ‘what a concerto is all about’. En een , bijna driemaal zo groot als Whitemans dansorkest, vroeg natuurlijk om een veel geraffineerder schrijfstijl.
Maar zie, een paar maanden later had Gershwin de klassieke concertvorm grondig geabsorbeerd: de drie delen van zijn ‘New York Concerto’, zoals het aanvankelijk heette, zijn respectievelijk een doorgewerkte , een en een – al kenschetste Gershwin ze zelf aanvankelijk droogjes als ‘1: Rhythm; 2: Melody (blues); 3. More rhythm’. Maar hoe klassiek en doorwrocht ook: het concert is bovenal een lekker speelstuk, minstens zo jazzy als de Rhapsody, en met een speciale focus op de charleston in het openingsdeel. Zelfverzekerd verklaarde de componist: ‘Velen dachten dat de Rhapsody een toevalstreffer was. Ik wilde bewijzen dat er nog veel meer te halen viel.’
Maar zie, een paar maanden later had Gershwin de klassieke concertvorm grondig geabsorbeerd: de drie delen van zijn ‘New York Concerto’, zoals het aanvankelijk heette, zijn respectievelijk een doorgewerkte , een en een – al kenschetste Gershwin ze zelf aanvankelijk droogjes als ‘1: Rhythm; 2: Melody (blues); 3. More rhythm’. Maar hoe klassiek en doorwrocht ook: het concert is bovenal een lekker speelstuk, minstens zo jazzy als de Rhapsody, en met een speciale focus op de charleston in het openingsdeel. Zelfverzekerd verklaarde de componist: ‘Velen dachten dat de Rhapsody een toevalstreffer was. Ik wilde bewijzen dat er nog veel meer te halen viel.’
Gershwin was zelf solist bij de New Yorkse première; niemand minder dan Serge Rachmaninoff complimenteerde de componist met zijn flamboyante pianospel. Nog succesvoller was de Europese première in Parijs. De daar aanwezige Maurice Ravel, Igor Stravinsky en Francis Poulenc waren enthousiast. Kritiek kwam evenwel van Sergej Prokofjev, die Gershwin weliswaar getalenteerd vond maar het Pianoconcert in F groot beschouwde als ‘een reeks onhandig aan elkaar gebreide 32-maatsrefreinen’. Gershwin, voegde Prokofjev pedant toe, zou nog best ver kunnen komen als hij ‘dollars en diners’ afzwoer. Ook in Amerika was iemand niet blij met het concert. Paul Whiteman voelde zich bestolen: het was immers zíjn idee geweest om Gershwins light music naar de concertzaal te halen.
Michiel Cleij
Biografie
Andris Nelsons, dirigent
Andris Nelsons was tist in het orkest van zijn geboortestad Riga voordat hij in 2001 naar Sint-Petersburg vertrok om directie te studeren bij Alexander Titov, gevolgd door privélessen bij Mariss Jansons. Hij werd achtereenvolgens chef- van de Letse Nationale Opera (2003-2007), de Nordwestdeutsche Philharmonie (2006-2009) en het City of Birmingham Symphony Orchestra (2008-2015).
Sinds seizoen 2014/2015 is Andris Nelsons music director van het Boston Symphony Orchestra en sinds februari 2018 ook Kapellmeister van het Gewandhausorchester Leipzig. Zijn twee orkesten werken verregaand samen, wat onder meer tot uiting komt in gezamenlijke cd-opnames.
producties leidde Andris Nelsons onder meer bij het Royal Opera House Covent Garden in Londen, de Wiener Staatsoper, de Metropolitan Opera in New York en de Bayreuther Festspiele. Als gastdirigent leidt hij gezelschappen als de Berliner en de Wiener Philharmoniker, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en de New York Philharmonic.
Sinds augustus 2008 is Andris Nelsons bij het Concertgebouworkest een graag geziene gast: naast concerten in Amsterdam leidde hij het orkest veelvuldig op tournee. Bij de laatste samenwerking, in augustus 2020, stond Rachmaninoffs Tweede symfonie op de lessenaar.
Jean-Yves Thibaudet, piano
Het repertoire van de uit Lyon afkomstige pianist Jean-Yves Thibaudet reikt van Beethoven tot MacMillan, van jazz tot . Al op zijn twaalfde ging hij studeren aan het conservatorium in Parijs bij Aldo Ciccolini en Lucette Davis. Drie jaar later won hij de Premier Prix du Conservatoire en weer drie jaar later, in 1981, de Young Concert Artists International Auditions in New York.
In korte tijd debuteerde de pianist op de gerenommeerde podia van de Verenigde Staten, Europa en Azië en sindsdien treedt hij wereldwijd op; zowel met de grote orkesten als solo en in kamermuziek. Zijn catalogus van meer dan vijftig cd’s leverde hem onder meer twee Grammy-nominaties, een Preis der deutschen Schallplattenkritik, een Diapason d’Or, een Choc du Monde de la Musique, een Edison en meerdere Gramophone Awards op, en zijn pianospel is te horen op de soundtracks van onder meer The French Dispatch, Pride and Prejudice en Atonement.
Jean-Yves Thibaudet is verbonden aan de Colburn School in Los Angeles, en samen met cellist Gautier Capuçon is hij artistiek leider van het Festival Musique & Vin in Clos de Vougeot. In 2001 werd hij benoemd tot Chevalier de l’Ordre des Arts et des Lettres en in 2012 promoveerde hij tot Officier. Sinds 2010 prijkt zijn naam in de Hollywood Bowl Hall of Fame. De vorige optredens van Jean-Yves Thibaudet in de waren in april (Chatsjatoerjan onder Paavo Järvi) en september (Saint-Saëns onder Klaus Mäkelä) met het Concertgebouworkest, waar hij in 1988 debuteerde en in 2015/2016 artist in residence was.
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest


