Andrew Manze leidt Bruckners Tweede bij het Concertgebouworkest

Koninklijk Concertgebouworkest
Andrew Manze dirigent

Dit programma maakt deel uit van de Bruckner-cyclus. Het wordt kort ingeleid op het podium. 

Ook interessant:
- Hoe kwam Bruckner tot zijn meesterwerken?

ANTON BRUCKNER (1824-1896) 

Symfonie nr. 2 in c kl.t. (1871-72, revisie 1877) 
Ziemlich schnell 
Adagio: Feierlich, etwas bewegt 
Scherzo: Schnell 
Finale 

er is geen pauze 
einde ± 21.20 uur 

Toelichting

Anton Bruckner (1824-1896)

Tweede symfonie

Door Dirk Luijmes

Nadat Anton Bruckner in oktober 1871 aan het openingsdeel van zijn Tweede symfonie in c klein was begonnen lieten de andere delen nog op zich wachten. Toen die in september 1872 af waren, stuurde hij zijn symfonie naar de Wi­ener Philharmoniker, maar Otto Dessoff vond het werk ‘onspeelbaar’ en beschouwde het als ‘onzin’. Bruckner liet zich niet uit het veld slaan: met financiële steun van derden dirigeerde hij zelf de symfonie op 26 oktober 1873, bij de afsluiting van de Weense Wereldtentoonstelling. Het Weense Hofopernorchester bestond voor een groot deel uit leden van de Wie­ner Symphoniker. Het publiek was laaiend enthousiast en ook in de pers verschenen naast kritische noten positieve reacties. Ludwig Speidel was getuige van ‘onmiskenbare originele’ passages en invallen en ‘glanzende passages’; ‘men gelooft vaak een Sirene te horen zingen die ons wil meelokken in haar omarming.’ Ook Eduard Hanslick – die later weinig goeds over Bruckner zou schrijven – sprak van ‘een zeer ernstig, gevoelvol karakter’ en ‘talrijke, mooie, belangrijkere details’ maar moest tegelijkertijd niets hebben van de ‘onverzadigbare retoriek’. Mede op aanraden van anderen kortte Bruckner het werk in tot een versie die in februari 1876 klonk, en die een jaar later nog eens grondig door de componist onder handen werd genomen. 

Vergeleken met Bruckners extraverte Eerste symfonie is de Tweede anders van toon. Dat blijkt al wanneer je de openingsthema’s vergelijkt: in de nieuwe symfonie horen we voor het eerst het klanktapijt dat de hoge strijkers met ’s neerleggen voor de klagende van de ’s. Opvallend zijn ook de stiltes die Bruckner laat vallen, de zogenaamde ‘Generalpausen’, voor het eerst voordat het tweede begint. Het maakt voor de luisteraar het grondplan van de duidelijker. Omdat ze regelmatig opduiken werd de Tweede symfonie destijds wel spottend de ‘Pausen-Symphonie’ genoemd. Het wondermooie langzame deel (dat in de allereerste versie als derde deel, ná het , klonk) doet religieus aan; het tweede thema wordt vaak als mystiek omschreven. Tegen het einde van dit deel citeert Bruckner een melodie uit het Benedictus van zijn Mis in f klein (1868) én horen we een passage die al vooruit wijst naar het uit zijn Negende symfonie; een moment dat volgens een commentator als ‘lucht van een andere planeet klinkt, zonder gewicht en bijna aan de andere zijde van de materie’. 

Met het Scherzo komen we weer met beide benen op de grond te staan, al nodigen de verwijzingen naar een Ländler uit tot dansen. De Finale zit vol wilde erupties en contrastrijke thema’s; de signalen, die in het eerste deel op de achtergrond klonken, worden hier nieuwe bouwstenen. Na een Generalpause van bijna drie maten klinkt in dit slotdeel als derde thema opnieuw een citaat uit de Mis in f klein: nu uit het Kyrie. In 1878 (toen hij al vijf symfonieën op zijn naam had staan) schreef Bruckner in een brief dat hij met zijn Tweede symfonie waarschijnlijk ‘de voor het publiek meest begrijpelijke’ symfonie had geschreven, maar populair werd het werk nooit. 

Nadat Bruckners Derde symfonie (in 1877) door de critici werd afgebrand, werd de Vierde positiever onthaald. Recensent Eduard Kremser maakte een vergelijking met Bruckners klassieke voorganger door (in 1881) op te merken: ‘Bruckner is de Schubert van onze tijd. Er bevindt zich zo’n stroom van gevoelens in zijn werken en het ene idee verdringt zo het andere dat men de rijkdom van zijn geest waarlijk moet bewonderen’. 

Bij het Concertgebouworkest stond Schuberts Vierde symfonie op 3 maart 1912 voor het eerst op de lessenaars, de dirigent was Evert Cornelis. Nikolaus Harnoncourt leidde op 24 november 1997 de laatste uitvoering, in Parijs. 

Bruckners Tweede stond op 9 januari 1913 voor het eerst op het programma, geleid door Willem Mengelberg; de laatste uitvoering was op 2 februari 1992 onder Riccardo Chailly

Biografie

Koninklijk Concertgebouworkest, orkest

Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouw­orkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande en en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.

Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concert­gebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.

Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende en zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Ha­itink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.

Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, ­fondsen en donateurs wereldwijd.

Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest

Andrew Manze, dirigent

Met zijn geschiedenis als violist en ensembleleider (Academy of Ancient Music en The English Concert) in de historische uitvoeringspraktijk én jarenlange directie-ervaring in de eigentijdse concertpraktijk, is Andrew Manze evenveel thuis in romantische en moderne als in oudere muziek.

Van 2006 tot 2014 was hij chef- van het Helsingborgs , waarvan hij nu eredirigent is. 

Hij was ook als vaste gastdirigent werkzaam bij het BBC Scottish Symphony Orchestra en het Noors Radio Orkest. Van 2014 tot de zomer van 2023 was Andrew Manze chef- van de NDR Radiophilharmonie in Hannover.

Dirigent en orkest ondernamen samen tweemaal een succesvolle tournee naar China en brachten een reeks cd’s uit met werken van Mozart en Mendelssohn, waarvan de eerste een Preis der deutschen Schallplattenkritik opleverde. Sinds het seizoen 2018/2019 is Andrew Manze tevens vaste gastdirigent van het Royal Liverpool Philharmonic Orchestra, waarmee hij onder meer alle symfonieën van Vaughan Williams op cd opnam. Als gastdirigent werkt de Engelsman geregeld met orkesten als de Münchner Philharmoniker, het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Stockholm en Camerata Salzburg. Hij is regelmatig te gast bij het Mostly Mozart Festival in New York.

In 2017 leidde Andrew Manze het Concertgebouworkest voor het eerst. De laatste samenwerking was in november 2023, toen werken van Elgar en Vaughan Williams op het programma stonden.