Amsterdam Sinfonietta Solisten: Brahms’ Pianokwintet

Amsterdam Sinfonietta Solisten 
Candida Thompson viool
Jacobien Rozemond viool
Tomoko Akasaka altviool
Maximilian Hornung cello

Alasdair Beatson piano

Dit concert maakt deel uit van de serie Strijkers met Variatie.

Johannes Brahms (1833-1897)

Pianokwintet in f kl.t., op. 34 (1861-64)
Allegro non troppo
Andante, un poco adagio
Scherzo: Allegro
Finale: Poco sostenuto – Allegro non troppo – Presto non troppo

pauze (± 21.00 uur)

Erich Wolfgang Korngold (1897-1957)

Suite, op. 23 (1930)
Präludium und Fuge
Walzer
Groteske
Lied
Rondo – Finale

einde (± 22.00 uur)

Toelichting

Johannes Brahms 1833-1897

Brahms: Pianokwintet

Door Jason Hillebrand

Dit pianokwintet van Johannes Brahms kwam moeizamer tot stand dan Korngolds . De jonge Brahms had tussen 1854 en 1859 last van een muzikaal ­writer’s block. Dit was waarschijnlijk een psychologisch gevolg van de opname van de depressieve Robert Schumann en Brahms’ daaropvolgende problematische relatie met diens vrouw Clara. Brahms was met beiden goed bevriend. Uiteindelijk, nadat de relatie met Clara meer stabiel werd (lees: afstandelijk), wist Brahms zich te herpakken.

In 1862 introduceerde Brahms het werk voor het eerst; niet als pianokwintet, maar als strijkkwintet. De befaamde violist Joseph Joachim, een goede vriend van Brahms en de eerste die zijn Vioolconcert zou uitvoeren, was echter van mening dat het iets te zwaar was voor strijkers; zijn suggestie was het et te herschrijven voor de piano.

De tweede versie van het werk, voor twee piano’s, kreeg op zijn beurt kritiek te verduren van Clara Schumann. De virtuoze pianiste spoorde Brahms aan om toch weer strijkers toe te voegen.

Uiteindelijk voltooide Brahms de versie voor pianokwintet in 1864. Hij droeg het stuk op aan prinses Anna van Hesse; niet aan Joachim, noch aan Clara Schumann. Was dit een open sollicitatie richting een mogelijke adellijke beschermvrouwe, of passief-agressief getoonde onvrede van een geïrriteerd genie? Zegt u het maar.

Zeker is dat Brahms zich met dit werk van zijn meest brutale kant laat zien. Ondanks de vaak zangerige ën is er nauwelijks rust te vinden. Het wisselen tussen de ’s en ën lijkt haast impulsief of zelfs lukraak te gebeuren, maar kleine verbindende elementen verlenen het werk toch een hechte structuur.

Een goed voorbeeld hiervan is het gebruik van dalende halve tonen, een goede truc die Brahms waarschijnlijk van Ludwig van Beethovens pianosonate ‘Appassionata’ heeft afgekeken. Franz Schubert was ook een grote invloed; luister bijvoorbeeld naar het einde van het derde deel, dat bijna letterlijk is overgenomen van het einde van diens Strijkkwintet in C groot, D 956 (1828).

Erich Wolfgang Korngold 1897-1957

Korngold: Suite

De Eerste Wereldoorlog had desastreuze gevolgen voor de Europese bevolking; in totaal raakten ruim dertig miljoen soldaten gewond of vermist of lieten het leven. Eén van deze dertig miljoen was de Oostenrijker Paul Wittgenstein, een concertpianist die tijdens de Slag om Galicia (in het huidige Polen/Oekraïne) in zijn rechterarm geschoten werd, die daardoor geamputeerd moest worden. Tijdens zijn herstel als krijgsgevangene in Siberië besloot Wittgenstein ondanks het gemis van de rechterhand zijn carrière voort te zetten.

Zijn plan van aanpak was simpel maar doeltreffend: hij gaf componisten opdracht tot het schrijven van werken voor piano, maar dan alleen voor de linkerhand. Onder anderen Benjamin Britten en Sergej Prokofjev schreven werken voor hem, hoewel Maurice Ravels Pianoconcert voor de linkerhand het meest bekend geworden is.

Een van de eerste componisten die van Wittgenstein een opdracht kregen was Erich Wolfgang Korngold. Tegenwoordig is Korngold niet een van de bekendste componisten, maar in Wenen aan het begin van de jaren twintig genoot hij een hoge mate van populariteit. Het voormalige wonderkind was op het moment dat Wittgenstein hem benaderde de meest uitgevoerde componist in de Oostenrijkse hoofdstad, op Richard Strauss na. Vooral zijn Die tote Stadt deed het goed en hij kreeg veel lof van onder anderen Strauss en Puccini.

In de jaren dertig vertrok Korngold, vanwege de opmars van het nazisme, naar de Verenigde Staten en begon daar een carrière als filmcomponist. Zijn laatromantische stijl en gevoel voor muzikaal drama bleken in de filmwereld een voordeel: voor de soundtracks bij de kaskrakers Anthony Adverse en The Adventures of Robin Hood werd hij beloond met een Oscar en tegenwoordig staat hij bekend als een van de geestelijk vaders van de filmmuziek.

Het eerste stuk dat Korngold voor ­Wittgenstein componeerde was, net als Prokofjev en Ravel later zouden doen, een pianoconcert. De meeste ­stukken die Wittgenstein liet componeren hadden volgens hemzelf nog enkele correcties nodig – wat onder andere een woedende Ravel tot gevolg had – maar bij het concert van Korngold was dit niet het geval. Een tevreden Witt­genstein gaf hem opdracht tot een tweede stuk; dit werd uiteindelijk de voor twee violen, en piano linkerhand.

De pianist zit tijdens de uitvoering niet bepaald stil. Zo begint het werk met een uitgebreide prelude voor de piano, waarin niet meteen duidelijk is dat het met slechts één hand gespeeld wordt. Korngold geeft die ene hand genoeg te doen om de illusie van twee te wekken. Dergelijke imposante pianopartijen zijn door het hele stuk te vinden, vooral in het ritmisch uitdagende derde deel en de energieke Finale. 

Met de kennis van nu doet de Suite aan filmmuziek denken; het tweede deel begint met ën die niet zouden misstaan in een filmscène met Robin Hood en Maid Marian. De Suite van Korngold bevat uitzonderlijk e melodieën (let op het vierde deel, ) en innovatieve ën die je in Korngolds Hollywoodsoundtracks juist niet vaak tegenkomt. Het tweede deel eindigt met misschien wel een van de mooiste slotakkoorden van de kamermuziek.

Biografie

Alasdair Beatson, piano

De Schotse pianist ­Alasdair Beatson was een leerling van John Blakely en Menahem Pressler. Hij is actief als kamermusicus en solist en musiceerde recentelijk met collega’s als Adrian Brendel, Pekka Kuusisto, Pieter Wispelwey en Alexander Melni­kov.

Hij heeft veel affiniteit met het werk van de grote componisten uit de , maar vertolkt ook graag muziek van minder bekende toondichters als Georgy Catoire (1861-1926) en Gabriel Pierné (1863-1937). Alasdair Beatson werkte tevens nauw samen met hedendaagse componisten als George Benjamin, Harrison Birtwistle en Heinz Holliger.

Het concertrepertoire van de pianist omvat partituren van onder anderen Bach, Bartók, Hindemith, Stravinsky en Abrahamsen. In recente seizoenen was hij als solist te gast bij bijvoorbeeld Britten , het Royal Scottish National Orchestra en Tapiola Sinfonietta.

Alasdair Beatson maakte een aantal cd’s, en in 2017 nam hij negentiende-eeuwse muziek voor en piano op historisch ­instrumentarium op met hoornist Alec Frank-Gemmill.

In de van Het Concertgebouw debuteerde hij in het kader van het Rising Stars-­programma, in januari 2014 in duo met fluitiste Juliette Bausor.

Candida Thompson, viool

Candida Thompson studeerde in 1989 met onderscheiding af bij David Takeno aan de Guildhall School of Music and Drama in Londen en bekwaamde zich verder aan het Banff Centre for the Arts in Canada. Ze leidde strijkorkesten in Scandinavië, Nederland, Spanje en Groot-Brittannië.

De Britse ­violiste is een gepassioneerd kamermusicus, deelde het podium met musici als Isaac Stern, Janine Jansen, Harriet Krijgh, Simone Lamsma, Isabelle Faust en Bruno Giuranna, en werd uitgenodigd op evenementen als het Kuhmo Festival (Finland), het Gubbio Festival (Italië), het Internationaal Kamermuziek Festival Utrecht en La Musica (Verenigde Staten).

Met celliste Xenia Jancovic en pianist Paolo Giacometti vormt ze het Hamlet Piano­tri­o. Als soliste trad ­Candida Thompson op met talloze orkesten in Europa, de Verenigde Staten en het Verre Oosten. Bij Amsterdam Sinfonietta werd ze in 1995 concertmeester en in 2003 tevens artistiek leider. Ze bespeelt een viool van Guarneri del Gesù (Cremona, 1698-1744).

Jacobien Rozemond, viool

Jacobien Rozemond studeerde viool bij Davina van Wely en Ilya Grubert en won in 1995 de Essoprijs voor het beste eindexamen van dat jaar aan het Rotterdams Conservatorium. In datzelfde jaar was ze finaliste in de Vriendenkrans van Het Concertgebouw. Ze vervolgde haar studie bij David Takeno in Londen.

Als lid van het Ruysdael Kwartet nam Jacobien Rozemond in 2006 de Kersjesprijs in ontvangst. Van 1997 tot 2004 maakte de violiste deel uit van Combattimento Consort Amsterdam, en met het Amsterdam Bridge Ensemble nam ze onder andere kamermuziek van Hendrik Andriessen en René Samson op.

Sinds 2003 is Jacobien Rozemond aanvoerder van de tweede vioolgroep van Amsterdam Sinfonietta en in 2015 richtte ze met violiste Floor Le Coultre, altvioliste Francien Schatborn en cellist William McLeish het Hermitage Kwartet op.

Tomoko Akasaka, altviool

Tomoko Akasaka speelde vanaf haar vijfde viool en studeerde aan de Franz Liszt Academie in Boedapest. Na haar terugkeer naar Japan schakelde ze over op de en behaalde ze haar diploma aan Toho Tokyo University. Aan het conservatorium in Genève werkte ze als assistent bij Nobuko Imai, en aan het conservatorium van Neuchâtel was ze gastdocent.

Naast verschillende prijzen in Japan won Tomoko Akasaka de derde prijs van het ARD Concours 2004. Als solist werd ze uitgenodigd door bijvoorbeeld het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, het Münchener Kammerorchester, de Kremerata Baltica, het Orchestre de Chambre Genève en het Japans Kamerorkest.

Kamer­muziek vertolkte ze met onder anderen Gidon Kremer, Yuri Bashmet, Daniel Hope, Heinz Holliger en Menahem Pressler op de festivals van bijvoorbeeld Luzern, Zagreb, Kronberg, Verbier, Salzburg en San Francisco.

Sinds 2016 maakt de altvioliste deel uit van het Amaryllis Kwartet. Tomoko Akasaka werkte aan nieuwe muziek met de componisten György Kurtág, Helmut Lachenmann en Toshio Hosokawa. 

Maximilian Hornung, cello

Maximilian Hornung studeerde bij Eldar Issakadze, Thomas Grossenbacher en David ­Geringas en won in 2007 als cellist van het Tecchler het ARD Concours in München. Van 2009 tot 2013 was hij eerste solocellist van het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks, waarmee hij in 2014 onder leiding van Bernard Haitink de belangrijkste werken voor van Richard Strauss opnam.

Hij ­soleerde bij onder meer het Tonhalle-­Orchester Zürich, de Wiener Sym­phoniker, de Bamberger Sym­­phoniker, het Zweeds Radio Symfonie­orkest, Philharmonia, het London Philharmonic Orchestra, het Orchestre National de France, de orkesten van Helsinki, Bergen en Tampere en die van Dallas en Pitts­burgh.

Afgelopen seizoen was hij als solist, kamermusicus en in residence bij de Münchner ­Symphoniker. Kamermuziek speelde hij met collega’s als Anne-Sophie Mutter, Julia Fischer, Antje Weithaas, Christian Tetzlaff, Joshua Bell, Hélène Grimaud, Daniil Trifonov en Yefim Bronfman.

Maximilian Hornung is een graag geziene gast op festivals als die van Salzburg, Luzern, Verbier, Rheingau, Ravinia en Hongkong en voert sinds 2022 de artistieke leiding over de Traunsteiner Sommerkonzerte. Voor zijn cd-opnames won hij tweemaal een Echo Klassik.

Bij zijn vorige optreden in Het Concertgebouw, op 24 mei 2024, soleerde de Duitse cellist samen met violiste Lisa Batiashvili bij het Nederlands Philharmonisch onder leiding van Lorenzo Viotti in het Dubbelconcert van Brahms.