Amsterdam Sinfonietta en Eva-Maria Westbroek

Amsterdam Sinfonietta
Candida Thompson viool/leiding
Eva-Maria Westbroek sopraan
Mikhail Petrenko bas

Arvo Pärt (1935)

Cantus in memoriam Benjamin Britten (1977-80)
voor strijkorkest en klok

Benjamin Britten (1913-1976)

Variations on a Theme of Frank Bridge, op. 10 (1937)
voor strijkorkest
Introduction and Theme
Adagio
March
Romance
Aria Italiana
Bourrée Classique
Wiener Walzer
Moto perpetuo
Funeral March
Chant
Fugue and Finale
 
pauze ± 20.55 uur

Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)

Veertiende symfonie, op. 135 (1969)
voor sopraan, bas, strijkorkest 
en slagwerk
De profundis
Malagueña
Lorelei
De zelfmoordenaar
De werkzamen I
De werkzamen II
In de Santé-gevangenis
Antwoord van de kozakken van Zaporozje aan de sultan van Constantinopel
Aan Delwig
De dood van de dichter
Sluitstuk
 
einde ± 22.00 uur

Toelichting

Arvo Pärt 1935

Pärt: Cantus

Door Lies Wiersema

In dit programma over dood en herinnering brengen drie componisten een hommage aan een collega. De Estse componist Arvo Pärt memoreert de Britse componist Benjamin Britten, die zelf een eerbetoon aan zijn docent Frank Bridge brengt. Het zwaartepunt van het programma is de aan Britten opgedragen Veertiende symfonie van Dmitri Sjostakovitsj. Britten sprak geen woord Russisch en Sjostakovitsj nauwelijks Engels. Toch waren ze vrienden voor het leven.

Op 4 december 1976 overleed Benjamin Britten. Arvo Pärt hoorde het bericht op de radio en vroeg zich af waarom het hem zo raakte: ‘Onverklaarbare schuldgevoelens […] zijn in mij opgekomen. Ik had Britten net voor mezelf ontdekt. Vlak voor zijn dood begon ik de ongewone zuiverheid van zijn muziek te waarderen’, een zuiverheid waarmee Pärt zich verwant voelde. Al heel lang wilde hij Britten persoonlijk ontmoeten, maar dat zou nu niet meer gebeuren.

Ter nagedachtenis schreef hij een korte voor strijkers en klok. Het is een voorbeeld van zijn tintinnabuli-stijl (tintinnabulum betekent belletje, klokje), geïnspireerd door muziek uit de Middeleeuwen en vroege Renaissance, muziek die een puurheid vertegenwoordigde die hij ook bij Britten vond.

Over de tintinnabuli-techniek zegt Pärt: ‘Ik heb ontdekt dat het voldoende is wanneer één enkele noot mooi wordt gespeeld; deze ene noot – of een moment stilte verkwikt me… Ik bouw met de meest primitieve materialen – met de drieklank, met één specifieke . De drie noten van een drieklank zijn als klokken. En daarom noem ik het ‘tintinnabulatie’.’

Het werk heeft de vorm van een prolatiecanon: een techniek uit de Renaissance waarbij een in verschillende snelheden door andere stemmen wordt geïnitieerd. De canon bevat vijf ritmische lagen. Na een korte stilte en drie zachte klokslagen vallen achtereenvolgens de verschillende groepen strijkers in, terwijl ze in een patroon van simpele, bijna stilstaande ën ritmische varianten van een dalende a-toonladder spelen. Na het laatste eindeloze eindigt alles zoals het begonnen is: in stilte.

Benjamin Britten 1913-1976

Britten: Variations

Als vijftienjarige lukte het Benjamin Britten, gefascineerd door een concert van componist Frank Bridge, door Bridge als compositieleerling aangenomen te worden. Wat volgde was een onconventionele, strenge leerschool waarin de getalenteerde leerling zich ontwikkelde tot een volwassen professional.

Als eerbetoon aan zijn ­leermeester schreef Britten een van zijn eerste grote werken, gebaseerd op een van Bridge’s Drie idyllen voor strijkkwartet (1911). Op het van de tweede idylle componeerde hij tien ­variaties voor strijkorkest, bestemd voor de Salzburger Festspiele van 1937.

In de compositie experimenteerde Britten met allerlei Europese stijlen en genres die hij verwerkte in een eigentijds idioom. Zo ontstonden parodieën van Italiaanse, Oostenrijke en Franse muziek, stijlimitaties van componisten als Mahler, Rossini, Ravel en Stravinsky.

Het van de idylle wordt voorafgegaan door een geagiteerde introductie. Dan volgen de variaties: een nostalgisch mahleriaans aandoend , een kort komisch je, verleidelijke salonmuziek en uitbundige Italiaanse klanken à la Rossini. De vijfde variatie, Bourrée Classique, voert terug naar het hof van de Zonnekoning (Lodewijk XIV), met een virtuoze solo-vioolpartij.

Als climax in de rij klinken de Wiener Walzer, een komische en groteske parodie op wat er in de negentiende eeuw aan en is geproduceerd van Johann Strauss tot Chopin en Ravel. In het Moto perpetuo zoemen de bijen als waanzinnigen, gevolgd door de tragische klanken van een korte naar Mahler klinkende marche funèbre.

In het spookachtige religieuze gezang na een begrafenis is het Bridge-thema moeilijker te herkennen. Om de serie variaties af te sluiten haalt Britten een oude techniek tevoorschijn, de , zij het gehuld in een achtig en duivels jasje en overgaand in de finale.

De Variations on a Theme of Frank Bridge waarin Britten alle mogelijk­heden van een strijkorkest inventief en gedurfd wist uit te buiten, veroorzaakte een sensatie op de Salzburger Festspiele. Twee dagen voor de festival-uitvoering klonk de eerste uitvoering al op Radio Hilversum.

Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975

Sjostakovitsj: Veertiende symfonie

Tijdens een maandenlang verblijf in het Kremlin-ziekenhuis schreef Dmitri Sjostakovitsj, in volledige isolatie, zijn Veertiende symfonie. Hij werd geteisterd door polio en vanwege besmettingsgevaar was bezoek uitgesloten. Hierdoor kon hij zich compleet focussen op wat een hartstochtelijk protest tegen de dood zou worden.

Hij trad hiermee in de voetsporen van Modest Moesorgski’s erencyclus Liederen en dansen van de dood, die hij eerder georkestreerd had en die ‘ons eraan herinnert dat wij ons leven eerlijk, edelmoedig en gewetensvol moeten leven en dat wij nooit iets moeten doen waarvoor we ons later zouden schamen. De dood wacht ons allen.’

Voor Sjostakovitsj geen troostend geloof in een hiernamaals, zoals wel bij grote voorlopers die zich met het doodsthema bezighielden. Zijn protest gold hier niet voor de gewone dood, maar vooral voor de onnatuurlijke, gewelddadige dood door moord en oorlog.

In het ziekenhuis las hij gedichten van Lorca, Apollinaire, de Russische dichter Küchelbecker en Rilke. Van hen koos hij elf teksten, die de dood in uiteenlopende verschijningsvormen uitbeelden, als basis voor een compositie voor sopraan, bas, strijkers en . Het werd geen traditionele symfonie, maar een cyclus van liederen met een gemeenschappelijk .

Bij de eerste (besloten) uitvoering in juni 1969 beschreef Sjostakovitsj zijn symfonie als een symfonische lied-cyclus, ‘een gevecht voor de bevrijding van de mensheid’. Het openingsthema verwijst naar het e . De eerste twee liederen zijn van Lorca: een voor honderd geliefden, slachtoffers van de Spaanse Burgeroorlog, en een woeste Malagueña die als duivelse dodendans een dorpstaveerne binnenstormt.

Aansluitend klinkt Lorelei, de eerste van zes getoonzette gedichten van Apollinaire. Lorelei hunkert naar haar verloren geliefde om zich uiteindelijk in een zinsbegoocheling van de rots te storten. Het van de zelfmoordenaar is een treurzang over de drie lelies op zijn graf. Ingeleid door een xylofoonsolo mijmert een vrouw over haar broer die moet sterven in de loopgraven. In de Santé-gevangenis in Parijs zit de dichter, teruggeworpen op zichzelf.

Het Antwoord van de kozakken van Zaporozje aan de sultan van Constantinopel is wel gezien als Sjostakovitsj’ protest tegen alle despotische machthebbers. Küchelbeckers Aan Delwig lijkt vooral gericht aan Benjamin Britten: ondanks alle vervolging is de kunst onsterfelijk. Het - duikt weer op in het eerste van de twee Rilke-liederen, De dood van de dichter. De sombere finale is Rilkes boodschap over de dood die, wenend, toch almachtig is. 

De première van deze onconventionele beschouwing over de dood maakte grote indruk. Rudolf Barshai leidde op deze 29 september 1969 het Kamer-orkest van Moskou; onder de vier solisten was sopraan Galina Visjnevskaja, de vrouw van cellist Mstislav Rostropovitsj. Benjamin Britten dirigeerde in 1970 de westerse première tijdens zijn Aldeburgh Festival. Voor Sjostakovitsj was het een mijlpaal, het resultaat van jarenlange mijmeringen over het onderwerp.  

Biografie

Eva-Maria Westbroek, sopraan

Eva-Maria Westbroek studeerde aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en onder haar docenten waren James McCray en Iris Adami Corradetti. Nog voor haar afstuderen, in 1994, debuteerde ze in Poulencs Dialogues des Carmélites op het Aldeburgh Festival. Van 2001 tot 2006 maakte de sopraan deel uit van het zangersensemble van de Staatsoper Stuttgart, waar ze de titel Kammersängerin kreeg.

In 2006 debuteerde ze in de ­Verenigde Staten, met een optreden bij het Chicago Symphony Orchestra. Het debuut van Eva-Maria Westbroek bij De Nederlandse , in SjostakovitsjLady Macbeth van Mtsensk met het Koninklijk Concertgebouworkest in juni 2006, werd op dvd uitgebracht, en haar titelrol werd door de VSCD uitgeroepen tot ‘meest indrukwekkende individuele prestatie’.

Eva-Maria Westbroek wordt uitgenodigd door van tal van grote huizen, waaronder het Londense Royal Opera House Covent Garden, La Scala in Milaan, de Bayerische Staatsoper in München, de Opéra National de Paris, de Wiener Staatsoper, de Deutsche Oper Berlin, De Munt in Brussel en de Metropolitan Opera in New York. Ook trad ze op op de Bayreuther Festspiele en het festival van Aix-en-Provence.

De laatste keer dat Eva-Maria Westbroek in Het Concertgebouw te beluisteren was, was in juni 2019 in de Veertiende symfonie van Sjostakovitsj met Amsterdam Sinfonietta en bas Mikhail Petrenko.

Mikhail Petrenko, bas

Mikhail Petrenko is afkomstig uit Sint-Petersburg en volgde zijn zangopleiding aan het conservatorium in deze stad. Hij won een aantal onderscheidingen in Rusland en was in 2000 onder de finalisten van het Internationaal Concours ‘Voci Verdiane’ in Italië. Twee jaar eerder debuteerde hij met een rol in Prokofjevs Semyon Kotko in het Mariinski Theater.

In dit beroemde huis is hij nog steeds regelmatig te horen, en bij de heropening in 2011 van het historische Bolsjoj Theater in Moskou vertolkte hij de mannelijke titelrol in Roeslan en Ljoedmila van Glinka. Over de grens zingt Mikhail Petrenko bij gezelschappen als de Deutsche Staatsoper in Berlijn, de Bayerische Staatsoper in München, de Metropolitan Opera in New York en La Scala in Milaan en tijdens festivals als dat van Aix-en-Provence.

Bij De Nationale was hij te gast in Gounods Faust. Als concertzanger werd Mikhail Petrenko geëngageerd door onder meer het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks. Op het podium van de stond Mikhail Petrenko eerder tijdens de NTR ZaterdagMatinee, in BartókHertog Blauwbaards burcht en in Moesorgski’s eren en dansen van de dood – beide keren met het Radio Filharmonisch Orkest.

Op cd is de bas onder meer te horen in Die Walküre van Wagner onder leiding van Valery GergievRomeo et Juliette van Gounod onder leiding van Yannick Nézet-Séguin en De klokken van Rachmaninoff onder leiding van Simon Rattle.

Amsterdam Sinfonietta, strijkorkest

Amsterdam Sinfonietta, opgericht in 1988, geeft zo’n 65 concerten per jaar in binnen- en buitenland met strijkersrepertoire van de tot opdrachtcomposities en nieuwe arrangementen. De uitvoeringen staan meestal onder leiding van concertmeester en artistiek leider – sinds 2003 – Candida Thompson (hierboven op de foto).

De strijkers trekken op met vooraanstaande solisten, onder wie violiste Simone Lamsma, cellisten Kian Soltani en Sol Gabetta en pianisten Lucas en Arthur Jussen, Fazıl Say en Beatrice Rana.

Een tournee met Janine Jansen met De vier jaargetijden van Vivaldi werd in 2022 bekroond met De Ovatie van de VSCD. Amsterdam Sinfonietta gaat ook graag grensverleggende samenwerkingen aan – recent met Nai Barghouti respectievelijk Maria Mena – en integreert in zijn programma’s film, dans (bijvoorbeeld met ISH Dance Collective) of theater (bijvoorbeeld met Orkater). De discografie omvat titels als The Mahler Album, The Argentinian Album, Lento Religioso en Tides of Life (met Thomas Hampson), maar ook Franse chansons met Thomas Oliemans en producties met De Dijk, Jonathan Jeremiah en Rufus Wainwright.

In samenwerking met Het Concertgebouw zijn er sinds 2005 KleuterSinfonietta-­voorstellingen, zoals deze maand Speelgoedfabriek Tokkel & Strijk. Het Concertgebouwdebuut van Amsterdam Sinfonietta dateert van 28 maart 1993, en in seizoen 2023/2024 was het gezelschap Spotlight-artiest van de Eigen Programmering. De vorige keer dat een afvaardiging uit het strijkorkest kamermuziek speelde in de was op 13 april 2024, samen met pianist Alexander Gavrylyuk.

Candida Thompson, viool

Candida Thompson studeerde in 1989 met onderscheiding af bij David Takeno aan de Guildhall School of Music and Drama in Londen en bekwaamde zich verder aan het Banff Centre for the Arts in Canada. Ze leidde strijkorkesten in Scandinavië, Nederland, Spanje en Groot-Brittannië.

De Britse ­violiste is een gepassioneerd kamermusicus, deelde het podium met musici als Isaac Stern, Janine Jansen, Harriet Krijgh, Simone Lamsma, Isabelle Faust en Bruno Giuranna, en werd uitgenodigd op evenementen als het Kuhmo Festival (Finland), het Gubbio Festival (Italië), het Internationaal Kamermuziek Festival Utrecht en La Musica (Verenigde Staten).

Met celliste Xenia Jancovic en pianist Paolo Giacometti vormt ze het Hamlet Piano­tri­o. Als soliste trad ­Candida Thompson op met talloze orkesten in Europa, de Verenigde Staten en het Verre Oosten. Bij Amsterdam Sinfonietta werd ze in 1995 concertmeester en in 2003 tevens artistiek leider. Ze bespeelt een viool van Guarneri del Gesù (Cremona, 1698-1744).