Alexandre Kantorow adembenemend in Saint-Saëns
Nederlands Kamerorkest
Gordan Nikolić viool/leiding
Alexandre Kantorow piano
Dit concert maakt deel uit van de serie Klassieke Meesterwerken.
Jean-Philippe Rameau (1683-1764)
Une symphonie inventée
Ouverture (uit ‘Zäis’, 1748)
Tambourins (uit ‘Dardanus’, 1739)
Entrée de Polymnie (uit ‘Les Boréades’, 1763)
Orage (uit ‘Platée’, 1745)
Chaconne (uit ‘Les Indes galantes’, 1735)
Camille Saint-Saëns (1835-1921)
Pianoconcert nr. 2 in g kl.t. op. 22 (1868)
Andante sostenuto
Allegro scherzando
Presto
pauze ± 21.05 uur
Maurice Ravel (1875-1937)
Le tombeau de Couperin (oorspronkelijk voor piano solo, 1914-17;
orkestratie deel 1, 3, 4 en 5 door Ravel, 1919; orkestratie deel 2 en 6 door Wijnand van Klaveren, 2022)
Prélude
Fugue
Forlane
Rigaudon
Menuet
Toccata
einde ± 22.05 uur
Toelichting
Soms hebben componisten meer met elkaar te maken dan op grond van hun geboortejaar of stijl te verwachten valt. Zo lijkt de combinatie van werken van Jean-Philippe Rameau, Camille Saint-Saëns en Maurice Ravel in de eerste plaats vooral een stukje Franse muziekgeschiedenis in vogelvlucht. Dat is het zeker, maar er is een onderliggende stroom van waardering en beïnvloeding die geen rekening houdt met een tijdsspanne van meer dan een eeuw. Zo was Saint-Saëns de eerste die in de late negentiende eeuw de erfenis van Rameau serieus nam. En was Ravel een leerling van Gabriel Fauré, een goede vriend en student van Saint-Saëns.
Jean-Philippe Rameau 1683-1764
Une symphonie inventée
Door Paul Janssen
Maar we beginnen op de grens van de en de , bij het werk van Jean-Philippe Rameau. De verbazing over het feit dat een componist die zo goed voor orkest kan schrijven geen enkel zelfstandig orkestwerk heeft gecomponeerd, leidde ertoe dat artistiek leider van het Nederlands Philharmonisch Orkest | Nederlands Kamerorkest Willem de Bordes een ‘imaginaire symfonie’ samenstelde.
Het resultaat is een Une symphonie inventée die de symfonische kwaliteiten van deze invloedrijke Franse tijdgenoot van Johann Sebastian Bach belicht, een vijfdelig relaas waarin alle facetten van Rameaus inventiviteit aan de orde komen. Zo steekt Rameau in de Ouverture uit de Zaïs (1748) de orkestrale introductie van Die Schöpfung (1796-98) van Joseph Haydn naar de kroon in zijn opzwepende verbeelding van het universum dat uit chaos ontstaat. De beide Tambourins uit de opera Dardanus (1739) vinden hun inspiratie in de muziek van de Franse doedelzak.
Het langzame derde deel, het statige Entrée de Polymnie uit Rameaus laatste opera Les Boréades (1763), is vooral bijzonder door het solistische gebruik van de , een instrument dat in die tijd doorgaans slechts de ’s of de altviolen doubleerde. Ook in het laatste deel, de wonderlijke afsluitende Chaconne van Les Indes galantes (1735), een zogenaamd opera-ballet, heeft de fagot af en toe een belangrijke rol samen met de hobo. Het aan de Chaconne voorafgaande Orage uit de pas in 1975 herontdekte opera Platée (1745) laat – compleet met windmachine – horen dat Rameau met het uitbeelden van een storm niet onderdeed voor Antonio Vivaldi.
Camille Saint-Saëns 1835-1921
Tweede pianoconcert
Door Paul Janssen
Van Rameau naar Camille Saint-Saëns lijkt een reis met een tijdmachine. Toch staan deze schijnbaar verschillende componisten vrij dicht bij elkaar. Niet alleen modelleerde Saint-Saëns zijn s voor de linkerhand, 135 naar het klavierwerk van Rameau, ook speelde hij regelmatig repertoire van Rameau tijdens zijn concerten. Die belangstelling culmineerde uiteindelijk in de eerste kritische uitgaven van de klavierwerken van Rameau.
Het is ook de invloed van Rameau en Johann Sebastian Bach die als eerste in het oor springt bij de opening van Saint-Saëns’ Tweede pianoconcert die bestaat uit een fantasia-achtige passage van de piano die klinkt alsof Franz Liszt improviseert op een van de preludes uit Bachs Das wohltemperirte Clavier. Het concert, dat ontstond in 1868, is een van de vroegste werken van Saint-Saëns die direct na de première repertoire wisten te houden. Een werk met een bijzondere ontstaansgeschiedenis, want de componist schreef het voor zijn goede vriend de Russische pianist Anton Rubinstein. Alleen speelde Saint-Saëns bij de première op 13 december 1868 zelf de pianopartij, zodat Rubinstein zijn directiedebuut in Parijs kon maken.
Misschien heeft het driedelige concert daarom meer weg van een symfonie waarvan het eerste deel ontbreekt dan van een traditioneel soloconcert. Het eerste deel klinkt als een langzaam deel met die verrassende piano-inleiding en vervolgens een toespeling op het van een zetting van Tantum ergo van Saint-Saëns’ leerling Gabriel Fauré. Het tweede deel is een soort met een eerste thema in de piano dat afgeleid is van het hoofdthema van het eerste deel. Ook het tweede thema, dat voor het eerst klinkt in de en de lage strijkers, is daaraan verwant. De finale is een virtuoze dans gebaseerd op het van de Italiaanse tarantella dat direct geaccentueerd wordt in de openingsmaten van de piano. Het belangrijkste thema is weer een variant op het thema van het eerste deel wat de eenheid van het complete concert waarborgt.
Maurice Ravel 1875-1937
Le tombeau de Couperin
Door Paul Janssen
Maurice Ravel had grote bewondering voor de orkestratiekwaliteiten van Saint-Saëns en nam daar zelf graag een voorbeeld aan. Niet alleen maakte hij furore met het ‘inkleuren’ van werken van anderen, zoals Moesorgski’s Schilderijen van een tentoonstelling, ook maakte hij van zijn eigen pianopartituren geregeld intrigerende orkestversies. Zo ook van Le de Couperin dat hij in november 1917 voltooide en waarvan hij in 1919 vier delen orkestreerde.
De kiem voor dit werk ligt inderdaad bij de Parijse componist van met name klavecimbelmuziek François Couperin (1668-1733). Al voor de Eerste Wereldoorlog was Ravel begonnen aan een voor piano solo van de Forlane uit diens vierde Concert Royal voor klavecimbel en ensemble. Hij had een ‘ Française’ in gedachten, gebaseerd op werken van componisten.
Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bleef het plan liggen. Ravel wilde zijn land dienen en werd ambulancechauffeur en medisch assistent aan het front. Zijn slechte gezondheid deed hem eind 1916 terugkeren naar Parijs, waar tot overmaat van ramp zijn moeder overleed. Het leidde tot een flinke depressie. In 1917 begon hij zijn ervaringen van zich af te schrijven in de vorm van een zesdelige voor piano waarin weliswaar de stijl van componisten als Rameau en Couperin te herkennen is, maar wat uiteindelijk vooral een persoonlijk monument werd voor vrienden die tijdens de oorlog gesneuveld waren. Zo protesteerde Ravel niet alleen stilletjes tegen de zinloosheid van de oorlog, hij eerde ook goede vrienden wier carrière in de knop gebroken werd.
In 1919 kreeg het eerbetoon een vervolg met een orkestratie die Ravel op verzoek van zijn uitgever maakte. Waarom hij bij die gelegenheid slechts vier delen orkestreerde is nooit duidelijk geworden. Het Nederlands Kamerorkest gaf Wijnand van Klaveren daarom de opdracht de Fugue en de Toccata te en zo dicht mogelijk bij de stijl van Ravel te blijven. Hij bestudeerde de orkestratie van Ravel intens en nam bijvoorbeeld de afwisseling van de eerste en de tweede violen die Ravel toepast in de Prélude over in de Toccata. En in de Fugue liet Van Klaveren doelbewust de door Ravel vaak kleurrijk ingezette weg om zo een neutralere klank te verkrijgen.
Hoewel Van Klaveren bescheiden meent dat ‘het benaderen van de geest van Ravel een onhaalbaar ideaal is’, klinken de Fugue en de Toccata in het geheel van Le de Couperin meer naar Ravel dan ooit tevoren.
Biografie
Nederlands Kamerorkest, orkest
Het Nederlands Kamerorkest, dat optreedt in bezettingen van 25 tot 45 musici, verzorgt gemiddeld per seizoen 25 concerten – veelal zonder en onder leiding van concertmeester Gordan Nikolić – op het ‘thuispodium’ van de , zowel in eigen series als binnen de Eigen Programmering van Het Concertgebouw.
Daarnaast treedt het op in vele andere zalen in binnen- en buitenland en speelt het ook op minder gebruikelijke plekken als poppodium Paradiso in Amsterdam en openluchttheater Caprera in Bloemendaal.
In het oprichtingsjaar 1955 gaf het Nederlands Kamerorkest zijn eerste concert in het kader van het Holland Festival. De eerste 22 jaar was de legendarische violist en Szymon Goldberg muzikaal leider, met David Zinman als secondant. Antoni Ros-Marbà leidde het orkest van 1979 tot 1986.
Toen het gezelschap in 1985 organisatorisch opging in de Stichting Nederlands Philharmonisch Orkest werd het begeleiden van producties van De Nationale een van de kerntaken; tegenwoordig worden het Nederlands Kamerorkest en het Nederlands Philharmonisch internationaal gerekend tot de beste operaorkesten.
Veelgeprezen cd’s van het Nederlands Kamerorkest zijn bijvoorbeeld de Mozart-albums met violiste Julia Fischer, pianist Martin Helmchen en violiste Noa Wildschut. Binnen de Eigen Programmering stond het gezelschap voor het laatst in de op 29 augustus 2025, met een programma rondom de Zesde symfonie ‘Pastorale’ van Beethoven met Floris Kortie als verteller.
Gordan Nikolić, viool
Gordan Nikolić is uitgegroeid tot het gezicht van het Nederlands Kamerorkest, dat hij sinds seizoen 2004/2005 op zijn eigen, unieke wijze leidt vanaf de eerste lessenaar. Een programma in de met orkestcollega’s en pianist Ronald Brautigam markeerde in september 2024 zijn twintigjarig jubileum als artistiek leider.
Gordan Nikolić werd geboren in het huidige Servië en leerde het vak bij de Franse violist en Jean-Jacques Kantorow aan de Musikhochschule in Basel.
Daar verdiepte hij zich in de viool, maar werkte hij ook samen met componisten als Lutosławski en Kurtág. In 1989 kreeg hij zijn eerste aanstelling als concertmeester bij het Orchestre d’Auvergne, en van 1997 tot en met 2017 bekleedde hij dezelfde functie bij het London Symphony Orchestra.
Daar werkte hij samen met topen als Colin Davis, Claudio Abbado, Valery Gergiev en Bernard Haitink. De afgelopen jaren was Gordan Nikolić als concertmeester te gast bij onder meer Manchester Camerata, het Antwerp Symphony Orchestra en het Australian Chamber Orchestra. Sinds 2007 heeft hij bovendien de leiding over het in Spanje gevestigde BandArt, een orkest dat inzet op maatschappelijke betrokkenheid.
Naast zijn podiumactiviteiten is de violist docent aan het conservatorium in Parijs, de Hochschule für Musik in Saarbrücken en Codarts in Rotterdam. Hij speelt op een instrument uit 1794 van Lorenzo Storioni.
Alexandre Kantorow, piano
Alexandre Kantorow kreeg recentelijk de Gilmore Artist Award 2024 toegekend. De jonge Fransman studeerde bij Pierre-Alain Volondat, Igor Lazko, Frank Braley en Rena Shereshevskaya en maakte zijn professionele debuut op zijn zestiende op La Folle Journée in Nantes.
In 2019 brak de toen 22-jarige pianist internationaal door op het Tsjaikovski Concours in Moskou: naast de gouden medaille won hij ook de Grand Prix, die nog maar drie keer eerder was uitgereikt. Het Amerikaanse Fanfare Magazine noemde hem al een ‘reïncarnatie van Liszt’.
Zijn carrière nam een vlucht met uitnodigingen van zalen als het Konzerthaus in Berlijn, de Queen Elizabeth Hall in Londen, de Philharmonie de Paris, Carnegie Hall in New York en Tokyo City en evenementen als La Roque d’Anthéron, het Verbier Festival, het Klavierfest Ruhr en het Ravinia Festival.
Kamermuziek speelde hij met de strijkers Renaud en Gautier Capuçon en Antoine Tamestit, maar ook met bariton Matthias Goerne. Als solist werd Alexandre Kantorow uitgenodigd door de orkesten van Boston en Pittsburgh, de Berliner en de Münchner Philharmoniker, het Orchestre de Paris, het Budapest Festival Orchestra, het Israël Filharmonisch Orkest en de Hong Kong Philharmonic.
Hij werkte met en als Manfred Honeck, John Eliot Gardiner, Jaap van Zweden, Francois-Xavier Roth, Antonio Pappano en Klaus Mäkelä. Met het Tweede pianoconcert van Prokofjev debuteerde hij in oktober 2021 bij het Concertgebouworkest. In de soleerde hij voor het eerst in oktober 2018, bij het Nederlands Kamerorkest. Hij keerde er terug in zomer 2022 in het Tweede pianoconcert van Liszt met het Belgian National Orchestra en in november 2022 in het Tweede pianoconcert van Saint-Saëns met het Nederlands Kamerorkest. Op 5 maart 2023 gaf Alexandre Kantorow zijn eerste solorecital in de Grote Zaal; in de speelde hij niet eerder.




