Academy of St Martin in the Fields & Nelson Freire: Beethoven
Pianist Nelson Freire vervangt Murray Perahia tijdens dit concert. Het programma is daarom gewijzigd.
Academy of St Martin in the Fields
Nelson Freire piano
Tomo Keller viool/leiding
Ludwig van Beethoven 1770-1827
Eerste romance in G gr.t., op. 40 (1801-02)
voor viool en orkest
Tweede symfonie in D gr.t., op. 36 (1801-02)
Adagio – Allegro con brio
Larghetto
Scherzo: Allegro
Allegro molto
pauze (ca. 21.00 uur)
Vijfde pianoconcert in Es gr.t., op. 73 ‘Kaiser’ (1809)
Allegro
Adagio un poco moto (mosso)
Rondo: Allegro
einde (ca. 22.00 uur)
Toelichting
Beethoven: Eerste romance
Door Lonneke Tausch
Ludwig van Beethoven componeerde rond 1800 twee vioolromances; ongebruikelijke stukken eigenlijk, omdat ze in de wisselwerking tussen solist en orkest functioneren als een soloconcert maar slechts uit één deel bestaan. De Romance in G groot ontstond als tweede maar werd in 1803 als eerste gepubliceerd. De twee romances worden wel beschouwd als een vingeroefening voor het Vioolconcert in D groot, op. 61 uit 1806.
Wat nog wel eens vergeten wordt, is dat Beethoven – in eigen tijd een beroemd pianist – ook op de viool aardig uit de voeten kon. Niet dat hij een was, maar hij wist uit eigen speelervaring precies wat er kon en niet kon op het instrument. Uit de vioolromances komt bovendien zijn grondige kennis van de klassieke stijl van zijn Weense voorgangers Mozart en Haydn naar voren.
De Romance in G groot heeft een vorm: ABACA-. Het rondothema (A) bestaat uit twee gedeeltes, die allebei eerst door de solist worden gespeeld en daarna door het orkest. In de segmenten B en C is het orkest louter nog begeleiding, waarbij in het C-deel een zigeunerachtige sfeer opvalt.
Ludwig van Beethoven (1770-1827)
Tweede symfonie
Door Marijke Schouten
In de zomer van 1801 ging het Ludwig van Beethoven op professioneel vlak voor de wind. Hij had het jaar ervoor, op 2 april 1800, met de Eerste symfonie zijn officiële Weense debuut gemaakt in het Burgtheater en werkte al aan zijn Tweede. Zijn dierbare jeugdvriend uit Bonn, Franz Wegeler, kon hij in een brief van 29 juni meedelen dat hij met zijn composities aanzien had verworven en er bovendien goed aan verdiende. Uitgevers stonden in de rij en hij kon zijn eigen prijs bedingen. De solosonates en kamermuziek die Beethoven had geschreven sinds hij in 1792 bij Joseph Haydn in Wenen was komen studeren ‘om daar uit Haydns handen Mozarts geest te ontvangen’, waren gemodelleerd naar zijn illustere voorbeelden, zij het dat hij meteen een eigen toon had aangeslagen. Via gedetailleerde voorschriften en dynamische contrasten realiseerde hij een ritmische drive binnen de lange lijnen, die de enerverende intensiteit van zijn muziek blootlegt.
Niet lamenteren maar ‘het noodlot bij de strot grijpen’ en rigoureus voor de kunst kiezen, luidde Beethovens voornemen
Dat Beethoven in 1801 erop aanstuurde jaarlijks een openbaar concert te mogen geven in een van de twee grote Weense hoftheaters tekent zijn maatschappelijk engagement. Hij werd door de aristocratische high-society verafgood, maar in het licht van de politieke turbulenties rond 1800 wilde hij ook de burgerlijke muziekliefhebbers, die zijn groeiende faam tot dusver op afstand hadden gevolgd, betrekken bij zijn statements als scheppend en uitvoerend kunstenaar. In zijn Eerste symfonie had hij de Weense symfonische traditie omarmd. Door bij de première van de Tweede symfonie in april 1803 in het nieuwgebouwde Theater an der Wien zijn Eerste nog eens op het programma te zetten, kon een stampvolle zaal ter plekke de verschillen tussen beide stukken waarnemen. Prompt werd in de pers het oudere werk om zijn ‘ongedwongen lichtheid’ geroemd, ten koste van de ‘vergezocht nieuwe en opvallende’ Tweede symfonie. Spoedig zou echter blijken dat Beethoven hier zijn eigen orkestklank had ontdekt en met de verschillende instrumentengroepen het ‘klassieke’ spel met ’s en motieven naar een hoger niveau had getild.
Het lijkt tegenstrijdig, maar in deze artistieke vlucht omhoog vormde Beethovens toenemende slechthorendheid een cruciale factor. Franz Wegeler was de eerste die per brief mocht vernemen hoe zijn zo succesvolle vriend zijn tragische handicap afwisselend opstandig en berustend onder ogen zag. Niet lamenteren maar ‘het noodlot bij de strot grijpen’ en rigoureus voor de kunst kiezen, luidde Beethovens voornemen. Deze houding bepaalt het karakter van de Tweede symfonie die, met zijn vier delen en een langzame inleiding, geheel volgens klassiek-symfonische lijnen verloopt en intussen met zijn krachtige en en obsessieve herhalingen Beethovens rusteloze energie verraadt en uitvergroot. In het Larghetto slaagt hij erin om met ontwapenende tederheid het universeel-menselijke verlangen naar liefde en onschuldig geluk stem te geven. De snelle Franse in het tweede thema van het eerste deel herinnert al aan Beethovens revolutionaire sympathieën – en loopt vooruit op zijn aanstaande bevrijdingsopera Fidelio. In deze context zou een galant-aristocratisch misplaatst zijn geweest: Beethoven ruilde het probleemloos in voor een temperamentvol . Dat een boos gebarende finale in collectieve vreugde kan uitmonden, mag als een beethoveniaans teken van hoop worden opgevat. De Tweede symfonie heeft nooit een programmatische titel gekregen, maar oogt als een klinkend zelfportret: de ruim dertigjarige componist ten voeten uit.
Ludwig van Beethoven 1770-1827
Vijfde pianoconcert
Beethovens Vijfde pianoconcert was ondanks de bijnaam ‘Kaiser’ niet opgedragen aan een keizer maar aan aartshertog Rudolph van Oostenrijk, leerling, vriend en beschermheer van de componist, en bovendien een uitstekende pianist. Het epitheton ‘Kaiser’ is niet van Beethoven afkomstig. De in aanmerking komende keizer Napoleon had voor Beethoven inmiddels volledig afgedaan, zeker nu hij met zijn troepen voor de poorten van Wenen stond.
Maar het pianoconcert heeft wel keizerlijke allure. Het is imposant en groots van opzet. Orkest en piano starten vrijwel gelijktijdig. Een dramatisch intro van drie orkestakkoorden, elk gevolgd door een briljante solocadens van de pianist, een waterval van pianistische arabesken, opent het lange eerste deel. Dan begint de orkestexpositie. Twee contrasterende ’s wisselen elkaar af, het een martiaal en uitbundig, het andere intiemer, mysterieus, soms droevig. Een volkomen tegenwicht vormt het tweede deel, met zijn meditatieve strijkersmelodie, volgens Carl Czerny gebaseerd op een Oostenrijke pelgrimshymne.
In een dialoog tussen strijkers en pianist keert de enkele malen terug. Bijna zonder overgang voert het einde van het naar de finale, met een thema dat zacht en langzaam nadert en uitbarst in een jubelend slotdeel, uitmondend in een ultrakorte, briljante . In april 1809 voltooide Beethoven het pianoconcert te midden van de oorlogsonrust. Op 11 mei werd Wenen door het Franse leger gebombardeerd en ingenomen.
Beethoven vluchtte voor het kanongebulder de kelder in en beschermde zijn oren met een kussen tegen het kabaal. ‘Niets dan trommels, kanonnen en ellende in allerlei vormen’, schreef hij. Het ‘Kaiserkonzert’, opgedragen aan zijn vorstelijke leerling aartshertog Rudolph, werd voor het eerst uitgevoerd in 1811, niet in Wenen maar in Leipzig.
Biografie
Academy of St Martin in the Fields
De Academy of St Martin in the Fields gaf in november 1959 zijn eerste concert in de Londense kerk waaraan het gezelschap zijn naam ontleent. Oprichter Neville Marriner was tot 2011 artistiek leider, waarna violist Joshua Bell deze positie van hem overnam. Nauw verbonden aan de formatie zijn ook concertmeester Tomo Keller en ‘principal guest artist’ Murray Perahia.
De Academy of St Martin in the Fields voert wereldwijd zowel symfonisch repertoire als grootschalige kamermuziek uit, doorgaans onder leiding van een ‘meespelend leider’. Hoogtepunten van seizoen 2025/2026 zijn onder andere een optreden in Carnegie Hall in New York met Brahms’ Vioolconcert, ter viering van Joshua Bells vijftienjarige jubileum als leider van het orkest, en een concert bij de zeventigste verjaardag van componist Sally Beamish.
Bestsellers uit de ruim vijfhonderd werken tellende discografie zijn Vivaldi’s De vier jaargetijden uit 1969 en de soundtrack van de Oscar-winnende film Amadeus uit 1984. De Academy of St Martin in the Fields besteedt veel aandacht aan educatie en participatie en organiseert verschillende workshops voor scholieren en volwassenen. De musici verzorgen masterclasses en concertinleidingen, en vaste samenwerkingen bestaan met Southbank , de Guildhall School of Music and Drama in Londen en het Royal Northern College of Music in Manchester.
Het vorige optreden van de Academy of St Martin in the Fields in Het Concertgebouw was op 29 januari 2020 met pianist/componist Fazıl Say.
Tomo Keller, viool
Tomo Keller werd geboren in Stuttgart, speelt viool vanaf zijn zesde en studeerde aan de Universität für Musik und darstellende Kunst in Wenen en de Juilliard School of Music in New York. Prijzen won hij onder meer op de Fritz Kreisler Competition en de Johannes Brahms Competition.
Sindsdien werd hij uitgenodigd door zalen overal in Europa en speelde hij kamermuziek op de festivals van Schleswig-Holstein en Mecklenburg-Vorpommern en het Festival de Música Manuel de Falla.
Tomo Keller soleerde bij onder meer het Beethoven Orchester Bonn, de SintPetersburg Camerata, het Swedish Radio Symphony Orchestra, de Wiener Symphoniker en het London Symphony Orchestra – het orkest waar hij van 2009 tot 2015 assistent-concertmeester was.
In 2014 werd hij eerste concertmeester van het Swedish Radio Symphony Orchestra en als gastconcertmeester reisde hij naar meer dan twintig gezelschappen in Europa, de Verenigde Staten en Azië. In 2016 werd de violist aangesteld als concertmeester van de Academy of St Martin in the Fields en sinds 2022 geeft hij les aan de Haute École de Musique de Lausanne. Tomo Keller bespeelt de ‘ex-Braga’-Stradivarius.
Nelson Freire, piano
Nelson Freire was op zijn twaalfde finalist van het eerste Internationale Pianoconcours van Rio de Janeiro en kreeg een beurs waarmee hij in Wenen ging studeren. Op zijn negentiende kreeg hij de Dinu Lipatti Medaille en vervolgens won hij de eerste prijs van het Vianna da Motta Concours in Lissabon. Op zijn vierentwintigste debuteerde hij zeer succesvol bij de New York Philharmonic.
Nelson Freire werkte met en als Valery Gergiev, Seiji Ozawa, Pierre Boulez, Riccardo Chailly, Charles Dutoit, Eugen Jochum, André Previn, Lorin Maazel en Kurt Masur. Als solist werd hij uitgenodigd door bijvoorbeeld de Berliner en de Wiener Philharmoniker, het London Symphony Orchestra, het Leipziger Gewandhausorchester en de orkesten van München, Tokio, Sint-Petersburg, Boston, Philadelphia, Cleveland, Los Angeles en Chicago.
In Het Concertgebouw speelde hij meermaals in de serie Meesterpianisten en was hij onder meer te gast bij het Koninklijk Concertgebouworkest en tijdens het Brasil Festival Amsterdam.


