A Night at the Opera: Rossini, Verdi en meer...

Residentie Orkest
Michael Balke dirigent
Lawrence Brownlee tenor
Michael Spyres tenor

Zangteksten zijn gratis verkrijgbaar aan de zaal. 

Gioacchino Rossini (1792-1868)

Ouverture
uit ‘Guillaume Tell’ (1829)

Terra amica
uit ‘Zelmira’ (1822)

Minacci pur di sprezzo
Donala questo core
uit ‘Ricciardo e Zoraide’ (1818)

Vincenzo Bellini (1801-1835)

Nel furor delle tempeste... Per te di vane lagrime
uit ‘Il pirata’ (1827)

Giuseppe Verdi (1813-1901)

Dal più remoto esilio... si lo sento iddio mi chiama
uit ‘I due Foscari’ (1844)

Gioacchino Rossini

Deh! scusa i trasporti
uit ‘Elisabetta, regina d’Inghilterra’ (1815)

pauze (± 21.00 uur)

Ambroise Thomas (1811-1896)

Ouverture
uit ‘Raymond, ou Le secret de la reine’ (1851)

Fromental Halévy (1799-1862)

Rachel quand du seigneur
uit ‘La Juive’ (1835)

Georges Bizet (1838-1875) 

Je crois entendre encore
uit ‘Les pêcheurs de perles’ (1863)

Luigi Cherubini (1760-1842)

Ce n’est donc fait
uit ‘Ali-Baba, ou Les quarante voleurs’ (1833)

Adolphe Adam (1803-1856) 

Mes amis écoutez l’histoire
uit ‘Le postillon de Lonjumeau’ (1836)

Daniel Auber (1782-1871) 

Du pauvre seul ami fidèle
uit ‘La muette de Portici’ (1828)

Gioacchino Rossini

Asile héréditaire...
Amis, amis
uit ‘Guillaume Tell’ (1829) 

Ah! Vieni nel tuo sangue
uit ‘Otello’ (1816)

einde (± 22.20 uur)

Toelichting

A Night at the Opera

Door Frits de Haen

Een programma met twee tenoren is geen dagelijkse kost. Maar het geeft Michael Balke, Lawrence Brownlee en Michael Spyres een uitgelezen mogelijkheid om een hommage te brengen aan de bravoure-, het vehikel waarmee solisten hun virtuositeit kunnen bewijzen, zowel op technisch als op affectief vlak. En het biedt de mogelijkheid om een aantal duetten de revue te laten passeren. Centraal staan twee belangrijke opera-landen: Italië en Frankrijk. 

Laten we met het eerste beginnen. Al vanaf de allereerste experimenten, zo rond 1600, heeft de opera in Italië een meer dan vruchtbare voedingsbodem gevonden. In Florence, in Venetië, in Rome, in Napels, overal werden operatheaters geopend en zo ontstond een populaire cultuur – en de eerste vrije markt voor muziek.

Want was voorheen muziek voorbehouden aan de kerk of het hof (of een enkele andere kapitaalkrachtige die zich een orkest, cast en aankleding kon veroorloven), nu ontstond een commercieel bedrijf waarbij het ‘gewone’ publiek een kaartje kon kopen. Dat het theater daarmee ook een belangrijk aspect werd van het gezelligheidsleven is zonneklaar: niet zelden vermaakte het publiek zich tijdens de recitatieven of als minder interessant ervaren passages op andere wijze, met kaartspel, conversatie, eten, drinken en amoureuze escapades.

Maar dat deed niets af aan de hoogstaande operaliteratuur die er ontstond, en zo grepen componisten de ontstane vormen aan om Italiaanse teksten op muziek te zetten, of ze nu Cavalli heetten of Vivaldi, Cimarosa    of Paisiello. Om nog maar te zwijgen van de buitenlanders die gebruik maakten van de Italiaanse operastijl, zoals Händel, Haydn en Mozart.

Het programma van vanavond concentreert zich op een latere periode, de . In de eerste helft van de negentiende eeuw was het in Italië de generatie van Rossini, Bellini en Donizetti die de hegemonie had. Gioacchino Rossini, als oudste van dit drietal, was geboren in Pesaro. Zijn vader leerde hem spelen, waarna kanunnik Giuseppe Malerbi hem zang en compositie onderrichtte.

Op veertienjarige leeftijd deed de jongen zijn intrede in het Liceo Musicale te Bologna waar hij , piano en studeerde. Daarna ging het snel: vanaf 1809 ontstonden Rossini’s eerste opera’s – in 1812 zagen maar liefst vier nieuwe opera’s het licht, het jaar daarop drie. Daarna was er geen houden meer aan: met het succes van L’Italiana in Algeri was Rossini binnen de kortst mogelijke keren de leidende operacomponist.

Feit is dat Rossini er met Guillaume Tell muziekdramatisch de brui aan gaf

In de daaropvolgende zestien jaar ontstonden maar liefst 27 opera’s, totdat in 1829 het vuur doofde: na Guillaume Tell zou Rossini geen opera meer componeren en de rest van zijn leven doorbrengen met andere zaken, waaronder gastronomie. En áls hij nog componeerde, dan waren het geestelijke werken.

Anders dan waar Rossini zijn faam voornamelijk aan ontleent, de komische opera, klinken vanavond fragmenten uit zijn serieuzere werken. Waaronder Elisabetta, regina d’ Inghilterra, waarmee hij in 1815 de aanzet gaf tot de historische opera. Van een jaar later stamt Otello, op het gegeven dat Shakespeare zo briljant had uitgewerkt. Ricciardo e Zoraide uit 1818 speelt ten tijde van de tochten.

De tweeakter Zelmira beleefde in 1822 zijn première en kan beschouwd worden als Rossini’s laatste opera voor Napels: na Semiramide, van een jaar later, zou de componist enkel nog voor Parijs schrijven waar hij zich in 1824 vestigde. En het was met Guillaume Tell, voor de Opéra in die stad, dat hij zijn carrière afsloot – uiteraard gebaseerd op de overbekende Zwitserse legende.

Waarom Rossini er na 1829 het zwijgen toe deed op operagebied is onduidelijk. Kon hij zich niet meer vinden in de stilistische veranderingen in de muziek van zijn tijd; betreurde hij het teloorgaan van het ? Of waren het de revolutie van 1830 en de daarmee samenhangende politieke veranderingen die hem de lust tot het componeren van nieuwe opera’s ontnamen? Of gelóófde hij het simpelweg wel, en prefereerde hij zijn tijd meer in de keuken dan in het theater door te brengen?

Feit is in ieder geval dat de ‘Zwaan van Pesaro’ er met Guillaume Tell muziekdramatisch de brui aan gaf. Het lijdt geen twijfel dat de laatste opera van Rossini zijn meesterschap in het genre van de Franse grand opéra bevestigt: naast de typische luidruchtige passages die dit genre enigszins kenmerken, vinden we er bijzonder intieme momenten in. Wat dat betreft spreekt het verstilde en sonore begin van de ouverture boekdelen. 

Dat Italiaanse componisten elders hun geluk beproefden blijkt niet alleen duidelijk uit het Parijse werk van een Rossini of een Verdi, maar ook bij iemand als Luigi Cherubini, die op zijn zesentwintigste zijn geboorteland verruilde voor de lichtstad. Hij zou er blijven tot zijn dood, er conservatoriumdirecteur worden en veel lof oogsten met de werken die hij voor de stad schreef.

Hoewel hij in onze tijd een ondergeschikte rol speelt, beschouwde Beethoven hem als een van de grootste componisten van zijn tijd. En Cherubini was belangrijk als pedagoog: Fromental Halévy bijvoorbeeld studeerde bij hem. Halévy’s faam berust op één enkel werk, La Juive. Het kende een ongekend succes en was zijn eerste poging om een werk te schrijven in de stijl van de Franse grand opéra, compleet met de daarin gewenste balletten. La Juive werd een van de hoekstenen van de Franse .

Adolphe Adam is in onze tijd nagenoeg vergeten: slechts enkele werken van hem worden nog uitgevoerd, zoals het ballet Giselle of de opera Le postillon de Lonjumeau. En dat terwijl hij bijna veertig balletten schreef alsmede een indrukwekkend aantal vaudevilles, een wat lichter genre met vaak een satirische ondertoon.

Leefde Adam kort, Daniel-François-Esprit Auber bereikte de voor die tijd respectabele leeftijd van 89 jaar. Hij was de belangrijkste vertegenwoordiger van de opéra-comique in het negentiende-eeuwse Frankrijk, met zijn stijl waarin hij de invloed van Rossini mengde met Franse elementen. Evenmin als Rossini schreef hij echter alleen opera’s met een komische strekking. Integendeel: zijn La muette de Portici, waaruit vandaag het e ‘Du pauvre seul ami fidèle’ klinkt, gaf bij de Brusselse première in 1830 de aanzet tot de opstand waarmee België zich losmaakte van Nederland.

Van een latere generatie was Georges Bizet. Ook van hem kan gezegd worden dat hij bijzonder productief was in zijn (te) korte leven, maar dat zijn huidige faam berust op slechts een handvol werken. Als bekendste natuurlijk de opéra’s comiques Carmen en Les pêcheurs de perles.

Ambroise Thomas tenslotte bouwde voort op het werk van zijn voorgangers Auber en Halévy. Ook hij wordt vooral herinnerd om één enkel werk, Mignon. Het werd een van de meest uitgevoerde opera’s in Parijs, met meer dan duizend uitvoeringen in minder dan dertig jaar na de première in 1866. Zijn opera Raymond geniet veel minder bekendheid en stamt van vijftien jaar eerder.  

Biografie

Michael Balke, dirigent

Actief als van ’s en symfonisch repertoire maakte de Duitser Michael Balke in de afgelopen jaren snel carrière in de grote Europese concertzalen en theaters. Sinds het begin van het huidige concertseizoen is hij eerste gastdirigent van het orkest en het operatheater van Sankt Gallen. Van 2011 tot 2016 was Michael Balke Kapellmeister van het Theater Magdeburg, waar hij leiding gaf aan producties van opera’s van componisten als Mozart, Rossini, Donizetti en Verdi.

Als gastdirigent werkte hij met gezelschappen in bijvoorbeeld Denemarken, Zweden, Italië en Japan. Zo leidde hij recentelijk opvoering­en van Puccini’s La bohème bij de Koninklijke Deense Opera en van Léhars Die lustige Witwe in het Metropolitan Theatre in Tokio. Voor het uitvoeren van symfonische muziek werkte Michael Balke met onder meer het Boedapest Festival Orkest, het Orchestra Sinfonica Siciliana, het Aarhus Symfoniorkester en het Philharmonisch Orkest van Osaka.

In Nederland musiceerde Michael Balke al eerder met het Residentie Orkest en in Het Concertgebouw maakt hij vandaag zijn debuut.

Michael Spyres, tenor

Michael Spyres kwam ter wereld in Mansfield (Missouri) en volgde zijn muzikale opleiding in de Verenigde Staten en aan het conservatorium van Wenen. In 2006 maakte hij zijn debuut, als Jaquino in Fidelio van Beethoven in het Teatro San Carlo in Napels. Twee jaar later wist hij de internationale aandacht op zich te vestigen de titelrol in Rossini’s Otello tijdens het Rossini Festival in Bad Wildbad (Duitsland) en met de rol van Tamino in Mozarts Die Zauberflöte aan de Deutsche Oper Berlin, waar hij deel uitmaakte van het vaste zangersensemble.

Recente engagementen brachten de tenor naar het Opernhaus Zürich, het Royal House Covent Garden in Londen, de Bayerische Staatsoper in München, de Opéra National en de Opéra Comique in Paris en de Lyric Opera in Chicago. Michael Spyres is gespecialiseerd in de -opera en werkte met en als Riccardo Muti, John Eliot Gardiner, Mark Elder, Valery Gergiev, Fabio Luisi, Emmanuelle Haïm en Christophe Rousset.

Naast zijn operacarrière werd Michael Spyres ook uitgenodigd voor bijvoorbeeld de requiems van Verdi, Dvořák en Berlioz, Mendelssohns Lobgesang en de Petite messe solennelle van Rossini. Onder de titels A Fool for Love en Espoir bracht hij bovendien twee solorecitalalbums uit. In Het Concertgebouw maakt de tenor vandaag zijn debuut.

Lawrence Brownlee, tenor

Lawrence Brownlee ontdekte de muziek toen hij als kind bas, drums en piano leerde spelen in de kerk die zijn familie bezocht in Hubbard (Ohio). Zijn opleiding genoot hij aan de Jacobs School of Music van Indiana University, en in 2001 won hij de Metropolitan National Council Auditions.

Hij zong bij de grote orkesten van New York, Boston, Chicago, Cleveland en San Francisco, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en de Berliner Philharmoniker. s gaf de tenor dit seizoen in Wigmore Hall in Londen, in het Grand ­Théâtre in Genève en in Dallas en San Francisco.

Met name in het ­repertoire stond Lawrence Brownlee op de planken in bijvoorbeeld La Scala in Milaan, de Metropolitan in New York (debuut 2007), de Royal Opera Covent Garden in Londen, de Wiener Staatsoper, de operahuizen van Parijs, Zürich, Washington, Houston en Tokio en tijdens de festivals van Salzburg en Baden-Baden.

Een groot tv-publiek bereikte hij met zijn optreden in Parijs bij de nationale viering van Quatuorze Juillet in 2014, in 2015 werd zijn cd Virtuoso Rossini s genomineerd voor een Grammy Award en in 2017 riepen de International Opera Awards hem uit tot Male Singer of the Year. In 2018 bracht Lawrence Brownlee Cycles of My Being in première, een cyclus die Tyshawn Sorey schreef in opdracht van Opera Philadelphia, de Lyric Opera of Chicago en Carnegie Hall en die onderzoekt wat het betekent een zwarte man te zijn in het hedendaagse Amerika. Lawrence Brownlee is artistiek adviseur voor met name diversiteit bij Opera Philadelphia, en is sinds 2021 ook verbonden aan The Juilliard School in New York.

In Het Concertgebouw was hij eerder te beluisteren in A Night at the Opera met het Residentie Orkest op 31 oktober 2018.