A Night at the Opera met Elīna Garanča

Deutsche Staatsphilharmonie Rheinland-Pfalz 
Juan Cantarell dirigent
Elīna Garanča mezzosopraan

Dit concert wordt mede mogelijk gemaakt door een particuliere schenking aan Het Concertgebouw Fonds.

Lees ook het interview met Elīna Garanča: Weg van routine

Giuseppe Verdi (1813-1901)

Ouverture
uit ‘Luisa Miller’ (1849)

Nel giardin, del bello
uit ‘Don Carlos’ (1867)

Giacomo Puccini (1858-1924)

Intermezzo
uit ‘Manon Lescaut’ (1893)

Francesco Cilea (1866-1950)

Ecco, respiro appena
uit ‘Adriana Lecouvreur’ (1902)

Giuseppe Verdi

Ouverture
uit ‘La forza del destino’ (1862)

O don fatale, o don cruel
uit ‘Don Carlos’ (1867)

pauze ± 21.00 uur

Federico Chueca (1846-1908)

Preludio
uit ‘El bateo’ (1901)

Edvard Grieg (1843-1907)

T’estimo (‘Jeg elsker dig’)
uit ‘Melodieën van het hart’, op. 5 (1864; voor zang en piano, orkestratie J. Langley)

Stanislao Gastaldon (1861-1939)

Musica proibita
(1881; voor zang en piano, orkestratie K.M. Chichon)

Franz von Suppé (1819-1895)

Ouverture
uit ‘Leichte Kavallerie’ (1866)

Rosendo Mato Hermida (1914-1994)

Lela
(1961; voor zang en piano, orkestratie J. Durán)

Carlos Gardel (1890-1935)

El día que me quieras
(1935; voor zang en piano, orkestratie K.M. Chichon)

Jerónimo Giménez  (1854-1923)

Intermezzo
uit ‘La boda de Luis Alonso’ (1897)

Pablo Sorozábal Mariezcurrena (1897-1988)

No puede ser!
uit ‘La tabernera del puerto’ (1936)

einde ± 22.20 uur

Toelichting

Verdi

Door Frits de Haen

De ouverture tot Luisa Miller, de die Giuseppe Verdi in 1849 componeerde op een drama van Friedrich von Schiller, opent deze feestelijke avond energiek en met een fraaie klarinetpartij. De twee andere Verdi-opera’s die vanavond aan bod komen stammen uit de jaren 1860.

Het is al in de eerste maten van La forza del destino dat het noodlot voelbaar wordt, dat onder andere ervoor zorgt dat Don Alvaro per ongeluk de vader van zijn geliefde Donna Leonora doodt. La forza del destino beleefde zijn eerste uitvoering op 10 november 1862 in Sint-Petersburg.

Na La forza schreef Verdi zijn ’s met steeds grotere tussenpozen: pas vijf jaar later componeerde hij de volgende, Don Carlos, die zich conformeert aan de traditie van de Franse ‘grand opéra’, met zijn vijf aktes, grootse scènes, spektakel en ballet.

De opera, die Verdi vijftien jaar later omwerkte tot een Italiaanse dus zonder de balletten, speelt in de zestiende eeuw en heeft de zoon van Filips II van Spanje als hoofdpersoon.

In de  Nel giardin, del bello schildert prinses Eboli hoe een Moorse koning een fraaie gesluierde (die zijn verwaarloosde echtgenote blijkt te zijn…) smeekt haar sluier af te doen – met duidelijke muzikale verwijzingen naar oosterse muziek. In O don fatale vervloekt ze haar fatale trots en schoonheid die haar geliefde Don Carlos de dood in dreigt te voeren. 

Puccini en Cilea

In 1893, het jaar dat Verdi met Falstaff zijn laatste noten aan het papier toevertrouwde, breekt een jonge Italiaan door met Manon Lescaut. Giacomo Puccini’s naam is in één klap gevestigd, zowel in Italië als daarbuiten: Bernard Shaw schrijft naar aanleiding ervan dat Puccini de echte erfgenaam van Verdi is.

Puccini studeerde aan het conservatorium van Milaan dat tegenwoordig Verdi’s naam draagt (ironisch genoeg werd die er zelf ooit afgewezen), en werd ontdekt door Giulio Ricordi, de belangrijke Italiaanse uitgever. Puccini baseerde Manon Lescaut op een verhaal van Abbé Prévost, een  achttiende-eeuwse schrijver en geestelijke.

Francesco Cilea is vooral bekend gebleven door één Adriana Lecouvreur. Het werk is gebaseerd op een historisch personage en schetst de lotgevallen van de comédienne Adrienne Lecouvreur (1692-1730), een beschermelinge van Voltaire. Het werk kende een succesvolle première en verzekerde de componist van een plaats in de operageschiedenis.

Chueca

Na dit voornamelijk veristische geweld is het na de pauze de beurt aan de veel lichter getinte , het typisch Spaanse genre waarin zang, gesproken woord en dans elkaar afwisselen.

De Madrileen Federico Chueca was een jongere tijdgenoot van Verdi en een van de belangrijkste vertegenwoordigers van het género chico, het kleine broertje van de zarzuela. Hij was door zijn ouders geprest om medicijnen te gaan studeren.

Toen hij na een opstand in 1866 in de gevangenis belandde, componeerde hij daar zijn Lamentos de un preso. Het succes daarvan maakte dat hij zich toch volledig op muziek kon concentreren.

Zijn El bateo stamt uit 1901; de dansante ouverture laat duidelijk Chueca’s verknochtheid aan de Weense horen, hoewel ook andere dansen voorbijkomen. 

Grieg en Gastaldon

Van het zonnige Madrid naar Noorwegen lijkt een heel eind, en dat is het ook. Edvard Grieg publiceerde zijn eren 5 in 1864, met daarin Jeg elsker dig op tekst van Hans Christian Andersen.

Zelf schreef Grieg over deze bundel met ‘hartenmelodieën’ dat hij bijzonder geïnspireerd was door de kennismaking met Nina Hagerup: ‘Mijn huidige vrouw, die met haar lieflijke stem en ongewone interpretatie de harten van de mensen won waar ze ook maar optrad.’ Dit lied werd in tal van talen vertaald (vandaar T’estimo) en gearrangeerd voor tal van bezettingen.

Elina Garanča voert het in een arrangement van de Brit John Langley samen uit met Stanislao Gastaldons romanza Musica proibita uit 1881. Gastaldon was twintig toen hij dit componeerde; door de dialoogvorm wordt het wel uitgevoerd door twee zangers, hoewel het oorspronkelijk voor vrouwenstem is.

Suppé en Mato Hermida

De Leichte Kavallerie van Franz von Suppé ging in 1866 in première in Wenen en verwierf een grote populariteit; een van de ’s uit de ouverture is overbekend. Het signaal aan het begin schetst al meteen de militaire setting van de operette.

Met Lela van Rosendo Mato Hermida keren we terug naar de Spaanse . In het , gebaseerd op het toneelstuk Os vellos non deben de namorarse (Oude mensen moeten niet verliefd worden) uit 1941 van de Galicische Alfonso Castelao, bezingt apotheker Saturio zijn liefde voor Lela. Het lied werd een hit.

Er is een hoop te doen geweest over het auteurschap ervan. In 2007 ontstond een controverse toen ene Miguel de Santiago zich opwierp als de componist, tegen het zere been van dochter Dolores Mato, en zij gerechtelijke stappen nam. Met succes, want met oude documenten en directe getuigen van de première van het stuk in 1961 wist ze het auteurschap van haar vader onomstotelijk aan te tonen.

Gardel

Het klinkt als een (Zuid-)Amerikaanse droom, het leven van Carlos Gardel. Begonnen in cafés en op feesten scoorde hij met Mi noche triste een enorme hit. In 1928 verkocht hij in drie maanden 70.000 platen en hij reisde de hele wereld over; hij verscheen ook op het witte doek.

De Fransman Gardel woonde een groot deel van zijn leven in Zuid-Amerika. Een vliegtuigongeluk in het Colombiaanse Medellín werd hem noodlottig.

Gardels grootste verdienste zit hem in de ontwikkeling van de Argentijnse tango; hij werd Argentijns staatsburger. Zijn talloze bijnamen (‘de Creoolse nachtegaal’, ‘koning van de tango’ en zelfs ironisch ‘de doofstomme’) getuigen daarvan. 

Giménez en Sorozábal

De Sevillaan Jerónimo Giménez was werkzaam als -, onder meer in Madrid. Hij was verbluffend productief: tussen 1878 en 1920 componeerde hij de ene zarzuela na de andere. Het Intermezzo uit La boda de Luís Alonso fungeert, met al zijn Spaanse koloriet, als smaakmaker voor het laatste werk op het programma.

Pablo Sorozábal werd geboren in een arbeidersgezin, maar klom op en studeerde onder meer bij... Arnold Schönberg. Zijn La tabernera del puerto ging in 1936 in Barcelona in première.

De van Leandro uit het tweede bedrijf van deze werd een geliefd werk. Allereerst voor tenoren (voor wie het oorspronkelijk is geschreven), maar ook tal van andere stemsoorten ontfermden zich over de romanza. En terecht, want de jammerklacht over een geliefde die twijfel en teleurstelling oproept is universeel.

Biografie

Deutsche Staatsphilharmonie Rheinland-Pfalz, orkest

De Deutsche Staatsphilharmonie Rheinland-Pfalz is het belangrijkste orkest van de Duitse deelstaat Rijnland-Palts en heeft zijn thuisbasis in de Philharmonie in Ludwigshafen.

Opgericht in 1919 viert het gezelschap in het huidige seizoen zijn eeuwfeest. Naast het spelen van symfonisch repertoire begeleidt de Deutsche Staatsphilharmonie Rheinland-Pfalz graag muziektheater en organiseerde het diverse filmmuziekprojecten.

In de serie ‘Modern Times’ licht het orkest het werk van twintigste-eeuwse componisten uit; een in dat kader uitgebrachte cd met orkestmuziek van Bernd Alois Zimmermann kreeg in 2015 een ECHO Klassik Preis.

Onder de noemer ‘Leben mit Musik’ ontplooit het orkest een uitgebreid educatief programma, gericht op kinderen van alle leeftijden, en ook dat werd, in 2014, bekroond met een ECHO Klassik.

De Deutsche Staatsphilharmonie Rheinland-Pfalz maakte tal van internationale concerttournees, zoals recentelijk naar Spanje, Oostenrijk, China, Zuid-Amerika en de Verenigde Staten.

Het concertseizoen 2019/20 is het eerste van chef- Michael Francis, opvolger van Karl-Heinz Steffens. Het orkest maakt zijn debuut in de Eigen Programmering van Het Concertgebouw.

Juan Cantarell, dirigent

Juan Cantarell studeerde in zijn geboortestad Barcelona piano bij Alicia de Larrocha en Mercè Roldós. Zijn directie-opleiding volgde hij bij Karl Österreicher en Julius Kalmar aan de Hochschule für Musik und darstellende Kunst in Wenen, waar hij bij Carmen Graf-Adnet en Hans Graf ook zijn pianostudie vervolgde. Aan de Royal Academy of Music in Londen volgde hij een postgraduateprogramma bij onder anderen Sir Colin Davis. Masterclasses volgde Juan Cantarell bij Ferdinand Leitner, Ilya Musin en Valery Gergiev. Inmiddels leidde hij concerten in Spanje, Groot-Brittannië, Italië, Duitsland, Frankrijk, Polen, Tsjechië en Canada.

Onder de highlights waren het concert bij het 160-jarig bestaan van de UNESCO in Parijs, zijn debuut aan de Staatsopera in Praag en zijn optreden tijdens het Festival of Modern Music in Quebec. Hij was de van de show Fés córrer la veu! – in een regie van filmmaker Rosa Vergés – bij de opening van L’Auditori in Barcelona en tourde door Spanje met de show A te, Bellini. In thuisstad Barcelona werkte Juan Cantarell ook als assistent bij het koor van het Gran Teatre del Liceu en als pianist aan de Escola Superior de Música de Catalunya.

Sinds het seizoen 2015/16 is Juan Cantarell assistent van Karel Mark Chichon bij de Deutsche Radio Philharmonie Saarbrücken. Recentelijk werd hij bovendien aangesteld als vaste gastdirigent van het Philharmonisch Orkest Mihail Jora-Bacau (Roemenië). In Het Concertgebouw maakt de dirigent zijn debuut.

Elīna Garanča, mezzosopraan

Elīna Garanča kwam ter wereld in een muzikale familie in de Letse hoofdstad Riga. Ze studeerde aan het conservatorium aldaar bij haar moeder. Al tijdens haar studie ontdekte ze haar grote affiniteit met het repertoire.

In 1999 won ze het Mirjam Helin Zangconcours in Helsinki. Twee jaar later was ze finalist tijdens de BBC Cardiff Singer of the World Competition en bracht ze haar eerste cd met -’s uit.

Elīna Garanča begon haar carrière als lid van het zangersensemble van het Meininger Staatstheater en vervolgens van de Oper Frankfurt. Met name sinds haar debuut bij de Wiener Staatsoper (2003) vestigde ze haar naam en ontvangt ze uitnodigingen van orkesten en operahuizen wereldwijd.

In 2007 en 2008 zong ze onder leiding van landgenoot Mariss Jansons bij het Concertgebouworkest, in Berio’s Folk Songs respectievelijk de Kerstmatinee.

Recente hoogtepunten waren bijvoorbeeld haar vertolking van prinses Eboli in Verdi’s Don Carlos aan de Opéra National de Paris en haar interpretatie van de vrouwelijke titelrol in Samson et Dalila van Saint-Saëns aan de Wiener Staatsoper.

Twee van Elīna Garanča’s cd’s werden bekroond met een ECHO Klassik, en in het najaar van 2013 presenteerde ze haar boek Wirklich wichtig sind die Schuhe.

Het vorige optreden van Elīna Garanča in de was een recital – met werken van Robert Schumann, Alban Berg en Richard Strauss – met pianist Roger Vignoles in mei 2014.