Concertgebouworkest en Elim Chan: Elgar en Beethoven
Grote Zaal 22 april 2026 20.15 uur
Koninklijk Concertgebouworkest
Elim Chan dirigent
Yefim Bronfman piano
Dit programma maakt deel uit van de series B woensdag en B donderdag.
LUDWIG VAN BEETHOVEN (1770-1827)
Pianoconcert nr. 5 in Es gr.t.,
op. 73 (1809)
‘Keizersconcert’
Allegro
Adagio un poco mosso
Rondo: Allegro
pauze ± 21.00 uur
NORIKO KOIDE (1982)
Swaddling Silk and Gossamer Rain (2022)
Nederlandse première
EDWARD ELGAR (1857-1934)
Variations on an Original Theme, op. 36 (1898-99)
‘Enigma-variaties’
Andante
Variatie 1: C.A.E. – L’istesso tempo
Variatie 2: H.D.S.-P. – Allegro
Variatie 3: R.B.T. – Allegretto
Variatie 4: W.M.B. – Allegro di
molto
Variatie 5: R.P.A. – Moderato
Variatie 6: Ysobel – Andantino
Variatie 7: Troyte – Presto
Variatie 8: W.N. – Allegretto
Variatie 9: Nimrod – Adagio
Variatie 10: Dorabella –
Intermezzo: Allegretto
Variatie 11: G.R.S. – Allegro di
molto
Variatie 12: B.G.N. – Andante
Variatie 13: *** – Romanza:
Moderato
Variatie 14: E.D.U. – Finale: Allegro
einde ± 22.20 uur
Dit concert wordt mede mogelijk gemaakt door het Fonds Toonaangevende vrouwen in muziek.

Koninklijk Concertgebouworkest
Elim Chan dirigent
Yefim Bronfman piano
Dit programma maakt deel uit van de series B woensdag en B donderdag.
LUDWIG VAN BEETHOVEN (1770-1827)
Pianoconcert nr. 5 in Es gr.t.,
op. 73 (1809)
‘Keizersconcert’
Allegro
Adagio un poco mosso
Rondo: Allegro
pauze ± 21.00 uur
NORIKO KOIDE (1982)
Swaddling Silk and Gossamer Rain (2022)
Nederlandse première
EDWARD ELGAR (1857-1934)
Variations on an Original Theme, op. 36 (1898-99)
‘Enigma-variaties’
Andante
Variatie 1: C.A.E. – L’istesso tempo
Variatie 2: H.D.S.-P. – Allegro
Variatie 3: R.B.T. – Allegretto
Variatie 4: W.M.B. – Allegro di
molto
Variatie 5: R.P.A. – Moderato
Variatie 6: Ysobel – Andantino
Variatie 7: Troyte – Presto
Variatie 8: W.N. – Allegretto
Variatie 9: Nimrod – Adagio
Variatie 10: Dorabella –
Intermezzo: Allegretto
Variatie 11: G.R.S. – Allegro di
molto
Variatie 12: B.G.N. – Andante
Variatie 13: *** – Romanza:
Moderato
Variatie 14: E.D.U. – Finale: Allegro
einde ± 22.20 uur
Dit concert wordt mede mogelijk gemaakt door het Fonds Toonaangevende vrouwen in muziek.

Toelichting
Ludwig van Beethoven (1770-1827)
Vijfde pianoconcert
In het vroeg-negentiende-eeuwse Wenen hoorde je niet alleen muzikale meesterwerken, maar minstens evenveel kanongebulder: de troepen van Napoleon rukten op.
Beethoven, met zijn groeiende doofheid, moest het oorlogstumult met welluidender klanken van repliek dienen
Ludwig van Beethoven werd na de dood van Wolfgang Amadeus Mozart en Joseph Haydn de belangrijkste componist en aldus degene die, met zijn groeiende doofheid, het oorlogstumult met welluidender klanken van repliek moest dienen; geen gemakkelijke taak. Maatschappelijke en persoonlijke rampspoed hebben Beethoven evenzeer gehinderd als boven zichzelf uit doen stijgen. Een componist die volhardt ondanks oorlog en doofheid, die het muzikale stramien doorbreekt, die de emancipatie van de autonome kunstenaar een zet geeft, die in conflicten de eer aan zichzelf houdt en die desondanks hogelijk gewaardeerd wordt – zo iemand groeit uit tot een symbool, met meer dan muziekhistorische waarde.
Tijdens de Romantiek, waar Beethoven op z’n minst een voorbode van was, werd zijn grandeur benadrukt door onder anderen Robert Schumann en Richard Wagner – twee componisten voor wie ‘het goddelijke’ een werkbaar begrip was en die niet aarzelden Beethoven een plaats in hun persoonlijke pantheon te geven. En Franz Liszt beschouwde hem als ‘de rookzuil die de weg naar het Beloofde Land wees’. Die ‘rookzuil’ – een fraaie metafoor in dit verband – wijst niet alleen op een vurig muzikaal genie, maar evenzeer op de verhitte gemoederen in de Europese maatschappij. Beethovens tijd was de tijd van Oostenrijks oorlog met het Ottomaanse Rijk, van schermutselingen tussen Frankrijk en Engeland en van de Franse Revolutie – gebeurtenissen die, ondanks hun chaotische verloop, een nieuwe orde schiepen. Te midden van alle turbulentie, in 1809, componeerde Beethoven zijn Vijfde pianoconcert.
De landelijke rust die hem kort daarvoor nog aanzette tot zijn Zesde symfonie (de ‘Pastorale’) lag nu buiten zijn bereik: Napoleons belegering van Wenen dwong zelfs tot sluiting van de stadsparken en beroofde Beethoven aldus van een belangrijke rust- en inspiratiebron. Een lichtpunt vormde het contract dat hij eerder dat jaar gesloten had met drie van zijn belangrijkste broodheren. Aartshertog Rudolf – die tevens zijn compositieleerling was en aan wie het Vijfde pianoconcert is opgedragen –, prins Lobkowitz en prins Kinsky garandeerden hem een jaarlijks inkomen, op voorwaarde dat hij de rest van zijn leven in Weens dienstverband zou blijven, een tot dan toe ongehoord staaltje kunstsubsidie.
Later zou blijken dat het beloofde stipendium door de oorlogsinflatie niet verzilverd kon worden, maar het Vijfde pianoconcert getuigt nog van Beethovens onvoorwaardelijke vertrouwen in de aristocratie. Misschien pakte daarom de perskritiek bij de Weense première zo negatief uit. ‘Beethoven, vol trots en zelfvertrouwen, weigert om muziek voor de massa te schrijven,’ smaalde een recensent, ‘en kan alleen door een elite begrepen en gewaardeerd worden.’ Mede door het ‘nobele’ gehalte van de muziek kreeg het concert later de bijnaam ‘Kaiserkonzert’ – een misleidende titel, want Beethoven koesterde weinig sympathie voor de twee keizers die op dat moment actueel waren: de Oostenrijkse keizer Franz I had het land in de misère gestort door zijn nederlaag tegen Frankrijk en Napoleon was in Beethovens ogen al eerder afgezakt tot het niveau van een eerzuchtige tiran.
In het vroeg-negentiende-eeuwse Wenen hoorde je niet alleen muzikale meesterwerken, maar minstens evenveel kanongebulder: de troepen van Napoleon rukten op.
Beethoven, met zijn groeiende doofheid, moest het oorlogstumult met welluidender klanken van repliek dienen
Ludwig van Beethoven werd na de dood van Wolfgang Amadeus Mozart en Joseph Haydn de belangrijkste componist en aldus degene die, met zijn groeiende doofheid, het oorlogstumult met welluidender klanken van repliek moest dienen; geen gemakkelijke taak. Maatschappelijke en persoonlijke rampspoed hebben Beethoven evenzeer gehinderd als boven zichzelf uit doen stijgen. Een componist die volhardt ondanks oorlog en doofheid, die het muzikale stramien doorbreekt, die de emancipatie van de autonome kunstenaar een zet geeft, die in conflicten de eer aan zichzelf houdt en die desondanks hogelijk gewaardeerd wordt – zo iemand groeit uit tot een symbool, met meer dan muziekhistorische waarde.
Tijdens de Romantiek, waar Beethoven op z’n minst een voorbode van was, werd zijn grandeur benadrukt door onder anderen Robert Schumann en Richard Wagner – twee componisten voor wie ‘het goddelijke’ een werkbaar begrip was en die niet aarzelden Beethoven een plaats in hun persoonlijke pantheon te geven. En Franz Liszt beschouwde hem als ‘de rookzuil die de weg naar het Beloofde Land wees’. Die ‘rookzuil’ – een fraaie metafoor in dit verband – wijst niet alleen op een vurig muzikaal genie, maar evenzeer op de verhitte gemoederen in de Europese maatschappij. Beethovens tijd was de tijd van Oostenrijks oorlog met het Ottomaanse Rijk, van schermutselingen tussen Frankrijk en Engeland en van de Franse Revolutie – gebeurtenissen die, ondanks hun chaotische verloop, een nieuwe orde schiepen. Te midden van alle turbulentie, in 1809, componeerde Beethoven zijn Vijfde pianoconcert.
De landelijke rust die hem kort daarvoor nog aanzette tot zijn Zesde symfonie (de ‘Pastorale’) lag nu buiten zijn bereik: Napoleons belegering van Wenen dwong zelfs tot sluiting van de stadsparken en beroofde Beethoven aldus van een belangrijke rust- en inspiratiebron. Een lichtpunt vormde het contract dat hij eerder dat jaar gesloten had met drie van zijn belangrijkste broodheren. Aartshertog Rudolf – die tevens zijn compositieleerling was en aan wie het Vijfde pianoconcert is opgedragen –, prins Lobkowitz en prins Kinsky garandeerden hem een jaarlijks inkomen, op voorwaarde dat hij de rest van zijn leven in Weens dienstverband zou blijven, een tot dan toe ongehoord staaltje kunstsubsidie.
Later zou blijken dat het beloofde stipendium door de oorlogsinflatie niet verzilverd kon worden, maar het Vijfde pianoconcert getuigt nog van Beethovens onvoorwaardelijke vertrouwen in de aristocratie. Misschien pakte daarom de perskritiek bij de Weense première zo negatief uit. ‘Beethoven, vol trots en zelfvertrouwen, weigert om muziek voor de massa te schrijven,’ smaalde een recensent, ‘en kan alleen door een elite begrepen en gewaardeerd worden.’ Mede door het ‘nobele’ gehalte van de muziek kreeg het concert later de bijnaam ‘Kaiserkonzert’ – een misleidende titel, want Beethoven koesterde weinig sympathie voor de twee keizers die op dat moment actueel waren: de Oostenrijkse keizer Franz I had het land in de misère gestort door zijn nederlaag tegen Frankrijk en Napoleon was in Beethovens ogen al eerder afgezakt tot het niveau van een eerzuchtige tiran.
Noriko Koide (1982)
Swaddling Silk and Gossamer Rain
Noriko Koide studeerde compositie in Tokio, Amsterdam en Den Haag. In Surakarta op Java verdiepte ze zich in de uitvoering en theorie van Javaanse gamelan, waarna ze zocht naar manieren om westerse en oosterse compositiemethoden te laten versmelten tot een eigen muziektaal. Sinds ze in 2018 haar focus verlegde van kamermuziek naar orkestwerken, waarin haar sensitiviteit voor klankkleur en textuur optimaal tot zijn recht komt, slaagt ze hier wonderwel in. ‘De westerse muziektaal en de taal van de gamelan willen vaak precies in tegengestelde richting gaan, [maar] ik begin eindelijk het gevoel te krijgen dat Mac en Windows samen geïnstalleerd zijn.’
Een opdracht van BBC Radio 3 leidde tot Swaddling Silk and Gossamer Rain (‘Wikkelzijde en ragfijne regen’), haar meest succesvolle werk tot nu toe. Het ging op 29 oktober 2022 in première in Osaka door het BBC Symphony Orchestra onder leiding van Dalia Stasevska. Elim Chan leidde het werk vervolgens – met hetzelfde orkest – in juli 2023 op de BBC Proms in Londen. Na uitvoeringen met de Münchner Philharmoniker in maart en de concerten van deze week in Amsterdam neemt Gustavo Dudamel het stokje over: hij verzorgt in mei de Amerikaanse première met de New York Philharmonic. De triomftocht van het werk heeft alles te maken met de effectieve manier waarop Koide met subtiele innovatieve speelwijzen een evocatieve, soms licht verontrustende klankwereld oproept. Technieken als ‘the rain lips’ (een met de lippen geproduceerd zacht spetterend geluid) en ‘con la matita battuta’ (waarbij de strijkers een potlood laten schuiven en ratelen tussen twee snaren) resulteren in fluisterzachte ruisachtige klanken, met incidentele harp-, piano- en vibrafoonaccenten. Op dit akoestische canvas verschijnen een voor een – als penseelstreken – tonen en akkoorden. Twee keer bloeien ze op tot een weelderige kleurentuin – om zich vervolgens weer terug te trekken en op te lossen in zuchtende, schuivende, tikkende en spetterende bijna-stilte.
Noriko Koide studeerde compositie in Tokio, Amsterdam en Den Haag. In Surakarta op Java verdiepte ze zich in de uitvoering en theorie van Javaanse gamelan, waarna ze zocht naar manieren om westerse en oosterse compositiemethoden te laten versmelten tot een eigen muziektaal. Sinds ze in 2018 haar focus verlegde van kamermuziek naar orkestwerken, waarin haar sensitiviteit voor klankkleur en textuur optimaal tot zijn recht komt, slaagt ze hier wonderwel in. ‘De westerse muziektaal en de taal van de gamelan willen vaak precies in tegengestelde richting gaan, [maar] ik begin eindelijk het gevoel te krijgen dat Mac en Windows samen geïnstalleerd zijn.’
Een opdracht van BBC Radio 3 leidde tot Swaddling Silk and Gossamer Rain (‘Wikkelzijde en ragfijne regen’), haar meest succesvolle werk tot nu toe. Het ging op 29 oktober 2022 in première in Osaka door het BBC Symphony Orchestra onder leiding van Dalia Stasevska. Elim Chan leidde het werk vervolgens – met hetzelfde orkest – in juli 2023 op de BBC Proms in Londen. Na uitvoeringen met de Münchner Philharmoniker in maart en de concerten van deze week in Amsterdam neemt Gustavo Dudamel het stokje over: hij verzorgt in mei de Amerikaanse première met de New York Philharmonic. De triomftocht van het werk heeft alles te maken met de effectieve manier waarop Koide met subtiele innovatieve speelwijzen een evocatieve, soms licht verontrustende klankwereld oproept. Technieken als ‘the rain lips’ (een met de lippen geproduceerd zacht spetterend geluid) en ‘con la matita battuta’ (waarbij de strijkers een potlood laten schuiven en ratelen tussen twee snaren) resulteren in fluisterzachte ruisachtige klanken, met incidentele harp-, piano- en vibrafoonaccenten. Op dit akoestische canvas verschijnen een voor een – als penseelstreken – tonen en akkoorden. Twee keer bloeien ze op tot een weelderige kleurentuin – om zich vervolgens weer terug te trekken en op te lossen in zuchtende, schuivende, tikkende en spetterende bijna-stilte.
Edward Elgar (1857-1934)
Enigma-variaties
Edward Elgars grote doorbraak waren de Variations on an Original Theme, beter bekend als de ‘Enigma-variaties’. Het thema ervoor ontstaat op 21 oktober 1898, als Elgar na het avondeten aan de piano losjes zit te improviseren. Zijn vrouw Alice onderbreekt hem en wijst hem op een bijzondere vondst. Elgar realiseert zich dan pas dat hij inderdaad een mooie melodie op het spoor is. Overigens citeert hij daarin, bewust of niet, vrij letterlijk uit Mozarts Symfonie nr. 38, de ‘Praagse’, en wel uit het tweede deel. Elgar had dat werk kort tevoren nog gehoord. Zo wordt het thema van Elgars beroemdste werk geboren. Over dat thema breken musicologen zich sindsdien het hoofd. Volgens Elgar zelf past er namelijk een tegenstem op (of onder) zijn melodie. Dat contrapunt vormt, zegt de componist, van zichzelf een heel beroemde wijs. Wat die is, is het grote ‘enigma’. Alle oplossingen die tijdens zijn leven worden gesuggereerd wijst Elgar van de hand: het is niet Auld Lang Syne, en het is ook niet God Save the Queen – ‘Natuurlijk niet,’ aldus Elgar, ‘maar het [thema] is zo bekend dat het wel buitengewoon is dat niemand het heeft gevonden.’ De componist neemt het antwoord op het raadsel mee in zijn graf, en over oplossingen die sindsdien zijn voorgesteld bestaat geen overeenstemming.
Een andere vondst van Elgar is dat hij niet zomaar een serie variaties schrijft, maar veertien enigszins cryptische karakterstukken. Elke variatie is een muzikale verwijzing naar iemand uit Elgars persoonlijke kring, en heeft een titel die betrekking heeft op zijn of haar naam. Die verwijzingen zijn overigens wel (bijna helemaal) ontraadseld. Zo staat C.A.E. (variatie 1) voor Caroline Alice, Elgars echtgenote, en verwijst Ysobel (variatie 6) naar Isobel Fitton, een altvioolleerlinge van de componist – de openingsmaat noemt Elgar een etude voor beginnende strijkers. Verreweg de beroemdste variatie is nummer 9, Nimrod. Die is vernoemd naar een jager uit de Bijbel en slaat op Augustus Jaeger, een goede vriend en redacteur bij een muziekuitgeverij. De laatste variatie heet E.D.U.: Edu was Alices koosnaam voor de componist. Het onderwerp van de voorlaatste variatie, een romance zonder titel, is nog omstreden. Mogelijk verwijst ze naar Helen Weaver, Elgars jeugdliefde, die de verloving verbrak en naar Nieuw-Zeeland vertrok. Laat het maar een raadsel blijven.
Edward Elgars grote doorbraak waren de Variations on an Original Theme, beter bekend als de ‘Enigma-variaties’. Het thema ervoor ontstaat op 21 oktober 1898, als Elgar na het avondeten aan de piano losjes zit te improviseren. Zijn vrouw Alice onderbreekt hem en wijst hem op een bijzondere vondst. Elgar realiseert zich dan pas dat hij inderdaad een mooie melodie op het spoor is. Overigens citeert hij daarin, bewust of niet, vrij letterlijk uit Mozarts Symfonie nr. 38, de ‘Praagse’, en wel uit het tweede deel. Elgar had dat werk kort tevoren nog gehoord. Zo wordt het thema van Elgars beroemdste werk geboren. Over dat thema breken musicologen zich sindsdien het hoofd. Volgens Elgar zelf past er namelijk een tegenstem op (of onder) zijn melodie. Dat contrapunt vormt, zegt de componist, van zichzelf een heel beroemde wijs. Wat die is, is het grote ‘enigma’. Alle oplossingen die tijdens zijn leven worden gesuggereerd wijst Elgar van de hand: het is niet Auld Lang Syne, en het is ook niet God Save the Queen – ‘Natuurlijk niet,’ aldus Elgar, ‘maar het [thema] is zo bekend dat het wel buitengewoon is dat niemand het heeft gevonden.’ De componist neemt het antwoord op het raadsel mee in zijn graf, en over oplossingen die sindsdien zijn voorgesteld bestaat geen overeenstemming.
Een andere vondst van Elgar is dat hij niet zomaar een serie variaties schrijft, maar veertien enigszins cryptische karakterstukken. Elke variatie is een muzikale verwijzing naar iemand uit Elgars persoonlijke kring, en heeft een titel die betrekking heeft op zijn of haar naam. Die verwijzingen zijn overigens wel (bijna helemaal) ontraadseld. Zo staat C.A.E. (variatie 1) voor Caroline Alice, Elgars echtgenote, en verwijst Ysobel (variatie 6) naar Isobel Fitton, een altvioolleerlinge van de componist – de openingsmaat noemt Elgar een etude voor beginnende strijkers. Verreweg de beroemdste variatie is nummer 9, Nimrod. Die is vernoemd naar een jager uit de Bijbel en slaat op Augustus Jaeger, een goede vriend en redacteur bij een muziekuitgeverij. De laatste variatie heet E.D.U.: Edu was Alices koosnaam voor de componist. Het onderwerp van de voorlaatste variatie, een romance zonder titel, is nog omstreden. Mogelijk verwijst ze naar Helen Weaver, Elgars jeugdliefde, die de verloving verbrak en naar Nieuw-Zeeland vertrok. Laat het maar een raadsel blijven.
Ludwig van Beethoven (1770-1827)
Vijfde pianoconcert
In het vroeg-negentiende-eeuwse Wenen hoorde je niet alleen muzikale meesterwerken, maar minstens evenveel kanongebulder: de troepen van Napoleon rukten op.
Beethoven, met zijn groeiende doofheid, moest het oorlogstumult met welluidender klanken van repliek dienen
Ludwig van Beethoven werd na de dood van Wolfgang Amadeus Mozart en Joseph Haydn de belangrijkste componist en aldus degene die, met zijn groeiende doofheid, het oorlogstumult met welluidender klanken van repliek moest dienen; geen gemakkelijke taak. Maatschappelijke en persoonlijke rampspoed hebben Beethoven evenzeer gehinderd als boven zichzelf uit doen stijgen. Een componist die volhardt ondanks oorlog en doofheid, die het muzikale stramien doorbreekt, die de emancipatie van de autonome kunstenaar een zet geeft, die in conflicten de eer aan zichzelf houdt en die desondanks hogelijk gewaardeerd wordt – zo iemand groeit uit tot een symbool, met meer dan muziekhistorische waarde.
Tijdens de Romantiek, waar Beethoven op z’n minst een voorbode van was, werd zijn grandeur benadrukt door onder anderen Robert Schumann en Richard Wagner – twee componisten voor wie ‘het goddelijke’ een werkbaar begrip was en die niet aarzelden Beethoven een plaats in hun persoonlijke pantheon te geven. En Franz Liszt beschouwde hem als ‘de rookzuil die de weg naar het Beloofde Land wees’. Die ‘rookzuil’ – een fraaie metafoor in dit verband – wijst niet alleen op een vurig muzikaal genie, maar evenzeer op de verhitte gemoederen in de Europese maatschappij. Beethovens tijd was de tijd van Oostenrijks oorlog met het Ottomaanse Rijk, van schermutselingen tussen Frankrijk en Engeland en van de Franse Revolutie – gebeurtenissen die, ondanks hun chaotische verloop, een nieuwe orde schiepen. Te midden van alle turbulentie, in 1809, componeerde Beethoven zijn Vijfde pianoconcert.
De landelijke rust die hem kort daarvoor nog aanzette tot zijn Zesde symfonie (de ‘Pastorale’) lag nu buiten zijn bereik: Napoleons belegering van Wenen dwong zelfs tot sluiting van de stadsparken en beroofde Beethoven aldus van een belangrijke rust- en inspiratiebron. Een lichtpunt vormde het contract dat hij eerder dat jaar gesloten had met drie van zijn belangrijkste broodheren. Aartshertog Rudolf – die tevens zijn compositieleerling was en aan wie het Vijfde pianoconcert is opgedragen –, prins Lobkowitz en prins Kinsky garandeerden hem een jaarlijks inkomen, op voorwaarde dat hij de rest van zijn leven in Weens dienstverband zou blijven, een tot dan toe ongehoord staaltje kunstsubsidie.
Later zou blijken dat het beloofde stipendium door de oorlogsinflatie niet verzilverd kon worden, maar het Vijfde pianoconcert getuigt nog van Beethovens onvoorwaardelijke vertrouwen in de aristocratie. Misschien pakte daarom de perskritiek bij de Weense première zo negatief uit. ‘Beethoven, vol trots en zelfvertrouwen, weigert om muziek voor de massa te schrijven,’ smaalde een recensent, ‘en kan alleen door een elite begrepen en gewaardeerd worden.’ Mede door het ‘nobele’ gehalte van de muziek kreeg het concert later de bijnaam ‘Kaiserkonzert’ – een misleidende titel, want Beethoven koesterde weinig sympathie voor de twee keizers die op dat moment actueel waren: de Oostenrijkse keizer Franz I had het land in de misère gestort door zijn nederlaag tegen Frankrijk en Napoleon was in Beethovens ogen al eerder afgezakt tot het niveau van een eerzuchtige tiran.
In het vroeg-negentiende-eeuwse Wenen hoorde je niet alleen muzikale meesterwerken, maar minstens evenveel kanongebulder: de troepen van Napoleon rukten op.
Beethoven, met zijn groeiende doofheid, moest het oorlogstumult met welluidender klanken van repliek dienen
Ludwig van Beethoven werd na de dood van Wolfgang Amadeus Mozart en Joseph Haydn de belangrijkste componist en aldus degene die, met zijn groeiende doofheid, het oorlogstumult met welluidender klanken van repliek moest dienen; geen gemakkelijke taak. Maatschappelijke en persoonlijke rampspoed hebben Beethoven evenzeer gehinderd als boven zichzelf uit doen stijgen. Een componist die volhardt ondanks oorlog en doofheid, die het muzikale stramien doorbreekt, die de emancipatie van de autonome kunstenaar een zet geeft, die in conflicten de eer aan zichzelf houdt en die desondanks hogelijk gewaardeerd wordt – zo iemand groeit uit tot een symbool, met meer dan muziekhistorische waarde.
Tijdens de Romantiek, waar Beethoven op z’n minst een voorbode van was, werd zijn grandeur benadrukt door onder anderen Robert Schumann en Richard Wagner – twee componisten voor wie ‘het goddelijke’ een werkbaar begrip was en die niet aarzelden Beethoven een plaats in hun persoonlijke pantheon te geven. En Franz Liszt beschouwde hem als ‘de rookzuil die de weg naar het Beloofde Land wees’. Die ‘rookzuil’ – een fraaie metafoor in dit verband – wijst niet alleen op een vurig muzikaal genie, maar evenzeer op de verhitte gemoederen in de Europese maatschappij. Beethovens tijd was de tijd van Oostenrijks oorlog met het Ottomaanse Rijk, van schermutselingen tussen Frankrijk en Engeland en van de Franse Revolutie – gebeurtenissen die, ondanks hun chaotische verloop, een nieuwe orde schiepen. Te midden van alle turbulentie, in 1809, componeerde Beethoven zijn Vijfde pianoconcert.
De landelijke rust die hem kort daarvoor nog aanzette tot zijn Zesde symfonie (de ‘Pastorale’) lag nu buiten zijn bereik: Napoleons belegering van Wenen dwong zelfs tot sluiting van de stadsparken en beroofde Beethoven aldus van een belangrijke rust- en inspiratiebron. Een lichtpunt vormde het contract dat hij eerder dat jaar gesloten had met drie van zijn belangrijkste broodheren. Aartshertog Rudolf – die tevens zijn compositieleerling was en aan wie het Vijfde pianoconcert is opgedragen –, prins Lobkowitz en prins Kinsky garandeerden hem een jaarlijks inkomen, op voorwaarde dat hij de rest van zijn leven in Weens dienstverband zou blijven, een tot dan toe ongehoord staaltje kunstsubsidie.
Later zou blijken dat het beloofde stipendium door de oorlogsinflatie niet verzilverd kon worden, maar het Vijfde pianoconcert getuigt nog van Beethovens onvoorwaardelijke vertrouwen in de aristocratie. Misschien pakte daarom de perskritiek bij de Weense première zo negatief uit. ‘Beethoven, vol trots en zelfvertrouwen, weigert om muziek voor de massa te schrijven,’ smaalde een recensent, ‘en kan alleen door een elite begrepen en gewaardeerd worden.’ Mede door het ‘nobele’ gehalte van de muziek kreeg het concert later de bijnaam ‘Kaiserkonzert’ – een misleidende titel, want Beethoven koesterde weinig sympathie voor de twee keizers die op dat moment actueel waren: de Oostenrijkse keizer Franz I had het land in de misère gestort door zijn nederlaag tegen Frankrijk en Napoleon was in Beethovens ogen al eerder afgezakt tot het niveau van een eerzuchtige tiran.
Noriko Koide (1982)
Swaddling Silk and Gossamer Rain
Noriko Koide studeerde compositie in Tokio, Amsterdam en Den Haag. In Surakarta op Java verdiepte ze zich in de uitvoering en theorie van Javaanse gamelan, waarna ze zocht naar manieren om westerse en oosterse compositiemethoden te laten versmelten tot een eigen muziektaal. Sinds ze in 2018 haar focus verlegde van kamermuziek naar orkestwerken, waarin haar sensitiviteit voor klankkleur en textuur optimaal tot zijn recht komt, slaagt ze hier wonderwel in. ‘De westerse muziektaal en de taal van de gamelan willen vaak precies in tegengestelde richting gaan, [maar] ik begin eindelijk het gevoel te krijgen dat Mac en Windows samen geïnstalleerd zijn.’
Een opdracht van BBC Radio 3 leidde tot Swaddling Silk and Gossamer Rain (‘Wikkelzijde en ragfijne regen’), haar meest succesvolle werk tot nu toe. Het ging op 29 oktober 2022 in première in Osaka door het BBC Symphony Orchestra onder leiding van Dalia Stasevska. Elim Chan leidde het werk vervolgens – met hetzelfde orkest – in juli 2023 op de BBC Proms in Londen. Na uitvoeringen met de Münchner Philharmoniker in maart en de concerten van deze week in Amsterdam neemt Gustavo Dudamel het stokje over: hij verzorgt in mei de Amerikaanse première met de New York Philharmonic. De triomftocht van het werk heeft alles te maken met de effectieve manier waarop Koide met subtiele innovatieve speelwijzen een evocatieve, soms licht verontrustende klankwereld oproept. Technieken als ‘the rain lips’ (een met de lippen geproduceerd zacht spetterend geluid) en ‘con la matita battuta’ (waarbij de strijkers een potlood laten schuiven en ratelen tussen twee snaren) resulteren in fluisterzachte ruisachtige klanken, met incidentele harp-, piano- en vibrafoonaccenten. Op dit akoestische canvas verschijnen een voor een – als penseelstreken – tonen en akkoorden. Twee keer bloeien ze op tot een weelderige kleurentuin – om zich vervolgens weer terug te trekken en op te lossen in zuchtende, schuivende, tikkende en spetterende bijna-stilte.
Noriko Koide studeerde compositie in Tokio, Amsterdam en Den Haag. In Surakarta op Java verdiepte ze zich in de uitvoering en theorie van Javaanse gamelan, waarna ze zocht naar manieren om westerse en oosterse compositiemethoden te laten versmelten tot een eigen muziektaal. Sinds ze in 2018 haar focus verlegde van kamermuziek naar orkestwerken, waarin haar sensitiviteit voor klankkleur en textuur optimaal tot zijn recht komt, slaagt ze hier wonderwel in. ‘De westerse muziektaal en de taal van de gamelan willen vaak precies in tegengestelde richting gaan, [maar] ik begin eindelijk het gevoel te krijgen dat Mac en Windows samen geïnstalleerd zijn.’
Een opdracht van BBC Radio 3 leidde tot Swaddling Silk and Gossamer Rain (‘Wikkelzijde en ragfijne regen’), haar meest succesvolle werk tot nu toe. Het ging op 29 oktober 2022 in première in Osaka door het BBC Symphony Orchestra onder leiding van Dalia Stasevska. Elim Chan leidde het werk vervolgens – met hetzelfde orkest – in juli 2023 op de BBC Proms in Londen. Na uitvoeringen met de Münchner Philharmoniker in maart en de concerten van deze week in Amsterdam neemt Gustavo Dudamel het stokje over: hij verzorgt in mei de Amerikaanse première met de New York Philharmonic. De triomftocht van het werk heeft alles te maken met de effectieve manier waarop Koide met subtiele innovatieve speelwijzen een evocatieve, soms licht verontrustende klankwereld oproept. Technieken als ‘the rain lips’ (een met de lippen geproduceerd zacht spetterend geluid) en ‘con la matita battuta’ (waarbij de strijkers een potlood laten schuiven en ratelen tussen twee snaren) resulteren in fluisterzachte ruisachtige klanken, met incidentele harp-, piano- en vibrafoonaccenten. Op dit akoestische canvas verschijnen een voor een – als penseelstreken – tonen en akkoorden. Twee keer bloeien ze op tot een weelderige kleurentuin – om zich vervolgens weer terug te trekken en op te lossen in zuchtende, schuivende, tikkende en spetterende bijna-stilte.
Edward Elgar (1857-1934)
Enigma-variaties
Edward Elgars grote doorbraak waren de Variations on an Original Theme, beter bekend als de ‘Enigma-variaties’. Het thema ervoor ontstaat op 21 oktober 1898, als Elgar na het avondeten aan de piano losjes zit te improviseren. Zijn vrouw Alice onderbreekt hem en wijst hem op een bijzondere vondst. Elgar realiseert zich dan pas dat hij inderdaad een mooie melodie op het spoor is. Overigens citeert hij daarin, bewust of niet, vrij letterlijk uit Mozarts Symfonie nr. 38, de ‘Praagse’, en wel uit het tweede deel. Elgar had dat werk kort tevoren nog gehoord. Zo wordt het thema van Elgars beroemdste werk geboren. Over dat thema breken musicologen zich sindsdien het hoofd. Volgens Elgar zelf past er namelijk een tegenstem op (of onder) zijn melodie. Dat contrapunt vormt, zegt de componist, van zichzelf een heel beroemde wijs. Wat die is, is het grote ‘enigma’. Alle oplossingen die tijdens zijn leven worden gesuggereerd wijst Elgar van de hand: het is niet Auld Lang Syne, en het is ook niet God Save the Queen – ‘Natuurlijk niet,’ aldus Elgar, ‘maar het [thema] is zo bekend dat het wel buitengewoon is dat niemand het heeft gevonden.’ De componist neemt het antwoord op het raadsel mee in zijn graf, en over oplossingen die sindsdien zijn voorgesteld bestaat geen overeenstemming.
Een andere vondst van Elgar is dat hij niet zomaar een serie variaties schrijft, maar veertien enigszins cryptische karakterstukken. Elke variatie is een muzikale verwijzing naar iemand uit Elgars persoonlijke kring, en heeft een titel die betrekking heeft op zijn of haar naam. Die verwijzingen zijn overigens wel (bijna helemaal) ontraadseld. Zo staat C.A.E. (variatie 1) voor Caroline Alice, Elgars echtgenote, en verwijst Ysobel (variatie 6) naar Isobel Fitton, een altvioolleerlinge van de componist – de openingsmaat noemt Elgar een etude voor beginnende strijkers. Verreweg de beroemdste variatie is nummer 9, Nimrod. Die is vernoemd naar een jager uit de Bijbel en slaat op Augustus Jaeger, een goede vriend en redacteur bij een muziekuitgeverij. De laatste variatie heet E.D.U.: Edu was Alices koosnaam voor de componist. Het onderwerp van de voorlaatste variatie, een romance zonder titel, is nog omstreden. Mogelijk verwijst ze naar Helen Weaver, Elgars jeugdliefde, die de verloving verbrak en naar Nieuw-Zeeland vertrok. Laat het maar een raadsel blijven.
Edward Elgars grote doorbraak waren de Variations on an Original Theme, beter bekend als de ‘Enigma-variaties’. Het thema ervoor ontstaat op 21 oktober 1898, als Elgar na het avondeten aan de piano losjes zit te improviseren. Zijn vrouw Alice onderbreekt hem en wijst hem op een bijzondere vondst. Elgar realiseert zich dan pas dat hij inderdaad een mooie melodie op het spoor is. Overigens citeert hij daarin, bewust of niet, vrij letterlijk uit Mozarts Symfonie nr. 38, de ‘Praagse’, en wel uit het tweede deel. Elgar had dat werk kort tevoren nog gehoord. Zo wordt het thema van Elgars beroemdste werk geboren. Over dat thema breken musicologen zich sindsdien het hoofd. Volgens Elgar zelf past er namelijk een tegenstem op (of onder) zijn melodie. Dat contrapunt vormt, zegt de componist, van zichzelf een heel beroemde wijs. Wat die is, is het grote ‘enigma’. Alle oplossingen die tijdens zijn leven worden gesuggereerd wijst Elgar van de hand: het is niet Auld Lang Syne, en het is ook niet God Save the Queen – ‘Natuurlijk niet,’ aldus Elgar, ‘maar het [thema] is zo bekend dat het wel buitengewoon is dat niemand het heeft gevonden.’ De componist neemt het antwoord op het raadsel mee in zijn graf, en over oplossingen die sindsdien zijn voorgesteld bestaat geen overeenstemming.
Een andere vondst van Elgar is dat hij niet zomaar een serie variaties schrijft, maar veertien enigszins cryptische karakterstukken. Elke variatie is een muzikale verwijzing naar iemand uit Elgars persoonlijke kring, en heeft een titel die betrekking heeft op zijn of haar naam. Die verwijzingen zijn overigens wel (bijna helemaal) ontraadseld. Zo staat C.A.E. (variatie 1) voor Caroline Alice, Elgars echtgenote, en verwijst Ysobel (variatie 6) naar Isobel Fitton, een altvioolleerlinge van de componist – de openingsmaat noemt Elgar een etude voor beginnende strijkers. Verreweg de beroemdste variatie is nummer 9, Nimrod. Die is vernoemd naar een jager uit de Bijbel en slaat op Augustus Jaeger, een goede vriend en redacteur bij een muziekuitgeverij. De laatste variatie heet E.D.U.: Edu was Alices koosnaam voor de componist. Het onderwerp van de voorlaatste variatie, een romance zonder titel, is nog omstreden. Mogelijk verwijst ze naar Helen Weaver, Elgars jeugdliefde, die de verloving verbrak en naar Nieuw-Zeeland vertrok. Laat het maar een raadsel blijven.
Biografie
Koninklijk Concertgebouworkest, orkest
Al 137 jaar brengt het Koninklijk Concertgebouworkest muziek tot leven. Het Amsterdamse orkest wordt wereldwijd geroemd om zijn unieke klank en zijn veelzijdige repertoire en heeft het voorrecht om met de meest vooraanstaande dirigenten en solisten te mogen samenwerken. Klaus Mäkelä, met wie sinds 2020 een hechte band bestaat, wordt in 2027 chef-dirigent. Zijn voorgangers waren Willem Kes, Willem Mengelberg, Eduard van Beinum, Bernard Haitink, Riccardo Chailly (sinds 2004 conductor emeritus), Mariss Jansons en Daniele Gatti. Iván Fischer is honorair gastdirigent.
Jaarlijks geeft het orkest zo’n 130 concerten. Thuis, in Het Concertgebouw, maar ook in de meest prestigieuze concertzalen wereldwijd. Daarmee is het Concertgebouworkest een ambassadeur voor Nederland. Hare Majesteit Koningin Máxima is beschermvrouwe van het orkest.
Vanaf het begin is veel samengewerkt met componisten. Zo dirigeerden Richard Strauss, Gustav Mahler, Arnold Schönberg en Igor Stravinsky zelf meer dan eens het Concertgebouworkest. Jaarlijks gaan meerdere opdrachtwerken in première.
Het orkest ziet het als zijn verantwoordelijkheid om de kracht van symfonische muziek door te geven. Via de Academie van het Concertgebouworkest en het internationale jeugdorkest Young delen orkestmusici hun kennis, ervaring en liefde voor het vak met volgende generaties. Voor veelbelovende dirigenten zijn er de Ammodo Masterclass en het Bernard Haitink Associate Conductorship. Met vernieuwende concertvormen en uitvoeringen buiten de concertzaal inspireert het orkest nieuwe luisteraars.
Het grootste deel van de inkomsten haalt het Concertgebouworkest uit concerten in binnen- en buitenland. Het orkest is dankbaar voor de steun die het ontvangt van zijn publiek, het Ministerie van OCW, de gemeente Amsterdam, global partners ING, Booking.com en The Magnum Ice Cream Company, en vele sponsoren, fondsen en donateurs wereldwijd.
Bekijk hier alle musici van het Koninklijk Concertgebouworkest
Elim Chan, dirigent
Elim Chan werd geboren in Hongkong en studeerde in de Verenigde Staten aan het Smith College en de University of Michigan. In 2013 maakte ze deel uit van het Bruno Walter Conducting Scholarship en in 2015 volgde ze masterclasses bij Bernard Haitink. In 2014 werd Elim Chan de eerste vrouwelijke winnaar van de Donatella Flick Conducting Competition; dankzij haar overwinning was ze in seizoen 2015/2016 assistent-dirigent bij het London Symphony Orchestra.
Bij de LA Phil maakte ze het seizoen daarop deel uit van het Dudamel Fellowship-programma. Tussen 2019 en 2024 was Elim Chan chef-dirigent van het Antwerp Symphony Orchestra, van 2018 tot 2023 was ze bovendien vaste gastdirigent van het Royal Scottish National Orchestra. In seizoen 2022/2023 was ze artist in residence bij de Wiener Musikverein naast pianist Igor Levit en violiste Isabelle Faust.
Elim Chan dirigeerde onder meer de New York Philharmonic, het Boston Symphony Orchestra, The Cleveland Orchestra, het Orchestre de Paris, het London Symphony Orchestra, het Philharmonia Orchestra, het Royal Liverpool Philharmonic Orchestra, het Toronto Symphony Orchestra, de Hong Kong Philharmonic en de symfonieorkesten van Pittsburgh, Houston, Berkeley, Detroit en Chicago.
Bij het Concertgebouworkest leidde ze op 26 april 2018 het Koningsnachtconcert en in september 2019 zowel Opening Night als het Kinderconcert Assepoester. In augustus 2024 kwam ze terug met werken van Berlioz, Mendelssohn en Prokofjev en in augustus 2025 leidde ze de vijfde editie van het zomerse jeugdproject Concertgebouworkest Young.
Yefim Bronfman, piano
Yefim Bronfman werd geboren in Tasjkent, Oezbekistan (destijds Sovjet-Unie), emigreerde in 1973 met zijn familie naar Israël en begon zijn studie bij Arie Vardi in Tel Aviv. Hij vervolgde zijn opleiding in de Verenigde Staten – aan The Juilliard School, de Marlboro School of Music en het Curtis Institute of Music in Philadelphia bij Rudolf Firkusny, Leon Fleisher en Rudolf Serkin – en werd Amerikaans staatsburger. De pianist deelde het podium met de meeste grote symfonieorkesten.
Zo trad hij in seizoen 2007/2008 als ‘Perspective Artist’ in Carnegie Hall in New York op met zowel het Concertgebouworkest als de Wiener Philharmoniker. In seizoen 2013/2014 was Yefim Bronfman in residence bij de New York Philharmonic. In Europa was hij te gast bij bijvoorbeeld de Berliner en de Münchner Philharmoniker, het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks en de Staatskapelle Dresden.
Bij het Concertgebouworkest soleerde Yefim Bronfman sinds zijn debuut in 1999 in pianoconcerten van onder anderen Brahms, Liszt en Prokofjev en trad hij in 2021/2022 als artist in residence op in het Derde pianoconcert van zowel Beethoven als Rachmaninoff en de wereldpremière van het Pianoconcert, opus 175 van Firsova. In 2023 vergezelde hij het orkest op tournee naar Japan en Zuid-Korea.
Ook met het WDR Sinfonieorchester Köln en de Wiener Philharmoniker was Yefim Bronfman te horen in de Grote Zaal. Solorecitals in Het Concertgebouw gaf hij in maart 2003, november 2011 en februari 2025. Yefim Bronfman werd gelauwerd met onder meer de Avery Fisher Prize en met een eredoctoraat van de Manhattan School of Music.