Borodin Kwartet: Sjostakovitsj cyclus (deel I)
Borodin Kwartet:
Ruben Aharonian viool
Sergey Lomovsky viool
Igor Naidin altviool
Vladimir Balshin cello
Dit concert maakt deel uit van de serie Borodin Kwartet: Sjostakovitsj.
Dmitri Sjostakovitsj (1906-1975)
Tweede strijkkwartet in A gr.t., op. 68 (1944)
Ouverture: Moderato con moto
Recitatief en romance: Adagio
Wals: Allegro
Thema met variaties: Adagio
pauze ± 20.50 uur
Derde strijkkwartet in F gr.t., op. 73 (1946)
Allegretto
Moderato con moto
Allegro non troppo
Adagio
Moderato – Meno mosso – Tempo I – Adagio
einde ± 21.50 uur
Toelichting
Dmitri Sjostakovitsj 1906-1975
Sjostakovitsj: Tweede en Derde strijkkwartet
Door Rutger Helmers
In 2020 bestaat het Borodin Kwartet 75 jaar en in aanloop daarvan presenteert het in de een reeks concerten met alle vijftien strijkkwartetten van Dmitri Sjostakovitsj. De huidige leden eren daarmee de geschiedenis van het kwartet: in de oorspronkelijke bezetting behoorde het Borodin Kwartet, naast het Beethoven Kwartet dat eveneens was opgericht door afgestudeerden van het Moskouse Conservatorium, tot de intimi van de componist en was het gedurende zijn leven een belangrijke vertolker van zijn werk.
De vijftien strijkkwartetten van Sjostakovitsj worden vaak geroemd als monument van de twintigste-eeuwse kamermuziek: ze zijn minstens zo fascinerend als zijn vijftien symfonieën, en tonen een intiemere kant van zijn oeuvre. Sjostakovitsj begon pas relatief laat met het componeren van kwartetten. Zijn Eerste strijkkwartet (dat pas gespeeld zal worden in het laatste concert van de cyclus op 19 oktober), stamt uit 1938 en was naar Sjostakovitsj’ eigen zeggen begonnen als niet meer dan ‘een oefening in het schrijven voor kwartet’. Het Tweede en Derde strijkkwartet, ontstaan in de periode rond het einde van de Tweede Wereldoorlog, zijn veel ambitieuzer van opzet en elk meer dan tweemaal zo lang als het Eerste.
Tweede strijkkwartet
Sjostakovitsj schreef zijn Tweede strijkkwartet in de zomer van 1944 in Ivanovo, op het voormalige landgoed dat de Sovjet-Componistenbond in de Tweede Wereldoorlog had ingericht om haar leden te midden van alle onrust de omstandigheden te bieden voor serieus creatief werk. Hoewel het onmiskenbaar sporen vertoont van de moeilijke tijden waarin het geschreven is, is de oorlog in dit kwartet minder nadrukkelijk aanwezig dan in het naoorlogse Derde strijkkwartet of bijvoorbeeld in de monumentale Zevende en tragische Achtste symfonie, die de componist in de jaren ervoor had voltooid.
Wel sluit dit kwartet aan bij de trend om nationaal-gekleurde werken te schrijven in een folkloristische stijl die het Russische patriottisme aan zou kunnen wakkeren, maar de boodschap is, zoals altijd bij Sjostakovitsj, allerminst eenduidig. Zo begint het stuk in een voorzichtig , maar eindigt het nadrukkelijk in . Bovendien bevat het naast Russische ook sporen van Joodse traditionele muziek, net als het Tweede dat hij in dezelfde zomer voltooide. De twee werken gingen samen in première in Sjostakovitsj’ geliefde Leningrad, dat inmiddels bevrijd was van het lange en verwoestende beleg van de Duitsers.
Het Tweede strijkkwartet is opgedeeld in de gebruikelijke vier delen, die in dit geval titels hebben gekregen die aan een doen denken. De Ouverture opent met een fris en optimistisch , dat verstoord wordt door een nerveus tweede thema bestaande uit hardnekkig herhalende noten en dalende lijnen; de spanning die hierdoor ontstaat wordt nooit echt opgelost. Het tweede deel biedt ruimte voor contemplatie: het heeft een mijmerende, improvisatorisch aandoende van de eerste viool, die voortdurend tegen de lang aangehouden en van de andere instrumenten aan schuurt.
De Romance in dit deel (‘romans’ is in het Russisch de gebruikelijke term om een kunstlied aan te duiden) heeft, net als sommige passages in de Ouverture, een ritme, waarmee vooruitgeblikt wordt op het derde deel, de Wals, die weliswaar het van de zwierige Weense dans heeft maar deze in een bijzonder vervreemdend en verontrustend licht plaatst.
Voor de kenners is in de tumultueuze middensectie van dit derde deel ook een citaat uit de finale van de Vierde symfonie te herkennen, een werk dat de componist in 1936 onder druk had teruggetrokken en dat pas in 1961 in première zou gaan. De variatiereeks in de finale past qua vorm en melodie mooi in de trend van de folkloristisch-geïnspireerde muziek van de oorlogsjaren, maar van de optimistische noot waar de Ouverture mee begon, is uiteindelijk maar weinig over.
Derde strijkkwartet
Het Derde strijkkwartet ging in 1946 in première. Valentin Berlinsky (1925-2008), de cellist die praktisch zijn hele werkzame leven lid van het Borodin Kwartet was, suggereerde in een interview in 2003 dat dit kwartet net als de Zevende symfonie de invasie van de Duitsers tot onderwerp had: ‘Op een dag, toen we gewoon wat zaten – nou ja, en ook wat wodka dronken – zei Dmitri Dmitriëvitsj dat, hoewel dit kwartet geen programma had, zijn idee was dat het eerste deel het rustige sovjetleven verbeeldde.
Niets gebeurde, en alles was rustig. Het tweede deel was het begin van de Tweede Wereldoorlog, maar nog niet in Rusland; nog in het buitenland, in Polen, Tsjechië. Het derde deel is de invasie van het Russische territorium door de tankdivisies, het vierde een requiem voor de doden en het vijfde een filosofische reflectie op het lot van de mens.’
Een dergelijk programma lijkt vooral bedoeld om tegemoet te komen aan de officiële cultuurdoctrine onder Stalin, die eiste dat kunst begrijpelijk en sociaal relevant was. Niettemin lijkt de thematiek van geweld en leed zeker op dit kwartet van toepassing.
Het eerste deel klinkt inderdaad relatief onbezorgd, al is er bij Sjostakovitsj altijd wel ergens een wolk aan de lucht: ook in het vrolijke hoofdthema kan de melodie van het ene op het andere moment in een met een paar extra mollen ‘omlaag’ glijden, een techniek die veel van Sjostakovitsj’ muziek kenmerkt en niet zelden een vervreemdend effect heeft.
Hierna volgen in feite twee ’s: het tweede deel klinkt kil en mechanisch, een geslaagde parodie van het kwaad; het derde is een wilde dans, die opent met scherpe fortissimo akkoorden, die doen denken aan de opening van het beroemde uit Verdi’s Messa da requiem en op belangrijke structurele momenten van dit deel inbreken. Het vierde deel, het , is een indringende treurzang: het emotionele hart van dit kwartet.
Het gaat zonder onderbreking over in het vijfde deel, met als thema een dolende melodie die geenszins het gevoel van een bevredigende ontknoping geeft. Uiteindelijk komt er wel een opgewektere sectie die qua ritme aan het openingsdeel doet denken, maar het bepalende moment is de terugkeer van de treurzang uit het Adagio kort daarna, nu en luid, een intense weergave van pijn of trauma.
De andere melodieën van de finale keren daarna bedeesd weer terug en sterven uiteindelijk langzaam weg. De draad wordt weer opgepakt, maar het leven kan nooit meer hetzelfde zijn, lijkt de boodschap.
Biografie
Borodin Quartet, strijkkwartet
Tachtig jaar geleden, in 1945, vormden vier conservatoriumstudenten het Moskou Filharmonisch Kwartet, dat tien jaar later werd omgedoopt tot het Borodin Quartet. Er waren sindsdien vanzelfsprekend wat wisselingen. Mede-oprichter Mstislav Rostropovitsj werd al in het eerste jaar opgevolgd door Valentin Berlinsky (cellist tot 2007).
Primarius Nikolay Sachenko trad als laatste toe, in september 2022.
De pijlers van het Russische kwartetrepertoire – Borodin, Tsjaikovski, Glinka, Stravinsky, Prokofjev, Schnittke – hebben altijd centraal gestaan, en een bijzondere band heeft het ensemble met het werk van Sjostakovitsj: met die componist werkte het aan al diens vijftien strijkkwartetten. Het Borodin Quartet speelde volledige Sjostakovitsj-cycli in onder meer Wenen, Zürich, Frankfurt, Madrid, Sevilla, Lissabon, Londen, Parijs en New York, en ook in Het Concertgebouw (1991).
In grotere kamermuziekbezettingen deelden de vier strijkers het podium met Sviatoslav Richter, Yuri Bashmet, Michael Collins, Alexei Volodin, Barry Douglas, Mario Brunello, Elisabeth Leonskaja, Christoph Eschenbach, Boris Berezovsky en Nikola Lugansky. Met de Sächsische Staatskapelle Dresden voerden ze de concerten voor strijkkwartet en orkest van Martinů en Schulhoff uit. Het Borodin Quartet geeft graag masterclasses en neemt regelmatig zitting in internationale concoursjury’s.
In de maakte het zijn debuut met twee optredens in april 1969, en bij zijn vijftigjarig bestaan kreeg het kwartet in april 1995 een Concertgebouw Penning. In een van de foyers grenzend aan de Kleine Zaal hangt een schilderij van het Borodin Quartet door Ronald Ophuis, dat werd onthuld ter gelegenheid van het zestigjarig bestaan van het ensemble.
