Close-up Concertgebouworkest: Les Ballets Russes
Kleine Zaal 01 februari 2026 14.15 uur
musici van het Concertgebouworkest:
Emily Beynon fluit
Olivier Patey klarinet
Anneleen Schuitemaker harp
Jeroen Bal piano
Alessandro Di Giacomo viool
Junko Naito viool
Martina Forni altviool
Maartje-Maria den Herder cello
Dit concert maakt deel uit van de serie Close-up: Orkestleden op het Vriendenpodium.
Lees de biografieën van de orkestleden hier of in het programmaboekje dat gratis aan de zaal wordt verstrekt.
LES BALLETS RUSSES
SERGEJ PROKOFJEV (1891-1953)
Sonate in D gr.t., op. 94 (1942-43)
voor fluit en piano
Moderato
Allegretto scherzando
Andante
Allegro con brio
IGOR STRAVINSKY (1882-1971)
Suite uit ‘Histoire du Soldat’ (1918, suite 1919)
voor viool, klarinet en piano
Marche du Soldat
Le Violon du Soldat
Petit concert
Tango – Valse – Rag
Danse du Diable
pauze ± 15.00 uur
CLAUDE DEBUSSY (1862-1918)
Prélude à l’après-midi d’un faune (1891-94; oorspronkelijk voor orkest, bewerking voor ensemble door Jana Machalett, 2020)
MAURICE RAVEL (1875-1737)
Sonate (1920-22)
voor viool en cello
Allegro
Très vif
Lent
Vif, avec entrain
Introduction et Allegro (1905)
voor harp, fluit, klarinet en strijkkwartet
Introduction. Très lent
Allegro
einde ± 16.20 uur
musici van het Concertgebouworkest:
Emily Beynon fluit
Olivier Patey klarinet
Anneleen Schuitemaker harp
Jeroen Bal piano
Alessandro Di Giacomo viool
Junko Naito viool
Martina Forni altviool
Maartje-Maria den Herder cello
Dit concert maakt deel uit van de serie Close-up: Orkestleden op het Vriendenpodium.
Lees de biografieën van de orkestleden hier of in het programmaboekje dat gratis aan de zaal wordt verstrekt.
LES BALLETS RUSSES
SERGEJ PROKOFJEV (1891-1953)
Sonate in D gr.t., op. 94 (1942-43)
voor fluit en piano
Moderato
Allegretto scherzando
Andante
Allegro con brio
IGOR STRAVINSKY (1882-1971)
Suite uit ‘Histoire du Soldat’ (1918, suite 1919)
voor viool, klarinet en piano
Marche du Soldat
Le Violon du Soldat
Petit concert
Tango – Valse – Rag
Danse du Diable
pauze ± 15.00 uur
CLAUDE DEBUSSY (1862-1918)
Prélude à l’après-midi d’un faune (1891-94; oorspronkelijk voor orkest, bewerking voor ensemble door Jana Machalett, 2020)
MAURICE RAVEL (1875-1737)
Sonate (1920-22)
voor viool en cello
Allegro
Très vif
Lent
Vif, avec entrain
Introduction et Allegro (1905)
voor harp, fluit, klarinet en strijkkwartet
Introduction. Très lent
Allegro
einde ± 16.20 uur
Toelichting
Toelichting
In het Parijs van de jaren 1910 en 1920 bracht Sergej Diaghilev, de impresario van het balletgezelschap Les Ballets Russes, kunstenaars uit meerdere disciplines samen. Zijn opdrachten aan de meest vernieuwende choreografen, kostuum- en decorontwerpers, beeldend kunstenaars en componisten waren een enorme stimulans voor de kunsten. De twee Franse en de twee Russische componisten op dit programma zijn historisch met elkaar verbonden omdat ze allen muziek hebben geschreven voor Les Ballets Russes.
In het Parijs van de jaren 1910 en 1920 bracht Sergej Diaghilev, de impresario van het balletgezelschap Les Ballets Russes, kunstenaars uit meerdere disciplines samen. Zijn opdrachten aan de meest vernieuwende choreografen, kostuum- en decorontwerpers, beeldend kunstenaars en componisten waren een enorme stimulans voor de kunsten. De twee Franse en de twee Russische componisten op dit programma zijn historisch met elkaar verbonden omdat ze allen muziek hebben geschreven voor Les Ballets Russes.
Sergej Prokofjev (1891-1953)
Sonate
In 1942 begon Sergej Prokofjev aan zijn Sonate voor fluit en piano, een opdracht van de Unie van Sovjet-Componisten. Als tussenpersoon fungeerde componist Levon Atovmyan, Prokofjevs vriend en financieel adviseur. En daar had Prokofjev baat bij: aanvankelijk was een bedrag geboden van 4000 roebel, maar uiteindelijk werd het dubbele betaald. Na zijn vertrek uit zijn vaderland, kort na de Russische Revolutie, was Prokofjev in 1936 teruggekeerd. Tijdens de oorlogsjaren was hij druk – hij werkte onder meer aan zijn opera Oorlog en vrede. De fluit had altijd Prokofjevs levendige belangstelling gehad, hij vond het instrument onderbedeeld in de muziekliteratuur en overwoog zelfs een heel concert ervoor te schrijven. In 1943 vroeg Atovmyan de componist hoe het stond met de fluitsonate en voegde eraan toe: ‘Met orkest’! Uiteindelijk ging het werk als Sonate voor fluit en piano in première op 7 december 1943, door Nikolai Ivanovitsj Charkovski, begeleid door Svjatoslav Richter aan de piano. David Oistrach woonde deze première bij; zijn enthousiasme resulteerde in een vioolversie.
In 1942 begon Sergej Prokofjev aan zijn Sonate voor fluit en piano, een opdracht van de Unie van Sovjet-Componisten. Als tussenpersoon fungeerde componist Levon Atovmyan, Prokofjevs vriend en financieel adviseur. En daar had Prokofjev baat bij: aanvankelijk was een bedrag geboden van 4000 roebel, maar uiteindelijk werd het dubbele betaald. Na zijn vertrek uit zijn vaderland, kort na de Russische Revolutie, was Prokofjev in 1936 teruggekeerd. Tijdens de oorlogsjaren was hij druk – hij werkte onder meer aan zijn opera Oorlog en vrede. De fluit had altijd Prokofjevs levendige belangstelling gehad, hij vond het instrument onderbedeeld in de muziekliteratuur en overwoog zelfs een heel concert ervoor te schrijven. In 1943 vroeg Atovmyan de componist hoe het stond met de fluitsonate en voegde eraan toe: ‘Met orkest’! Uiteindelijk ging het werk als Sonate voor fluit en piano in première op 7 december 1943, door Nikolai Ivanovitsj Charkovski, begeleid door Svjatoslav Richter aan de piano. David Oistrach woonde deze première bij; zijn enthousiasme resulteerde in een vioolversie.
Igor Stravinsky (1882-1971)
Suite uit ‘Histoire du Soldat’
Igor Stravinsky schreef zijn Histoire du Soldat oorspronkelijk voor septet (viool, contrabas, trompet, trombone, klarinet, fagot en percussie), plus een verteller, twee acteurs en een danseres. Verhaald wordt hoe de duivel een soldaat verleidt om zijn viool te ruilen voor een boek dat de economische toekomst voorspelt. De soldaat stemt in en leert de duivel viool spelen. Maar eenmaal terug merkt hij dat hij drie jaar weg is geweest (in plaats van drie dagen) en dat iedereen zich van hem afkeert. Het idee was een werk te schrijven dat zo eenvoudig mogelijk te produceren was, in een klein theater of zelfs in de open lucht. Let wel: we schrijven 1918, de Russische Revolutie was koud achter de rug en de Eerste Wereldoorlog woedde nog in alle hevigheid. De première vond plaats in Lausanne en werd gesponsord door Werner Reinhardt, een niet onverdienstelijk amateurklarinettist. Als blijk van dank schonk Stravinsky zijn mecenas het manuscript en transcribeerde speciaal voor hem vijf delen voor viool, klarinet en piano.
Igor Stravinsky schreef zijn Histoire du Soldat oorspronkelijk voor septet (viool, contrabas, trompet, trombone, klarinet, fagot en percussie), plus een verteller, twee acteurs en een danseres. Verhaald wordt hoe de duivel een soldaat verleidt om zijn viool te ruilen voor een boek dat de economische toekomst voorspelt. De soldaat stemt in en leert de duivel viool spelen. Maar eenmaal terug merkt hij dat hij drie jaar weg is geweest (in plaats van drie dagen) en dat iedereen zich van hem afkeert. Het idee was een werk te schrijven dat zo eenvoudig mogelijk te produceren was, in een klein theater of zelfs in de open lucht. Let wel: we schrijven 1918, de Russische Revolutie was koud achter de rug en de Eerste Wereldoorlog woedde nog in alle hevigheid. De première vond plaats in Lausanne en werd gesponsord door Werner Reinhardt, een niet onverdienstelijk amateurklarinettist. Als blijk van dank schonk Stravinsky zijn mecenas het manuscript en transcribeerde speciaal voor hem vijf delen voor viool, klarinet en piano.
Claude Debussy (1862-1918)
Debussy: Prélude à l’après-midi d’un faune
Claude Debussy was evenzeer geïnteresseerd in de schilderkunst als in de eigentijdse literatuur. Daarin domineerde het symbolisme. Vaag, associatief, mysterieus. Met niet al te expliciete beelden. En daarbij – we zitten in de tijd van Sigmund Freud! – het onderbewuste duidelijk aansprekend. De Prélude à l’après-midi d’un faune verwijst hier ook naar. De titel van het op een gedicht van Stéphane Mallarmé gebaseerde orkestwerk geeft het al aan – de dagdromen van een faun. Het mythologische wezen is zelf al tweeslachtig, met zijn hoorns, bokkenpoten en menselijke bovenlijf. Maar dan het gedicht… Het wezen, op een lome zomernamiddag mijmerend over nimfen. Hij kust ze, streelt ze, maar ze blijven ongrijpbaar, en dit alles in een zwoele sfeer. De ambiguïteit wordt al aan het begin verklankt in de fluit: Debussy laat de grondtoon in het midden, en ook daarna lijken de akkoorden niet op te lossen. Om die reden wordt de Prélude vaak gezien als start van de moderne twintigste-eeuwse muziek. Bij de première eind 1894 moest het stuk gebisseerd worden. Al meteen ontstonden arrangementen: Debussy zelf publiceerde een versie voor twee piano’s en Maurice Ravel eentje voor piano vierhandig. En zo werd ook voor Arnold Schönbergs ‘Verein für musikalische Privat-Aufführungen’ in Wenen een versie vervaardigd voor fluit, hobo, klarinet en strijkkwintet, versterkt met piano en harmonium. Op deze traditie bouwde fluitiste Jana Machalett voort bij haar transcriptie voor het Ensemble Lumaka, waar altvioliste Martina Forni ook deel van uitmaakt.
Claude Debussy was evenzeer geïnteresseerd in de schilderkunst als in de eigentijdse literatuur. Daarin domineerde het symbolisme. Vaag, associatief, mysterieus. Met niet al te expliciete beelden. En daarbij – we zitten in de tijd van Sigmund Freud! – het onderbewuste duidelijk aansprekend. De Prélude à l’après-midi d’un faune verwijst hier ook naar. De titel van het op een gedicht van Stéphane Mallarmé gebaseerde orkestwerk geeft het al aan – de dagdromen van een faun. Het mythologische wezen is zelf al tweeslachtig, met zijn hoorns, bokkenpoten en menselijke bovenlijf. Maar dan het gedicht… Het wezen, op een lome zomernamiddag mijmerend over nimfen. Hij kust ze, streelt ze, maar ze blijven ongrijpbaar, en dit alles in een zwoele sfeer. De ambiguïteit wordt al aan het begin verklankt in de fluit: Debussy laat de grondtoon in het midden, en ook daarna lijken de akkoorden niet op te lossen. Om die reden wordt de Prélude vaak gezien als start van de moderne twintigste-eeuwse muziek. Bij de première eind 1894 moest het stuk gebisseerd worden. Al meteen ontstonden arrangementen: Debussy zelf publiceerde een versie voor twee piano’s en Maurice Ravel eentje voor piano vierhandig. En zo werd ook voor Arnold Schönbergs ‘Verein für musikalische Privat-Aufführungen’ in Wenen een versie vervaardigd voor fluit, hobo, klarinet en strijkkwintet, versterkt met piano en harmonium. Op deze traditie bouwde fluitiste Jana Machalett voort bij haar transcriptie voor het Ensemble Lumaka, waar altvioliste Martina Forni ook deel van uitmaakt.
In 1912 maakte Vaslav Nijinski voor Les Ballets Russes een choreografie op de Prélude. Onder meer vanwege de suggestieve bewegingen deed het ballet veel stof opwaaien.
In 1912 maakte Vaslav Nijinski voor Les Ballets Russes een choreografie op de Prélude. Onder meer vanwege de suggestieve bewegingen deed het ballet veel stof opwaaien.
Maurice Ravel (1875-1937)
Ravel
In de tijd dat Arnold Schönberg Debussy’s Prélude à l’après-midi d’un faune arrangeerde, werkte Maurice Ravel aan zijn Sonate voor viool en cello. Na Debussy’s dood werd Ravel de leidende Franse componist. In 1920 publiceerde La Revue musicale een Tombeau de Claude Debussy als herdenking voor deze twee jaar eerder overleden componist.
Dat Ravels miniatuur-harpconcert niet verloren ging is een klein wonder
Hiervoor schreven onder anderen Paul Dukas, Albert Roussel, Béla Bartók, Erik Satie en Manuel de Falla nieuwe composities. Én Ravel. Hij was eraan begonnen in april dat jaar en bracht het eerste deel in; de daarop volgende twee jaar voegde hij er drie delen aan toe. In de woorden van Ravel zelf: ‘Ik geloof dat deze sonate een keerpunt is in de ontwikkeling van mijn carrière. Ik heb de dunheid van textuur tot het uiterste gedreven. Door het afzien van harmonische charme is er een toegenomen nadruk op melodie.’ Inderdaad is het een en al melodie wat de klok slaat, en contrapunt – het volkomen zelfstandig bewegen van de stemmen.
Jaren eerder, in 1905, had Ravel Nederland bezocht. Hij was hierheen gekomen op uitnodiging van enkele vrienden die hem wat afleiding wilden bezorgen na zijn afwijzing voor de Prix de Rome. Maar Ravel liet zich niet uit het veld slaan: deze periode wordt gekenmerkt door een grote productiviteit. In deze tijd ontstond onder meer Introduction et Allegro, een opdracht van harpiste Micheline Kahn. In feite betrof het een promotie van de Érard-harp; Érard koos voor de dubbelpedaalharp, terwijl concurrent Pleyel het zocht in een volledig chromatische. Dat Ravels miniatuur-harpconcert niet verloren ging is een klein wonder. Toen zijn vrienden hem uitnodigden voor een bootreisje, weigerde Ravel; hij wilde eerst de Introduction et Allegro voltooien. Op het allerlaatste moment veranderde hij echter van gedachten: met de partituur onder zijn arm schoot hij een zaak in om nog wat kleren te kopen en daar vergat hij zijn manuscript. Gelukkig onderkende de kleermaker, zelf amateurmusicus, het belang van het werk: hij zorgde ervoor dat het behouden bleef.
In de tijd dat Arnold Schönberg Debussy’s Prélude à l’après-midi d’un faune arrangeerde, werkte Maurice Ravel aan zijn Sonate voor viool en cello. Na Debussy’s dood werd Ravel de leidende Franse componist. In 1920 publiceerde La Revue musicale een Tombeau de Claude Debussy als herdenking voor deze twee jaar eerder overleden componist.
Dat Ravels miniatuur-harpconcert niet verloren ging is een klein wonder
Hiervoor schreven onder anderen Paul Dukas, Albert Roussel, Béla Bartók, Erik Satie en Manuel de Falla nieuwe composities. Én Ravel. Hij was eraan begonnen in april dat jaar en bracht het eerste deel in; de daarop volgende twee jaar voegde hij er drie delen aan toe. In de woorden van Ravel zelf: ‘Ik geloof dat deze sonate een keerpunt is in de ontwikkeling van mijn carrière. Ik heb de dunheid van textuur tot het uiterste gedreven. Door het afzien van harmonische charme is er een toegenomen nadruk op melodie.’ Inderdaad is het een en al melodie wat de klok slaat, en contrapunt – het volkomen zelfstandig bewegen van de stemmen.
Jaren eerder, in 1905, had Ravel Nederland bezocht. Hij was hierheen gekomen op uitnodiging van enkele vrienden die hem wat afleiding wilden bezorgen na zijn afwijzing voor de Prix de Rome. Maar Ravel liet zich niet uit het veld slaan: deze periode wordt gekenmerkt door een grote productiviteit. In deze tijd ontstond onder meer Introduction et Allegro, een opdracht van harpiste Micheline Kahn. In feite betrof het een promotie van de Érard-harp; Érard koos voor de dubbelpedaalharp, terwijl concurrent Pleyel het zocht in een volledig chromatische. Dat Ravels miniatuur-harpconcert niet verloren ging is een klein wonder. Toen zijn vrienden hem uitnodigden voor een bootreisje, weigerde Ravel; hij wilde eerst de Introduction et Allegro voltooien. Op het allerlaatste moment veranderde hij echter van gedachten: met de partituur onder zijn arm schoot hij een zaak in om nog wat kleren te kopen en daar vergat hij zijn manuscript. Gelukkig onderkende de kleermaker, zelf amateurmusicus, het belang van het werk: hij zorgde ervoor dat het behouden bleef.
Toelichting
In het Parijs van de jaren 1910 en 1920 bracht Sergej Diaghilev, de impresario van het balletgezelschap Les Ballets Russes, kunstenaars uit meerdere disciplines samen. Zijn opdrachten aan de meest vernieuwende choreografen, kostuum- en decorontwerpers, beeldend kunstenaars en componisten waren een enorme stimulans voor de kunsten. De twee Franse en de twee Russische componisten op dit programma zijn historisch met elkaar verbonden omdat ze allen muziek hebben geschreven voor Les Ballets Russes.
In het Parijs van de jaren 1910 en 1920 bracht Sergej Diaghilev, de impresario van het balletgezelschap Les Ballets Russes, kunstenaars uit meerdere disciplines samen. Zijn opdrachten aan de meest vernieuwende choreografen, kostuum- en decorontwerpers, beeldend kunstenaars en componisten waren een enorme stimulans voor de kunsten. De twee Franse en de twee Russische componisten op dit programma zijn historisch met elkaar verbonden omdat ze allen muziek hebben geschreven voor Les Ballets Russes.
Sergej Prokofjev (1891-1953)
Sonate
In 1942 begon Sergej Prokofjev aan zijn Sonate voor fluit en piano, een opdracht van de Unie van Sovjet-Componisten. Als tussenpersoon fungeerde componist Levon Atovmyan, Prokofjevs vriend en financieel adviseur. En daar had Prokofjev baat bij: aanvankelijk was een bedrag geboden van 4000 roebel, maar uiteindelijk werd het dubbele betaald. Na zijn vertrek uit zijn vaderland, kort na de Russische Revolutie, was Prokofjev in 1936 teruggekeerd. Tijdens de oorlogsjaren was hij druk – hij werkte onder meer aan zijn opera Oorlog en vrede. De fluit had altijd Prokofjevs levendige belangstelling gehad, hij vond het instrument onderbedeeld in de muziekliteratuur en overwoog zelfs een heel concert ervoor te schrijven. In 1943 vroeg Atovmyan de componist hoe het stond met de fluitsonate en voegde eraan toe: ‘Met orkest’! Uiteindelijk ging het werk als Sonate voor fluit en piano in première op 7 december 1943, door Nikolai Ivanovitsj Charkovski, begeleid door Svjatoslav Richter aan de piano. David Oistrach woonde deze première bij; zijn enthousiasme resulteerde in een vioolversie.
In 1942 begon Sergej Prokofjev aan zijn Sonate voor fluit en piano, een opdracht van de Unie van Sovjet-Componisten. Als tussenpersoon fungeerde componist Levon Atovmyan, Prokofjevs vriend en financieel adviseur. En daar had Prokofjev baat bij: aanvankelijk was een bedrag geboden van 4000 roebel, maar uiteindelijk werd het dubbele betaald. Na zijn vertrek uit zijn vaderland, kort na de Russische Revolutie, was Prokofjev in 1936 teruggekeerd. Tijdens de oorlogsjaren was hij druk – hij werkte onder meer aan zijn opera Oorlog en vrede. De fluit had altijd Prokofjevs levendige belangstelling gehad, hij vond het instrument onderbedeeld in de muziekliteratuur en overwoog zelfs een heel concert ervoor te schrijven. In 1943 vroeg Atovmyan de componist hoe het stond met de fluitsonate en voegde eraan toe: ‘Met orkest’! Uiteindelijk ging het werk als Sonate voor fluit en piano in première op 7 december 1943, door Nikolai Ivanovitsj Charkovski, begeleid door Svjatoslav Richter aan de piano. David Oistrach woonde deze première bij; zijn enthousiasme resulteerde in een vioolversie.
Igor Stravinsky (1882-1971)
Suite uit ‘Histoire du Soldat’
Igor Stravinsky schreef zijn Histoire du Soldat oorspronkelijk voor septet (viool, contrabas, trompet, trombone, klarinet, fagot en percussie), plus een verteller, twee acteurs en een danseres. Verhaald wordt hoe de duivel een soldaat verleidt om zijn viool te ruilen voor een boek dat de economische toekomst voorspelt. De soldaat stemt in en leert de duivel viool spelen. Maar eenmaal terug merkt hij dat hij drie jaar weg is geweest (in plaats van drie dagen) en dat iedereen zich van hem afkeert. Het idee was een werk te schrijven dat zo eenvoudig mogelijk te produceren was, in een klein theater of zelfs in de open lucht. Let wel: we schrijven 1918, de Russische Revolutie was koud achter de rug en de Eerste Wereldoorlog woedde nog in alle hevigheid. De première vond plaats in Lausanne en werd gesponsord door Werner Reinhardt, een niet onverdienstelijk amateurklarinettist. Als blijk van dank schonk Stravinsky zijn mecenas het manuscript en transcribeerde speciaal voor hem vijf delen voor viool, klarinet en piano.
Igor Stravinsky schreef zijn Histoire du Soldat oorspronkelijk voor septet (viool, contrabas, trompet, trombone, klarinet, fagot en percussie), plus een verteller, twee acteurs en een danseres. Verhaald wordt hoe de duivel een soldaat verleidt om zijn viool te ruilen voor een boek dat de economische toekomst voorspelt. De soldaat stemt in en leert de duivel viool spelen. Maar eenmaal terug merkt hij dat hij drie jaar weg is geweest (in plaats van drie dagen) en dat iedereen zich van hem afkeert. Het idee was een werk te schrijven dat zo eenvoudig mogelijk te produceren was, in een klein theater of zelfs in de open lucht. Let wel: we schrijven 1918, de Russische Revolutie was koud achter de rug en de Eerste Wereldoorlog woedde nog in alle hevigheid. De première vond plaats in Lausanne en werd gesponsord door Werner Reinhardt, een niet onverdienstelijk amateurklarinettist. Als blijk van dank schonk Stravinsky zijn mecenas het manuscript en transcribeerde speciaal voor hem vijf delen voor viool, klarinet en piano.
Claude Debussy (1862-1918)
Debussy: Prélude à l’après-midi d’un faune
Claude Debussy was evenzeer geïnteresseerd in de schilderkunst als in de eigentijdse literatuur. Daarin domineerde het symbolisme. Vaag, associatief, mysterieus. Met niet al te expliciete beelden. En daarbij – we zitten in de tijd van Sigmund Freud! – het onderbewuste duidelijk aansprekend. De Prélude à l’après-midi d’un faune verwijst hier ook naar. De titel van het op een gedicht van Stéphane Mallarmé gebaseerde orkestwerk geeft het al aan – de dagdromen van een faun. Het mythologische wezen is zelf al tweeslachtig, met zijn hoorns, bokkenpoten en menselijke bovenlijf. Maar dan het gedicht… Het wezen, op een lome zomernamiddag mijmerend over nimfen. Hij kust ze, streelt ze, maar ze blijven ongrijpbaar, en dit alles in een zwoele sfeer. De ambiguïteit wordt al aan het begin verklankt in de fluit: Debussy laat de grondtoon in het midden, en ook daarna lijken de akkoorden niet op te lossen. Om die reden wordt de Prélude vaak gezien als start van de moderne twintigste-eeuwse muziek. Bij de première eind 1894 moest het stuk gebisseerd worden. Al meteen ontstonden arrangementen: Debussy zelf publiceerde een versie voor twee piano’s en Maurice Ravel eentje voor piano vierhandig. En zo werd ook voor Arnold Schönbergs ‘Verein für musikalische Privat-Aufführungen’ in Wenen een versie vervaardigd voor fluit, hobo, klarinet en strijkkwintet, versterkt met piano en harmonium. Op deze traditie bouwde fluitiste Jana Machalett voort bij haar transcriptie voor het Ensemble Lumaka, waar altvioliste Martina Forni ook deel van uitmaakt.
Claude Debussy was evenzeer geïnteresseerd in de schilderkunst als in de eigentijdse literatuur. Daarin domineerde het symbolisme. Vaag, associatief, mysterieus. Met niet al te expliciete beelden. En daarbij – we zitten in de tijd van Sigmund Freud! – het onderbewuste duidelijk aansprekend. De Prélude à l’après-midi d’un faune verwijst hier ook naar. De titel van het op een gedicht van Stéphane Mallarmé gebaseerde orkestwerk geeft het al aan – de dagdromen van een faun. Het mythologische wezen is zelf al tweeslachtig, met zijn hoorns, bokkenpoten en menselijke bovenlijf. Maar dan het gedicht… Het wezen, op een lome zomernamiddag mijmerend over nimfen. Hij kust ze, streelt ze, maar ze blijven ongrijpbaar, en dit alles in een zwoele sfeer. De ambiguïteit wordt al aan het begin verklankt in de fluit: Debussy laat de grondtoon in het midden, en ook daarna lijken de akkoorden niet op te lossen. Om die reden wordt de Prélude vaak gezien als start van de moderne twintigste-eeuwse muziek. Bij de première eind 1894 moest het stuk gebisseerd worden. Al meteen ontstonden arrangementen: Debussy zelf publiceerde een versie voor twee piano’s en Maurice Ravel eentje voor piano vierhandig. En zo werd ook voor Arnold Schönbergs ‘Verein für musikalische Privat-Aufführungen’ in Wenen een versie vervaardigd voor fluit, hobo, klarinet en strijkkwintet, versterkt met piano en harmonium. Op deze traditie bouwde fluitiste Jana Machalett voort bij haar transcriptie voor het Ensemble Lumaka, waar altvioliste Martina Forni ook deel van uitmaakt.
In 1912 maakte Vaslav Nijinski voor Les Ballets Russes een choreografie op de Prélude. Onder meer vanwege de suggestieve bewegingen deed het ballet veel stof opwaaien.
In 1912 maakte Vaslav Nijinski voor Les Ballets Russes een choreografie op de Prélude. Onder meer vanwege de suggestieve bewegingen deed het ballet veel stof opwaaien.
Maurice Ravel (1875-1937)
Ravel
In de tijd dat Arnold Schönberg Debussy’s Prélude à l’après-midi d’un faune arrangeerde, werkte Maurice Ravel aan zijn Sonate voor viool en cello. Na Debussy’s dood werd Ravel de leidende Franse componist. In 1920 publiceerde La Revue musicale een Tombeau de Claude Debussy als herdenking voor deze twee jaar eerder overleden componist.
Dat Ravels miniatuur-harpconcert niet verloren ging is een klein wonder
Hiervoor schreven onder anderen Paul Dukas, Albert Roussel, Béla Bartók, Erik Satie en Manuel de Falla nieuwe composities. Én Ravel. Hij was eraan begonnen in april dat jaar en bracht het eerste deel in; de daarop volgende twee jaar voegde hij er drie delen aan toe. In de woorden van Ravel zelf: ‘Ik geloof dat deze sonate een keerpunt is in de ontwikkeling van mijn carrière. Ik heb de dunheid van textuur tot het uiterste gedreven. Door het afzien van harmonische charme is er een toegenomen nadruk op melodie.’ Inderdaad is het een en al melodie wat de klok slaat, en contrapunt – het volkomen zelfstandig bewegen van de stemmen.
Jaren eerder, in 1905, had Ravel Nederland bezocht. Hij was hierheen gekomen op uitnodiging van enkele vrienden die hem wat afleiding wilden bezorgen na zijn afwijzing voor de Prix de Rome. Maar Ravel liet zich niet uit het veld slaan: deze periode wordt gekenmerkt door een grote productiviteit. In deze tijd ontstond onder meer Introduction et Allegro, een opdracht van harpiste Micheline Kahn. In feite betrof het een promotie van de Érard-harp; Érard koos voor de dubbelpedaalharp, terwijl concurrent Pleyel het zocht in een volledig chromatische. Dat Ravels miniatuur-harpconcert niet verloren ging is een klein wonder. Toen zijn vrienden hem uitnodigden voor een bootreisje, weigerde Ravel; hij wilde eerst de Introduction et Allegro voltooien. Op het allerlaatste moment veranderde hij echter van gedachten: met de partituur onder zijn arm schoot hij een zaak in om nog wat kleren te kopen en daar vergat hij zijn manuscript. Gelukkig onderkende de kleermaker, zelf amateurmusicus, het belang van het werk: hij zorgde ervoor dat het behouden bleef.
In de tijd dat Arnold Schönberg Debussy’s Prélude à l’après-midi d’un faune arrangeerde, werkte Maurice Ravel aan zijn Sonate voor viool en cello. Na Debussy’s dood werd Ravel de leidende Franse componist. In 1920 publiceerde La Revue musicale een Tombeau de Claude Debussy als herdenking voor deze twee jaar eerder overleden componist.
Dat Ravels miniatuur-harpconcert niet verloren ging is een klein wonder
Hiervoor schreven onder anderen Paul Dukas, Albert Roussel, Béla Bartók, Erik Satie en Manuel de Falla nieuwe composities. Én Ravel. Hij was eraan begonnen in april dat jaar en bracht het eerste deel in; de daarop volgende twee jaar voegde hij er drie delen aan toe. In de woorden van Ravel zelf: ‘Ik geloof dat deze sonate een keerpunt is in de ontwikkeling van mijn carrière. Ik heb de dunheid van textuur tot het uiterste gedreven. Door het afzien van harmonische charme is er een toegenomen nadruk op melodie.’ Inderdaad is het een en al melodie wat de klok slaat, en contrapunt – het volkomen zelfstandig bewegen van de stemmen.
Jaren eerder, in 1905, had Ravel Nederland bezocht. Hij was hierheen gekomen op uitnodiging van enkele vrienden die hem wat afleiding wilden bezorgen na zijn afwijzing voor de Prix de Rome. Maar Ravel liet zich niet uit het veld slaan: deze periode wordt gekenmerkt door een grote productiviteit. In deze tijd ontstond onder meer Introduction et Allegro, een opdracht van harpiste Micheline Kahn. In feite betrof het een promotie van de Érard-harp; Érard koos voor de dubbelpedaalharp, terwijl concurrent Pleyel het zocht in een volledig chromatische. Dat Ravels miniatuur-harpconcert niet verloren ging is een klein wonder. Toen zijn vrienden hem uitnodigden voor een bootreisje, weigerde Ravel; hij wilde eerst de Introduction et Allegro voltooien. Op het allerlaatste moment veranderde hij echter van gedachten: met de partituur onder zijn arm schoot hij een zaak in om nog wat kleren te kopen en daar vergat hij zijn manuscript. Gelukkig onderkende de kleermaker, zelf amateurmusicus, het belang van het werk: hij zorgde ervoor dat het behouden bleef.