Nog geen account of wachtwoord vergeten? Ga dan naar concertgebouw.nl

Wat is een cantate?

cantate

Een cantate is een kort, vaak religieus werk voor koor en/of solisten met instrumentale begeleiding.

Hoe klinkt een cantate?

Cantates zijn er in verschillende soorten en maten. Het is een zangstuk (catate is Italiaans voor ‘gezongen werk’) voor solist of koor, met begeleiding van basso continuo of een orkest(je). De bekendste cantates zijn van de hand van Johann Sebastian Bach. Die zijn geschreven voor de Lutherse kerkdiensten, waarin ook het koraal een grote rol had. Het koraal is dan ook vaak de basis van zo’n cantate.

Openingskoor van de cantate 'Ich Elender Mensch', BWV 48 van Johann Sebastian Bach

Een cantate zoals geschreven door Bach is een soort kort oratorium, een compositie met afwisselend instrumentale en vocale muziek van in totaal ongeveer 20 minuten. Er wordt geen verhaal verteld maar gereflecteerd op een les of gebeurtenis uit de Bijbel, gelinkt aan de Lutherse liturgische kalender.

Bach schreef ook een aantal ‘wereldlijke cantates’, luchtige muziekstukken met een vrolijke aanleiding, zoals verjaardagen en bruiloften. Misschien wel de beroemdste onder deze cantates is de ‘Koffiecantate’, BWV211, over een meisje met een ernstige koffieverslaving.

Aria 'Ei wie schmeckt der Coffee süsse', uit Schweigt stille, plaudert nicht, BWV 211 ('Koffiecantate')

Hoe is een cantate opgebouwd?

Een cantate bestaat net zoals een oratorium of passie meestal uit aria’s en recitatieven. Al dan niet voegt de componist hier koren en ensembles aan toe, of in het geval van Bach, vierstemmige zettingen van koralen. Meestal begint een Bach-cantate met een openingskoor, gevolgd door een aantal recitatieven en aria’s. Bach sluit cantates meestal af met een koraal.

Hoe ontwikkelde de cantate zich?

De cantate ontstond in de zeventiende eeuw in Italië, als paraplubegrip voor verschillende soorten vocale muziek. Componisten als Giacomo Carissimi en Barbara Strozzi publiceerden bijvoorbeeld bundels met strofische aria's, bedoeld voor uitvoering in privésfeer, onder de naam 'cantate'. Zij schreven in de 'moderne stijl' van Claudio Monteverdi, met veel aandacht voor expressie en effecten.

Deze stijl werd al snel aangegrepen voor geestelijke muziek, in eerste instantie voor de katholieke kerk. Componist Lodovico Viadana schreef bijvoorbeeld honderd 'heilige concerten' voor vier zangers met basso continuo, naar eigen inzicht aan te vullen met beschikbare instrumenten. Componist Alessandro Grandi leunde nog meer op de 'moderne stijl' van Monteverdi. 

Lutherse componisten als Heinrich Schütz lieten zich inspireren door deze Italiaanse stijl. Schütz componeerde bijvoorbeeld ‘Geistliche Konzerte’, naar het voorbeeld van Viadana en Grandi, en schreef later een zogeheten 'historia' Die sieben Worte Jesu Christi am Kreuz, met naast koorwerken een verhalende, expressieve solorol voor Jezus. (De passie was de bekendste vorm van de 'historia'.) De 'Italiaanse' stijl van Schütz − en later die van Dietrich Buxtehude  staat model voor cantates van Bach en zijn tijdgenoot Georg Philipp Telemann.

Die sieben Worte Jesu Christi am Kreuz, Heinrich Schütz

De Lutherse theoloog en dichter Erdmann Neumeister is verantwoordelijk voor de term 'cantate' als aanduiding voor Lutherse kerkmuziek van na 1700. Hij voegde poëtische teksten toe aan de Bijbelteksten en koralen die tot dan toe op muziek werden gezet, en kneedde het geheel tot een twintig minuten durende voorstelling. Omdat, als gevolg van de 30-jarige oorlog, er veel behoefte was aan een verbindende factor in de Lutherse kerk, won de Neumeister-cantate snel aan populariteit.

Componisten Georg Philipp Telemann en Johann Sebastian Bach schreven cantates naar het model van Neumeister, al gebruikte Bach slechts vijf keer een complete Neumeister-tekst.  

Bach wordt tegenwoordig gezien als de onbetwiste koning van de Duitse cantate. We hebben er ruim 200 van hem over. Telemann was in zijn eigen tijd een stuk meer in trek als cantatecomponist, maar van hem is veel verloren gegaan.