Nog geen account of wachtwoord vergeten? Ga dan naar concertgebouw.nl
notenbeeld

Beethoven: Septet in Es groot

door Jos van der Zanden
14 sep. 2020 14 september 2020

Alles glanst en fonkelt in het Septet in Es groot van Ludwig van Beethoven. Waar zit ’m dat in?

Ludwig van Beethoven

door Joseph Willibrord Mähler, ca 1804

Ludwig van Beethoven

door Joseph Willibrord Mähler, ca 1804

Ludwig van Beethoven

door Joseph Willibrord Mähler, ca 1804

Ludwig van Beethoven

door Joseph Willibrord Mähler, ca 1804

Kunstenaars kijken doorgaans niet graag terug op hun jeugdwerken. Dat is achterhaald, belegen, onvoldoende avontuurlijk. Na een rijke ontwikkeling kijk je niet meer om naar de tijd toen je nog voorgangers en leermeesters volgde. Buitenstaanders zien dat anders. Die hebben een objectievere blik en beoordelen een werk eerder op zijn merites.

In zijn late jaren moest Ludwig van Beethoven (1770-1827) niet veel hebben van muziek die nu tot zijn ‘eerste scheppingsfase’ wordt gerekend, tot 1800. Zijn eerste twee pianoconcerten deed hij af als onbeduidend, en aan zijn eerste zes strijkkwartetten (opus 18) wilde hij evenmin worden herinnerd. Nog kritischer was hij over zijn Septet in Es groot.

‘In de open haard met dat vervloekte ding’, reageerde hij toen een Engelsman hem zei dat juist dat werk in zijn vader­land populair was. De man wilde Beethoven een pluim op de hoed steken, maar kreeg de knip op de neus. Voor Beethoven was het Septet een jeugdzonde. Het herinnerde hem aan conventies, het leerboek, het verplichte nummertje. Vergeten was hij kennelijk dat hij meteen na voltooiing, in 1799, een kopie naar Londen had gestuurd, hopend op uitvoeringen. Als jongeman was hij dus wel degelijk enthousiast geweest.

Dartel spel

Hoe vatten wij het werk nu op? Heel anders dan de rijpe Beethoven natuurlijk. Wie het Septet hoort, vergeet de revolutionaire expressie van de Derde symfonie ‘Eroïca’, de Vijfde symfonie of hartstochtelijke pianosonates. Het is een wereld apart. Het Septet vertegenwoordigt de bloei van de Weense klassieke stijl, waarbij de muzikale parameters (melodie, harmonie, ritme, klankkleur) in balans waren, net als bij Mozart en Haydn.

Alles klopt en past, alles glanst en fonkelt. Er is weinig revolutie maar des te meer subtiele beleving. Er is geen spoor van iets buitenmuzikaals of programmatisch, maar louter gelukzaligheid, gerealiseerd door helder classicisme. Je hoort Beethoven genieten van wat hij in de vingers heeft: een dartel spel met kleuren – in dit geval klarinet, fagot, hoorn, een strijktrio en een zwoele contrabas daaronder.

Koddige triolenloopjes

Toen hij het componeerde, bevond Beethoven zich in de laatste fase van een leer­pro­ces. Hij had syste­matisch alle genres beoefend en was bijna aan het eind van dat parcours. Wat vorm betreft had hij niet veel aspiraties. Met de volgorde Allegro (inclusief langzame inleiding), Adagio, Menuetto, Andante met variaties, Scherzo en Presto (met Andante-inleiding) trad hij onbekommerd in de voetsporen van vooral Mozart. Bij de première waren er overigens minder delen, waarschijnlijk vier; Beethoven breidde het werk uit op verzoek van een uitgever, vermoedelijk door toevoeging van het variatiedeel.

Beethoven toont in zijn Septet geen wilde haren, geen tegendraadsheid. Integendeel, een vriendelijk idioom dringt zich op. Zoals vaak bij Beethoven is dat te horen aan het gebruik van koddige triolenloopjes. In zijn latere werken zijn die schaars, maar in het Septet duiken ze overal op. Ook karakteristiek is het gebruik van een motief van vier noten, voorafgegaan door een versiering, geïntroduceerd in het openingsdeel.

Introductie van het onbekommerde viernootsmotief – met versiering – in het openingsdeel, hier in drievoud te horen

Pathétique

Op plekken waar dit motief in vocale muziek voorkomt, gaat het in de tekst vaak over iets grappigs of lieflijks, zodat die kwalificaties met enige voorzichtigheid ook voor instrumentale muziek gelden. Er klinkt iets onbekommerds in door, speelplezier. Overigens, moderne uitgaven zetten door zo’n klein nootje vaak een schuin streepje. Dat gebruikte Beethoven in zijn manuscripten echter nooit, en musicologen menen daarom (in weerwil van de muziekpraktijk) dat zo’n nootje óp de eerste tel gespeeld moet worden, niet kort daarvóór.

De sfeer van het openingsdeel is in overeenstemming met het motiefje: ontspannen, onderhoudend, beminnelijk. Hoe combineer ik zo effectief mogelijk klarinet, fagot en hoorn – vooral die vraag heeft Beethoven zich gesteld. De (natuur)hoorn interesseerde hem: meteen na het Septet schreef hij een Hoornsonate (opus 17) voor een virtuoos op doorreis.

Het Septet kent een paar lastige akkoordbrekingen voor het instrument. Vooral in het Trio van het Menuetto kan de hoornist zich in de kijker spelen. Kwantitatief is het echter de klarinet die de boventoon voert. Deze ‘Fräulein’ – zoals de klarinet in de negentiende eeuw liefkozend werd genoemd – draagt in vrijwel elk deel zorg voor de lyriek. Bijvoorbeeld in het zangerige Adagio cantabile (tweede deel), een melodie die wat weg heeft van het langzame deel van de ‘Pathétique’-sonate (ook uit 1799).

De lyrische klarinetmelodie in het tweede deel doet denken aan de ‘Pathétique’-sonate

Vakmanschap pur sang

Moeilijk speelbaar is het Septet nergens. Meer dan gemiddelde eisen worden aan de musici niet gesteld. Beethoven deed duidelijk moeite om de amateurmusicus tevreden te stellen. Dat kan de reden zijn geweest waarom hij dit werk zo snel naar Engeland stuurde: daar was het niveau van de muziekbeoefening bijzonder laag; ‘geen pianist kan hier met de ene hand vier en tegelijk met de andere nog eens drie noten spelen’, zoals een tijdgenoot aan Beethoven schreef.

Toch trachtte de componist elk van de instrumenten in de schijnwerpers te zetten. Zelfs de cello krijgt een solopassage, in het Trio van het koddige Scherzo. De hoorn komt even op de voorgrond in het het Andante con moto alla marcia, dat de finale inleidt. De finale is het enige deel waarin flarden contrapunt voorkomen, op heel beperkte schaal.

Hier speelden vast de voorkeuren mee van de dame aan wie het werk werd opgedragen, Maria Theresia, echtgenote van de Oostenrijkse keizer – die hield niet zo van complexiteit. Daarom legde Beethoven zich erop toe om homofone passages perfect in balans te krijgen, zodat het resultaat transparant, akoestisch rijk en evenwichtig was. Een fraai voorbeeld daarvan is het tweede thema in de finale: klarinet en viool dragen de melodie, de fagot klinkt een sext lager; de hoorn, cello en contrabas dragen de harmonie (ritmisch verdeeld) en de altviool geeft een subtiele extra beweging door middel van een sforzando op de tweede tel.

Het tweede thema in de finale is perfect in balans

Het lijkt eenvoudig en haast vanzelfsprekend, zo’n passage, maar dit is vakmanschap pur sang. Geen van de massa tweederangs componisten uit Beethovens omgeving was in staat om zo’n uitgekiende perfectie te evenaren. Juist die uitgebalanceerdheid maakt het spelen van de muziek tot een genot: de gelijkwaardigheid van de stemmen, de klankbalans en het herkenbare idioom geven de musici het gevoel dat ze één zijn in een gezamenlijke harmonie. En dat slaat over op de luisteraar.

Geen wonder dat het Septet al tijdens Beethovens leven overal in Europa uitgroeide tot een tophit. Blijkens kranten was dat ook het geval in Nederland, waar zowat elk convivium musicum het op het repertoire nam. Er verschenen ook spoedig arrangementen, waarvan vooral een versie voor piano vierhandig veel aftrek vond. 

Luistertip

Alvast luisteren? Preludium selecteerde een opname van Beethovens Septet door het Sharoun Ensemble Berlin: 

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.