Bachs Matthäus-Passion door Pygmalion & Raphaël Pichon
Grote Zaal 31 maart 2026 19.30 uur
Pygmalion
Kinderen uit het Nationaal Kinderkoor en Nationaal Jongenskoor instudering Irene Verburg
Raphaël Pichon dirigent
Julian Prégardien tenor
Stéphane Degout bariton
Christian Immler bas-bariton
Julie Roset sopraan
Maïlys de Villoutreys sopraan
Lucile Richardot alt
Paul-Antoine Bénos-Djian alt
Zachary Wilder tenor
Dit programma maakt deel uit van de serie Onsterfelijke Noten.
Dit concert wordt voorzien van boventiteling.
Ook interessant:
- De Matthäus-Passion in het kort
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Matthäus-Passion, BWV 244 (ca. 1727, revisies 1736, 1743-46)
Passio Domini Nostri J.C. secundum Matthaeum
met teksten van Christian Friedrich Henrici, alias Picander
pauze na het eerste deel ± 20.35 uur
einde ± 22.35 uur
Pygmalion
Kinderen uit het Nationaal Kinderkoor en Nationaal Jongenskoor instudering Irene Verburg
Raphaël Pichon dirigent
Julian Prégardien tenor
Stéphane Degout bariton
Christian Immler bas-bariton
Julie Roset sopraan
Maïlys de Villoutreys sopraan
Lucile Richardot alt
Paul-Antoine Bénos-Djian alt
Zachary Wilder tenor
Dit programma maakt deel uit van de serie Onsterfelijke Noten.
Dit concert wordt voorzien van boventiteling.
Ook interessant:
- De Matthäus-Passion in het kort
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Matthäus-Passion, BWV 244 (ca. 1727, revisies 1736, 1743-46)
Passio Domini Nostri J.C. secundum Matthaeum
met teksten van Christian Friedrich Henrici, alias Picander
pauze na het eerste deel ± 20.35 uur
einde ± 22.35 uur
Toelichting
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Matthäus-Passion
Johann Sebastian Bach was net een jaar cantor in Leipzig toen hij op Goede Vrijdag 1724 zijn eerste passie in première bracht. Leipzig had niet, zoals veel andere Duitse steden, een traditie in het uitvoeren van passie-oratoria. De liturgie van Goede Vrijdag was zeer sober, dus de overweldigende Johannes-Passion die Bach in 1724 liet horen moet grote indruk gemaakt hebben op de aanwezigen. Voor 1725 stond oorspronkelijk een tweede passie op het programma, een die was gebaseerd op het evangelie van Mattheüs. Die zou naadloos moeten passen in de cantatejaargang die Bach toen schreef, maar hij legde de lat voor zijn nieuwe passie zo hoog dat het hem niet lukte het werk op tijd af te krijgen. In plaats daarvan voerde hij in 1725 nogmaals de Johannes-Passion uit, maar dan wel in een iets andere versie. Het grootse openingskoor Herr, unser Herrscher verving hij, op dringend verzoek van de kerkbestuurders die het veel te theatraal vonden, door het iets bescheidener O Mensch, bewein dein Sünde gross dat uiteindelijk aan het slot van deel 1 van de Matthäus-Passion terecht zou komen. Die Matthäus-Passion zou in 1727 voor het eerst klinken en we weten dat er ook in 1729 en 1736 uitvoeringen van waren. Uitsluitend in Leipzig, ergens anders heeft Bachs passie tijdens zijn leven nooit geklonken.
Mattheüs vs. Johannes
De Matthäus-Passion is Bachs meest omvangrijke werk en is, in tegenstelling tot de twee andere vocale meesterwerken van later datum, de ‘Hohe Messe’ en het Weihnachtsoratorium, van meet af aan opgezet als een hechte eenheid. De twee delen klonken voor en na de preek in de liturgie. Het evangelie van Mattheüs vertelt het lijdensverhaal op een hele andere manier dan dat van Johannes. Bij Johannes gaat het meer om het verslag van de gebeurtenissen en de implicaties daarvan. Het gaat over waarheid, over het koningschap van Jezus en over allerlei aspecten van de theologie die in het Johannes-evangelie veel aandacht krijgen. Veel minder centraal staat de menselijke maat: wat betekent het lijden en sterven van Jezus voor de gelovigen? Die menselijkheid krijgt bij Mattheüs juist de volle aandacht, en dit resulteerde er bij Bach in dat hij een bredere, meer beschouwende toonzetting van het lijdensverhaal maakte dan in zijn Johannes-Passion.
Vele elementen
De vormen die Bach gebruikte zijn wel dezelfde. Na een veelgelaagd openingskoor ontrolt het verhaal zich. Er is de evangelietekst in eenvoudige recitatiefstijl, nu en dan onderbroken door de turbae (volkskoren), er zijn de koralen en er zijn arioso’s en aria’s. Elk onderdeel heeft een eigen functie. De koralen verklanken het collectief van de gelovigen, de arioso’s of begeleide recitatieven gaan vooraf aan de aria’s en geven een commentaar op wat even daarvoor in de evangelietekst aan de orde is gekomen, de aria’s verklanken de gevoelens van een individuele gelovige. Al die onderdelen houden verband met elkaar, ze volgen elkaar niet zomaar op maar zijn door Bach zeer zorgvuldig gerangschikt en over het hele werk verdeeld. Alle muzikale elementen, zoals aantal maten, toonsoorten en instrumentaties, zijn daarbij van belang.
Johann Sebastian Bach was net een jaar cantor in Leipzig toen hij op Goede Vrijdag 1724 zijn eerste passie in première bracht. Leipzig had niet, zoals veel andere Duitse steden, een traditie in het uitvoeren van passie-oratoria. De liturgie van Goede Vrijdag was zeer sober, dus de overweldigende Johannes-Passion die Bach in 1724 liet horen moet grote indruk gemaakt hebben op de aanwezigen. Voor 1725 stond oorspronkelijk een tweede passie op het programma, een die was gebaseerd op het evangelie van Mattheüs. Die zou naadloos moeten passen in de cantatejaargang die Bach toen schreef, maar hij legde de lat voor zijn nieuwe passie zo hoog dat het hem niet lukte het werk op tijd af te krijgen. In plaats daarvan voerde hij in 1725 nogmaals de Johannes-Passion uit, maar dan wel in een iets andere versie. Het grootse openingskoor Herr, unser Herrscher verving hij, op dringend verzoek van de kerkbestuurders die het veel te theatraal vonden, door het iets bescheidener O Mensch, bewein dein Sünde gross dat uiteindelijk aan het slot van deel 1 van de Matthäus-Passion terecht zou komen. Die Matthäus-Passion zou in 1727 voor het eerst klinken en we weten dat er ook in 1729 en 1736 uitvoeringen van waren. Uitsluitend in Leipzig, ergens anders heeft Bachs passie tijdens zijn leven nooit geklonken.
Mattheüs vs. Johannes
De Matthäus-Passion is Bachs meest omvangrijke werk en is, in tegenstelling tot de twee andere vocale meesterwerken van later datum, de ‘Hohe Messe’ en het Weihnachtsoratorium, van meet af aan opgezet als een hechte eenheid. De twee delen klonken voor en na de preek in de liturgie. Het evangelie van Mattheüs vertelt het lijdensverhaal op een hele andere manier dan dat van Johannes. Bij Johannes gaat het meer om het verslag van de gebeurtenissen en de implicaties daarvan. Het gaat over waarheid, over het koningschap van Jezus en over allerlei aspecten van de theologie die in het Johannes-evangelie veel aandacht krijgen. Veel minder centraal staat de menselijke maat: wat betekent het lijden en sterven van Jezus voor de gelovigen? Die menselijkheid krijgt bij Mattheüs juist de volle aandacht, en dit resulteerde er bij Bach in dat hij een bredere, meer beschouwende toonzetting van het lijdensverhaal maakte dan in zijn Johannes-Passion.
Vele elementen
De vormen die Bach gebruikte zijn wel dezelfde. Na een veelgelaagd openingskoor ontrolt het verhaal zich. Er is de evangelietekst in eenvoudige recitatiefstijl, nu en dan onderbroken door de turbae (volkskoren), er zijn de koralen en er zijn arioso’s en aria’s. Elk onderdeel heeft een eigen functie. De koralen verklanken het collectief van de gelovigen, de arioso’s of begeleide recitatieven gaan vooraf aan de aria’s en geven een commentaar op wat even daarvoor in de evangelietekst aan de orde is gekomen, de aria’s verklanken de gevoelens van een individuele gelovige. Al die onderdelen houden verband met elkaar, ze volgen elkaar niet zomaar op maar zijn door Bach zeer zorgvuldig gerangschikt en over het hele werk verdeeld. Alle muzikale elementen, zoals aantal maten, toonsoorten en instrumentaties, zijn daarbij van belang.
Dood en troost
Wie naar de Matthäus-Passion luistert zal ervaren dat de sfeer, naarmate het verhaal vordert en het moment van de kruisiging nadert, steeds donkerder wordt. Dit bewerkstelligt Bach door steeds verder af te dalen naar toonsoorten met steeds meer verlaagde tonen (mollen), iets wat ook de muzikaal minder geschoolde luisteraar onbewust kan waarnemen. Om uiteindelijk, bij de allerlaatste woorden die Jezus spreekt, uit te komen in bes klein, de toonsoort met het toen maximale aantal mollen (namelijk vijf). Dit is ook het enige moment waarop de woorden van Jezus niet worden begeleid door de strijkers, die we in de rest van de passie wel horen. Nadat de evangelist het verscheiden van Jezus heeft gemeld, keert Bach ineens weer helemaal terug naar een vertrouwd C groot, zonder kruisen of mollen, in het eenvoudige koraal Wenn ich einmal soll scheiden. Vanaf daar worden de toonsoorten en instrumentaties wat lichter en ligt de nadruk sterk op het verklanken van de troost die de luisteraars uit het lijdensverhaal kunnen putten.
Dramatische effecten
Bach componeerde nooit een opera, maar hij wist wel degelijk hoe hij muzikaal drama moest vormgeven. Het frappantste voorbeeld daarvan is in de Matthäus-Passion het moment waarop Pilatus aan het volk – dat dan al een keer om de kruisiging van Jezus heeft geschreeuwd – vraagt: ‘Was hat er denn Übels getan?’ Daarop volgt een arioso van de sopraan, waarna de aria Aus Liebe will mein Heiland sterben de tijd helemaal stil zet. Het schreeuwende volk lijkt nu verder weg dan ooit. Bach gebruikt hier een bijzondere instrumentatie: naast de sopraan klinken een fluit en twee oboi da caccia (‘jachthobo’s’). Die lage hobo’s zorgen voor het fundament; omdat er geen continuo-instrumenten zijn, lijkt de aria te zweven. Maar na de laatste noot worden we met dubbele kracht weer de realiteit in geslingerd: het volk brult nog harder dan tevoren om de dood van Jezus, en de meditatieve sfeer van de in de lucht zwevende aria lijkt verder weg dan ooit. Dit enorme contrast brengt telkens weer een grote schok teweeg bij de luisteraar die zich dan pas ten volle realiseert dat er nu echt geen weg meer terug is: Pilatus is bezweken voor de wil van het volk en Jezus zal sterven. Bach heeft hier alles in de strijd gegooid om zijn luisteraars te doordringen van de ernst van de situatie en dit is natuurlijk lang niet het enige moment in de Matthäus-Passion waarop hij dat doet.
Tijdloos
Wat de kerkgangers er indertijd in Leipzig van hebben gevonden weten we niet, maar het is nauwelijks voor te stellen dat ze dit allemaal gewoon voor kennisgeving hebben aangenomen en overgingen tot de orde van de dag. Dat Bach met zijn Matthäus-Passion een van de iconen van de westerse muziekgeschiedenis heeft voortgebracht zal men anno 1727 in Leipzig evenwel niet hebben kunnen bevroeden. Sterker: toen Felix Mendelssohn in 1829 de toen al volkomen vergeten passie weer wilde uitvoeren werd hem allerwege afgeraden dit te doen. Het was immers muziek die inmiddels niet meer begrepen zou worden en hoogstens nog interessant was voor de studeerkamer. Maar al snel bleek Bachs Matthäus-Passion een werk te zijn dat de context van Bachs tijd en de liturgie ver heeft overstegen.
Dood en troost
Wie naar de Matthäus-Passion luistert zal ervaren dat de sfeer, naarmate het verhaal vordert en het moment van de kruisiging nadert, steeds donkerder wordt. Dit bewerkstelligt Bach door steeds verder af te dalen naar toonsoorten met steeds meer verlaagde tonen (mollen), iets wat ook de muzikaal minder geschoolde luisteraar onbewust kan waarnemen. Om uiteindelijk, bij de allerlaatste woorden die Jezus spreekt, uit te komen in bes klein, de toonsoort met het toen maximale aantal mollen (namelijk vijf). Dit is ook het enige moment waarop de woorden van Jezus niet worden begeleid door de strijkers, die we in de rest van de passie wel horen. Nadat de evangelist het verscheiden van Jezus heeft gemeld, keert Bach ineens weer helemaal terug naar een vertrouwd C groot, zonder kruisen of mollen, in het eenvoudige koraal Wenn ich einmal soll scheiden. Vanaf daar worden de toonsoorten en instrumentaties wat lichter en ligt de nadruk sterk op het verklanken van de troost die de luisteraars uit het lijdensverhaal kunnen putten.
Dramatische effecten
Bach componeerde nooit een opera, maar hij wist wel degelijk hoe hij muzikaal drama moest vormgeven. Het frappantste voorbeeld daarvan is in de Matthäus-Passion het moment waarop Pilatus aan het volk – dat dan al een keer om de kruisiging van Jezus heeft geschreeuwd – vraagt: ‘Was hat er denn Übels getan?’ Daarop volgt een arioso van de sopraan, waarna de aria Aus Liebe will mein Heiland sterben de tijd helemaal stil zet. Het schreeuwende volk lijkt nu verder weg dan ooit. Bach gebruikt hier een bijzondere instrumentatie: naast de sopraan klinken een fluit en twee oboi da caccia (‘jachthobo’s’). Die lage hobo’s zorgen voor het fundament; omdat er geen continuo-instrumenten zijn, lijkt de aria te zweven. Maar na de laatste noot worden we met dubbele kracht weer de realiteit in geslingerd: het volk brult nog harder dan tevoren om de dood van Jezus, en de meditatieve sfeer van de in de lucht zwevende aria lijkt verder weg dan ooit. Dit enorme contrast brengt telkens weer een grote schok teweeg bij de luisteraar die zich dan pas ten volle realiseert dat er nu echt geen weg meer terug is: Pilatus is bezweken voor de wil van het volk en Jezus zal sterven. Bach heeft hier alles in de strijd gegooid om zijn luisteraars te doordringen van de ernst van de situatie en dit is natuurlijk lang niet het enige moment in de Matthäus-Passion waarop hij dat doet.
Tijdloos
Wat de kerkgangers er indertijd in Leipzig van hebben gevonden weten we niet, maar het is nauwelijks voor te stellen dat ze dit allemaal gewoon voor kennisgeving hebben aangenomen en overgingen tot de orde van de dag. Dat Bach met zijn Matthäus-Passion een van de iconen van de westerse muziekgeschiedenis heeft voortgebracht zal men anno 1727 in Leipzig evenwel niet hebben kunnen bevroeden. Sterker: toen Felix Mendelssohn in 1829 de toen al volkomen vergeten passie weer wilde uitvoeren werd hem allerwege afgeraden dit te doen. Het was immers muziek die inmiddels niet meer begrepen zou worden en hoogstens nog interessant was voor de studeerkamer. Maar al snel bleek Bachs Matthäus-Passion een werk te zijn dat de context van Bachs tijd en de liturgie ver heeft overstegen.
Johann Sebastian Bach (1685-1750)
Matthäus-Passion
Johann Sebastian Bach was net een jaar cantor in Leipzig toen hij op Goede Vrijdag 1724 zijn eerste passie in première bracht. Leipzig had niet, zoals veel andere Duitse steden, een traditie in het uitvoeren van passie-oratoria. De liturgie van Goede Vrijdag was zeer sober, dus de overweldigende Johannes-Passion die Bach in 1724 liet horen moet grote indruk gemaakt hebben op de aanwezigen. Voor 1725 stond oorspronkelijk een tweede passie op het programma, een die was gebaseerd op het evangelie van Mattheüs. Die zou naadloos moeten passen in de cantatejaargang die Bach toen schreef, maar hij legde de lat voor zijn nieuwe passie zo hoog dat het hem niet lukte het werk op tijd af te krijgen. In plaats daarvan voerde hij in 1725 nogmaals de Johannes-Passion uit, maar dan wel in een iets andere versie. Het grootse openingskoor Herr, unser Herrscher verving hij, op dringend verzoek van de kerkbestuurders die het veel te theatraal vonden, door het iets bescheidener O Mensch, bewein dein Sünde gross dat uiteindelijk aan het slot van deel 1 van de Matthäus-Passion terecht zou komen. Die Matthäus-Passion zou in 1727 voor het eerst klinken en we weten dat er ook in 1729 en 1736 uitvoeringen van waren. Uitsluitend in Leipzig, ergens anders heeft Bachs passie tijdens zijn leven nooit geklonken.
Mattheüs vs. Johannes
De Matthäus-Passion is Bachs meest omvangrijke werk en is, in tegenstelling tot de twee andere vocale meesterwerken van later datum, de ‘Hohe Messe’ en het Weihnachtsoratorium, van meet af aan opgezet als een hechte eenheid. De twee delen klonken voor en na de preek in de liturgie. Het evangelie van Mattheüs vertelt het lijdensverhaal op een hele andere manier dan dat van Johannes. Bij Johannes gaat het meer om het verslag van de gebeurtenissen en de implicaties daarvan. Het gaat over waarheid, over het koningschap van Jezus en over allerlei aspecten van de theologie die in het Johannes-evangelie veel aandacht krijgen. Veel minder centraal staat de menselijke maat: wat betekent het lijden en sterven van Jezus voor de gelovigen? Die menselijkheid krijgt bij Mattheüs juist de volle aandacht, en dit resulteerde er bij Bach in dat hij een bredere, meer beschouwende toonzetting van het lijdensverhaal maakte dan in zijn Johannes-Passion.
Vele elementen
De vormen die Bach gebruikte zijn wel dezelfde. Na een veelgelaagd openingskoor ontrolt het verhaal zich. Er is de evangelietekst in eenvoudige recitatiefstijl, nu en dan onderbroken door de turbae (volkskoren), er zijn de koralen en er zijn arioso’s en aria’s. Elk onderdeel heeft een eigen functie. De koralen verklanken het collectief van de gelovigen, de arioso’s of begeleide recitatieven gaan vooraf aan de aria’s en geven een commentaar op wat even daarvoor in de evangelietekst aan de orde is gekomen, de aria’s verklanken de gevoelens van een individuele gelovige. Al die onderdelen houden verband met elkaar, ze volgen elkaar niet zomaar op maar zijn door Bach zeer zorgvuldig gerangschikt en over het hele werk verdeeld. Alle muzikale elementen, zoals aantal maten, toonsoorten en instrumentaties, zijn daarbij van belang.
Johann Sebastian Bach was net een jaar cantor in Leipzig toen hij op Goede Vrijdag 1724 zijn eerste passie in première bracht. Leipzig had niet, zoals veel andere Duitse steden, een traditie in het uitvoeren van passie-oratoria. De liturgie van Goede Vrijdag was zeer sober, dus de overweldigende Johannes-Passion die Bach in 1724 liet horen moet grote indruk gemaakt hebben op de aanwezigen. Voor 1725 stond oorspronkelijk een tweede passie op het programma, een die was gebaseerd op het evangelie van Mattheüs. Die zou naadloos moeten passen in de cantatejaargang die Bach toen schreef, maar hij legde de lat voor zijn nieuwe passie zo hoog dat het hem niet lukte het werk op tijd af te krijgen. In plaats daarvan voerde hij in 1725 nogmaals de Johannes-Passion uit, maar dan wel in een iets andere versie. Het grootse openingskoor Herr, unser Herrscher verving hij, op dringend verzoek van de kerkbestuurders die het veel te theatraal vonden, door het iets bescheidener O Mensch, bewein dein Sünde gross dat uiteindelijk aan het slot van deel 1 van de Matthäus-Passion terecht zou komen. Die Matthäus-Passion zou in 1727 voor het eerst klinken en we weten dat er ook in 1729 en 1736 uitvoeringen van waren. Uitsluitend in Leipzig, ergens anders heeft Bachs passie tijdens zijn leven nooit geklonken.
Mattheüs vs. Johannes
De Matthäus-Passion is Bachs meest omvangrijke werk en is, in tegenstelling tot de twee andere vocale meesterwerken van later datum, de ‘Hohe Messe’ en het Weihnachtsoratorium, van meet af aan opgezet als een hechte eenheid. De twee delen klonken voor en na de preek in de liturgie. Het evangelie van Mattheüs vertelt het lijdensverhaal op een hele andere manier dan dat van Johannes. Bij Johannes gaat het meer om het verslag van de gebeurtenissen en de implicaties daarvan. Het gaat over waarheid, over het koningschap van Jezus en over allerlei aspecten van de theologie die in het Johannes-evangelie veel aandacht krijgen. Veel minder centraal staat de menselijke maat: wat betekent het lijden en sterven van Jezus voor de gelovigen? Die menselijkheid krijgt bij Mattheüs juist de volle aandacht, en dit resulteerde er bij Bach in dat hij een bredere, meer beschouwende toonzetting van het lijdensverhaal maakte dan in zijn Johannes-Passion.
Vele elementen
De vormen die Bach gebruikte zijn wel dezelfde. Na een veelgelaagd openingskoor ontrolt het verhaal zich. Er is de evangelietekst in eenvoudige recitatiefstijl, nu en dan onderbroken door de turbae (volkskoren), er zijn de koralen en er zijn arioso’s en aria’s. Elk onderdeel heeft een eigen functie. De koralen verklanken het collectief van de gelovigen, de arioso’s of begeleide recitatieven gaan vooraf aan de aria’s en geven een commentaar op wat even daarvoor in de evangelietekst aan de orde is gekomen, de aria’s verklanken de gevoelens van een individuele gelovige. Al die onderdelen houden verband met elkaar, ze volgen elkaar niet zomaar op maar zijn door Bach zeer zorgvuldig gerangschikt en over het hele werk verdeeld. Alle muzikale elementen, zoals aantal maten, toonsoorten en instrumentaties, zijn daarbij van belang.
Dood en troost
Wie naar de Matthäus-Passion luistert zal ervaren dat de sfeer, naarmate het verhaal vordert en het moment van de kruisiging nadert, steeds donkerder wordt. Dit bewerkstelligt Bach door steeds verder af te dalen naar toonsoorten met steeds meer verlaagde tonen (mollen), iets wat ook de muzikaal minder geschoolde luisteraar onbewust kan waarnemen. Om uiteindelijk, bij de allerlaatste woorden die Jezus spreekt, uit te komen in bes klein, de toonsoort met het toen maximale aantal mollen (namelijk vijf). Dit is ook het enige moment waarop de woorden van Jezus niet worden begeleid door de strijkers, die we in de rest van de passie wel horen. Nadat de evangelist het verscheiden van Jezus heeft gemeld, keert Bach ineens weer helemaal terug naar een vertrouwd C groot, zonder kruisen of mollen, in het eenvoudige koraal Wenn ich einmal soll scheiden. Vanaf daar worden de toonsoorten en instrumentaties wat lichter en ligt de nadruk sterk op het verklanken van de troost die de luisteraars uit het lijdensverhaal kunnen putten.
Dramatische effecten
Bach componeerde nooit een opera, maar hij wist wel degelijk hoe hij muzikaal drama moest vormgeven. Het frappantste voorbeeld daarvan is in de Matthäus-Passion het moment waarop Pilatus aan het volk – dat dan al een keer om de kruisiging van Jezus heeft geschreeuwd – vraagt: ‘Was hat er denn Übels getan?’ Daarop volgt een arioso van de sopraan, waarna de aria Aus Liebe will mein Heiland sterben de tijd helemaal stil zet. Het schreeuwende volk lijkt nu verder weg dan ooit. Bach gebruikt hier een bijzondere instrumentatie: naast de sopraan klinken een fluit en twee oboi da caccia (‘jachthobo’s’). Die lage hobo’s zorgen voor het fundament; omdat er geen continuo-instrumenten zijn, lijkt de aria te zweven. Maar na de laatste noot worden we met dubbele kracht weer de realiteit in geslingerd: het volk brult nog harder dan tevoren om de dood van Jezus, en de meditatieve sfeer van de in de lucht zwevende aria lijkt verder weg dan ooit. Dit enorme contrast brengt telkens weer een grote schok teweeg bij de luisteraar die zich dan pas ten volle realiseert dat er nu echt geen weg meer terug is: Pilatus is bezweken voor de wil van het volk en Jezus zal sterven. Bach heeft hier alles in de strijd gegooid om zijn luisteraars te doordringen van de ernst van de situatie en dit is natuurlijk lang niet het enige moment in de Matthäus-Passion waarop hij dat doet.
Tijdloos
Wat de kerkgangers er indertijd in Leipzig van hebben gevonden weten we niet, maar het is nauwelijks voor te stellen dat ze dit allemaal gewoon voor kennisgeving hebben aangenomen en overgingen tot de orde van de dag. Dat Bach met zijn Matthäus-Passion een van de iconen van de westerse muziekgeschiedenis heeft voortgebracht zal men anno 1727 in Leipzig evenwel niet hebben kunnen bevroeden. Sterker: toen Felix Mendelssohn in 1829 de toen al volkomen vergeten passie weer wilde uitvoeren werd hem allerwege afgeraden dit te doen. Het was immers muziek die inmiddels niet meer begrepen zou worden en hoogstens nog interessant was voor de studeerkamer. Maar al snel bleek Bachs Matthäus-Passion een werk te zijn dat de context van Bachs tijd en de liturgie ver heeft overstegen.
Dood en troost
Wie naar de Matthäus-Passion luistert zal ervaren dat de sfeer, naarmate het verhaal vordert en het moment van de kruisiging nadert, steeds donkerder wordt. Dit bewerkstelligt Bach door steeds verder af te dalen naar toonsoorten met steeds meer verlaagde tonen (mollen), iets wat ook de muzikaal minder geschoolde luisteraar onbewust kan waarnemen. Om uiteindelijk, bij de allerlaatste woorden die Jezus spreekt, uit te komen in bes klein, de toonsoort met het toen maximale aantal mollen (namelijk vijf). Dit is ook het enige moment waarop de woorden van Jezus niet worden begeleid door de strijkers, die we in de rest van de passie wel horen. Nadat de evangelist het verscheiden van Jezus heeft gemeld, keert Bach ineens weer helemaal terug naar een vertrouwd C groot, zonder kruisen of mollen, in het eenvoudige koraal Wenn ich einmal soll scheiden. Vanaf daar worden de toonsoorten en instrumentaties wat lichter en ligt de nadruk sterk op het verklanken van de troost die de luisteraars uit het lijdensverhaal kunnen putten.
Dramatische effecten
Bach componeerde nooit een opera, maar hij wist wel degelijk hoe hij muzikaal drama moest vormgeven. Het frappantste voorbeeld daarvan is in de Matthäus-Passion het moment waarop Pilatus aan het volk – dat dan al een keer om de kruisiging van Jezus heeft geschreeuwd – vraagt: ‘Was hat er denn Übels getan?’ Daarop volgt een arioso van de sopraan, waarna de aria Aus Liebe will mein Heiland sterben de tijd helemaal stil zet. Het schreeuwende volk lijkt nu verder weg dan ooit. Bach gebruikt hier een bijzondere instrumentatie: naast de sopraan klinken een fluit en twee oboi da caccia (‘jachthobo’s’). Die lage hobo’s zorgen voor het fundament; omdat er geen continuo-instrumenten zijn, lijkt de aria te zweven. Maar na de laatste noot worden we met dubbele kracht weer de realiteit in geslingerd: het volk brult nog harder dan tevoren om de dood van Jezus, en de meditatieve sfeer van de in de lucht zwevende aria lijkt verder weg dan ooit. Dit enorme contrast brengt telkens weer een grote schok teweeg bij de luisteraar die zich dan pas ten volle realiseert dat er nu echt geen weg meer terug is: Pilatus is bezweken voor de wil van het volk en Jezus zal sterven. Bach heeft hier alles in de strijd gegooid om zijn luisteraars te doordringen van de ernst van de situatie en dit is natuurlijk lang niet het enige moment in de Matthäus-Passion waarop hij dat doet.
Tijdloos
Wat de kerkgangers er indertijd in Leipzig van hebben gevonden weten we niet, maar het is nauwelijks voor te stellen dat ze dit allemaal gewoon voor kennisgeving hebben aangenomen en overgingen tot de orde van de dag. Dat Bach met zijn Matthäus-Passion een van de iconen van de westerse muziekgeschiedenis heeft voortgebracht zal men anno 1727 in Leipzig evenwel niet hebben kunnen bevroeden. Sterker: toen Felix Mendelssohn in 1829 de toen al volkomen vergeten passie weer wilde uitvoeren werd hem allerwege afgeraden dit te doen. Het was immers muziek die inmiddels niet meer begrepen zou worden en hoogstens nog interessant was voor de studeerkamer. Maar al snel bleek Bachs Matthäus-Passion een werk te zijn dat de context van Bachs tijd en de liturgie ver heeft overstegen.
Biografie
Pygmalion
Lees de biografie
Raphaël Pichon
Lees de biografie
Julian Prégardien
Lees de biografie
Nationaal Kinderkoor en Nationaal Jongenskoor
Lees de biografie
Stéphane Degout
Lees de biografie
Julie Roset
Lees de biografie
Christian Immler
Lees de biografie
Lucile Richardot
Lees de biografie
Paul-Antoine Bénos-Djian
Lees de biografie
Zachary Wilder
Lees de biografiePygmalion, orkest en koor
Pygmalion omvat een koor plus een orkest dat speelt op authentieke instrumenten. Het werd in 2006 opgericht door Raphaël Pichon en onderzoekt de lijnen die Bach verbinden met Mendelssohn, Schütz met Brahms of bijvoorbeeld Rameau met Gluck en Berlioz. Pygmalion herinterpreteert grote werken zoals de Passionen van Bach, de tragédies lyriques van Rameau of de missen van Mozart.
Daarnaast stelt het originele programma’s samen die liaisons tussen composities of componisten blootleggen, zoals Mozart & The Weber Sisters of Stravaganza d’amore over de geboorte van de opera aan het hof van de Medici. In dat concept paste ook de productie Le lacrime di Eros, in de winter van 2024 bij De Nationale Opera. Pygmalion heeft zijn standplaats aan de Opéra National de Bordeaux, waar het ook kamermuziek en laagdrempelige workshops verzorgt onder de noemer Le Kiosque Pygmalion.
Het ensemble staat op de grote Franse podia (Philharmonie de Paris, Opéra Royal de Versailles, Opéra Comique, Festival d’Aix-en-Provence, en operatheaters in het hele land) en reisde ook naar tal van Europese steden, de BBC Proms, Peking en Hongkong. Cd’s werden al vaak bekroond; de opname van Monteverdi’s Mariavespers kreeg in 2024 een Edison Klassiek. Pygmalion was eerder te gast in de NTR ZaterdagMatinee (Brahms in 2021 en 2025, en Elias van Mendelssohn in 2023) en maakte in april 2025 zijn debuut in de Eigen Programmering van Het Concertgebouw met Bachs Johannes-Passion.
Raphaël Pichon, dirigent
Raphaël Pichon studeerde viool, piano en zang in Parijs en werkte als jonge countertenor met Jordi Savall, Gustav Leonhardt en Ton Koopman. In 2006 richtte hij zijn eigen groep Pygmalion op, en veel van hun programma’s geeft hij een dramaturgische benadering.
Opvallende projecten waren het debuut op het festival van Aix-en-Provence met Trauernacht op muziek van Bach, een nieuwe reconstructie van Orfeo van Luigi Rossi, een omvangrijke Bach-serie in de Philharmonie de Paris, een geënsceneerde versie van Ein deutsches Requiem van Brahms in de onderzeebootbasis van Bordeaux en Monteverdi’s Mariavespers in samenwerking met Pierre Audi voor De Nationale Opera tijdens het Holland Festival 2017.
In Aix-en-Provence keerde de dirigent meermaals terug voor Mozart: Die Zauberflöte (2018), het Requiem (2019) en Idomeneo (2022). Raphaël Pichon was ook te gast bij het Mozarteumorchester (Salzburger Festspiele 2018), het Deutsches Symphonie-Orchester Berlin, La Scintilla, Les Violons du Roy en het Freiburger Barockorchester.
In 2021 debuteerde hij bij de Handel and Haydn Society in Boston, waar hij in 2022 terugkeerde voor Mozarts Le nozze di Figaro – een werk dat hij in 2023 ook dirigeerde bij de Wiener Philharmoniker op de Salzburger Festspiele. Onder zijn vele geprezen opnamen zijn Bachs Motetten in combinatie met de Matthäus-Passion, een Bach-en-Händel-cd met sopraan Sabine Devieilhe en Mein Traum met bariton Stéphane Degout. Raphaël Pichon is Officier dans l’Ordre des Arts et des Lettres. In mei debuteert hij bij het Concertgebouworkest.
Julian Prégardien, tenor
Julian Prégardien kreeg zijn eerste muzieklessen aan de Dom St. Georg in Limburg (Hessen). Na studies in Freiburg, Kopenhagen en Aix-en-Provence was hij van 2009 tot 2013 ensemblelid van de opera in zijn geboorteplaats Frankfurt.
Hij was te gast in Aix-en-Provence en de theaters van Hamburg, München en Parijs, en vertolkte rollen als Narraboth in Richard Strauss’ Salomé (Salzburger Festspiele), Tamino in Mozarts Die Zauberflöte (Staatsoper Berlin) en de titelrol van Monteverdi’s L’Orfeo (Versailles).
Julien Prégardien debuteerde in november 2022 bij het Concertgebouworkest in het Requiem van Mozart onder leiding van Klaus Mäkelä en gaf op 14 februari 2023 voor het eerst een recital in de Kleine Zaal – samen met zijn vader, tenor Christoph Prégardien. Toen de zanger in 2023/2024 met onder meer een cd-opname de 200ste verjaardag van Schuberts Die schöne Müllerin vierde, keerde hij naar de Kleine Zaal terug met Kristian Bezuidenhout op fortepiano.
Zijn vorige optreden in Het Concertgebouw was als Evangelist in Bachs Johannes-Passion met Pygmalion en Raphaël Pichon in april vorig jaar. Julian Prégardien geeft sinds 2017 les aan de Hochschule für Musik und Theater in München en hij initieerde in 2024 het Liedstadt Festival.
Nationaal Kinderkoor en Nationaal Jongenskoor, koor
Er zijn vier Nationale Koren: het Nationaal Kinderkoor, het Nationaal Jongenskoor, het Nationaal Vrouwen Jeugdkoor en het Nationaal Gemengd Jeugdkoor. De koren verenigen jonge zangers van 9 tot en met 29 jaar uit heel Nederland. Van 2001 tot 2023 was Wilma ten Wolde artistiek leider, sinds 2023 is de artistieke leiding van het Nationaal Kinderkoor en het Nationaal Jongenskoor in handen van Irene Verburg en László Norbert Nemes.
De kinderen traden op bij de doop van Prinses Amalia en worden vaak uitgenodigd voor concerten met orkesten, in Nederland maar ook daarbuiten. Zo zongen ze bij het Radio Filharmonisch Orkest en De Nationale Opera, en onder leiding van onder anderen Bernard Haitink, Nikolaus Harnoncourt, Mariss Jansons, Simon Rattle, Jordi Savall, Markus Stenz, Jaap van Zweden en Iván Fischer.
Een recente samenwerking met het Concertgebouworkest was er in de Achtste symfonie van Mahler onder leiding van Klaus Mäkelä tijdens het Mahler Festival in mei 2025.
Stéphane Degout, bas
Stéphane Degout studeerde zang aan het Conservatoire National Supérieur de Musique van Lyon en werd vervolgens lid van het ensemble van de Opéra de Lyon en de Académie du Festival d’Aix-en-Provence. Zijn debuut als Papageno in Die Zauberflöte van Mozart aldaar lanceerde zijn internationale operacarrière, en daarnaast ontwikkelde hij zich tot een veelgevraagd concert- en liedzanger.
De Franse bariton treedt op op de belangrijkste operapodia ter wereld en soleert bij prestigieuze orkesten. Als liedzanger wordt hij geprezen om zijn geraffineerde interpretaties van het Franse en Duitse lied.
Hoogtepunten dit seizoen zijn rollen als Wolfram in Wagners Tannhäuser met het Orchestre de la Suisse Romande in Genève en de graaf in Mozarts Le nozze di Figaro aan het Opernhaus Zürich, en optredens met Pygmalion, het London Philharmonic Orchestra en het Concertgebouworkest (1 en 3 mei aanstaande, in Rameau en Gluck onder leiding van Raphaël Pichon). Het Concertgebouwdebuut van Stéphane Degout was in april 2010 een recital in de Kleine Zaal, en daar keert de zanger terug op 2 juni aanstaande.
Julie Roset, sopraan
Julie Roset won in 2022 de Metropolitan Opera Laffont Competition in New York en voltooide de opera-opleiding aan de Juilliard School aldaar – na eerdere studies in Avignon en Genève. Ze brak door als Amour in Médée van Charpentier onder leiding van William Christie aan de Opéra National de Paris.
Met Raphaël Pichon werkte Julie Roset daarna in Rameaus Samson op het Festival d’Aix-en-Provence. Recenter zijn haar debuut aan de Metropolitan Opera in New York, Sophie in Massenets Werther aan de Opéra Comique met Raphaël Pichon, Mozart op het Glyndebourne Festival en de Salzburger Festspiele.
Onder Leonardo García Alarcón zong ze Monteverdi. Met diens Cappella Mediterranea stond ze in 2019 en 2022 in de NTR ZaterdagMatinee, waarna ze in mei 2023 en januari 2025 in de Kleine Zaal optrad met Holland Baroque. Met haar eigen ensemble La Néréide is Julie Roset te horen op de albums Luzzaschi: Il concerto segreto (2023) en Le cœur et la raison (2025).
Christian Immler, bas
Christian Immler is een veelgevraagd solist voor oratorium, opera en concert, met Bach, Händel, Mozart, Mendelssohn en Mahler als constanten. Hij begon in het Tölzer Knabenchor, en studeerde in München, in Frankfurt en bij Rudolf Piernay aan de Guildhall School of Music in Londen.
Hij zong onder leiding van dirigenten als Nikolaus Harnoncourt, Masaaki Suzuki, Philippe Herreweghe, Kent Nagano, Herbert Blomstedt, Daniel Harding en Leonardo García-Alarcón. Hoogtepunten waren Mahlers Achtste symfonie met de orkesten van Minnesota en Cincinnati en Glanerts Prager Sinfonie met het Concertgebouworkest en Semyon Bychkov (juni 2023).
Als liedzanger was Christian Immler te horen in prestigieuze concertzalen als Wigmore Hall in Londen, de Tonhalle Zürich, de Philharmonie de Paris en het Mozarteum in Salzburg. Opera zong hij in Parijs, Dijon, Brussel, Madrid, Wenen en Genève. Het vorige optreden van Christian Immler in de Grote Zaal was in april 2025 in een Haydn-programma van de NTR ZaterdagMatinee door het Kammerorchester Basel onder leiding van René Jacobs.
Maïlys de Villoutreys, sopraan
Maïlys de Villoutreys volgde tijdens haar studie Italiaanse taal en cultuur tevens zanglessen aan het conservatorium van Rennes. Ze vervolgde haar opleiding aan het Conservatoire National Supérieur de Musique et de Danse de Paris.
Inmiddels is de Franse sopraan uitgegroeid tot een veelgevraagde barokspecialiste en werkt ze regelmatig samen met toonaangevende oude-muziekensembles zoals Ensemble Amarillis, Les Musiciens du Louvre, Concerto Soave en La Rêveuse.
Hoogtepunten in het huidige seizoen zijn Händels Rinaldo met Le Caravansérail, Monteverdi’s L’Incoronazione di Poppea met Le Banquet Céleste en diverse projecten met Pygmalion onder leiding van Raphaël Pichon, waaronder de huidige Matthäus-Passion van Bach en een tournee naar Australië met werken van Monteverdi en Rossi. Maïlys de Villoutreys is voor het eerst te horen in Het Concertgebouw.
Lucile Richardot, alt
Lucile Richardot begon met zingen in een kinderkoor in Épinal en bij de Maîtrise de Notre-Dame de Paris, en specialiseerde zich aan het conservatorium in Parijs in de oude muziek. In 2012 richtte ze met twee luitisten het ensemble Tictactus op, en recitals geeft ze met de klavecinisten Jean-Luc Ho en Philippe Grisvard.
In 2017 tourde de Française met het Monteverdi-drieluik van John Eliot Gardiner en het Monteverdi Choir, in 2018 debuteerde ze op het Festival van Aix-en-Provence (Purcell) en in Carnegie Hall in New York (Berlioz) en in 2019 stond ze voor het eerst in La Scala in Milaan.
De alt treedt zowel op in operahuizen als op het concertpodium, met Correspondances (Sébastien Daucé), Les Arts Florissants (Paul Agnew), Collegium 1704 (Václav Luks) en Le Poème Harmonique (Vincent Dumestre). Hedendaags repertoire zong ze bij het Ensemble intercontemporain.
Met Reinbert de Leeuw en Het Collectief nam ze diens bewerking voor kamerorkest van Mahlers Das Lied von der Erde op, en met pianiste Anne de Fornel, bariton Stéphane Degout en sopraan Raquel Camarinha alle liederen van Lili en Nadia Boulanger. Lucile Richardot debuteerde in de Eigen Programmering van Het Concertgebouw in april 2025 in Bachs Johannes-Passion met Pygmalion en Raphaël Pichon.
Paul-Antoine Bénos-Djian, countertenor
De Franse countertenor Paul-Antoine Bénos-Djian studeerde aan het Centre de Musique Baroque de Versailles en het Conservatoire National Supérieur de Musique et de Danse de Paris en werd bekroond als HSBC Révélation op het Festival d’Aix-en-Provence.
Sindsdien werkt hij samen met erkende barokspecialisten en -ensembles zoals Raphaël Pichon, Pygmalion, René Jacobs, het Freiburger Barockorchester, de Akademie für Alte Musik Berlin, il Pomo d’Oro en Le Poème Harmonique.
Samen met violist Théotime Langlois de Swarte en het ensemble Le Consort lanceerde de zanger in 2025 het Purcell-album Begin the Song. Als operazanger zingt hij in seizoen 2025/2026 onder andere de titelrol in Händels Orlando bij de Opéra de Lausanne, Endimione in La Calisto van Cavalli in Aix-en-Provence en Ottone in Agrippina van Händel bij de Opéra de Rouen Normandie.
Daarnaast soleert hij in Händels Messiah met de Opéra Royal in Versailles. Paul-Antoine Bénos-Djian maakt zijn debuut in de Eigen Programmering van Het Concertgebouw, en was in de Grote Zaal één keer eerder te horen in Scarlatti’s Il Mitridate Eupatore in de NTR ZaterdagMatinee van 18 november 2023.
Zachary Wilder, tenor
De Amerikaanse tenor Zachary Wilder begon zijn studie in Rochester, New York en vestigde zich in Frankrijk toen dirigent William Christie hem uitnodigde voor Le Jardin des Voix, de academie van Les Arts Florissants.
De zanger soleerde ook bij de Nederlandse Bachvereniging (Bachs Matthäus-Passion in 2022, onder meer in Het Concertgebouw), L’Arpeggiata, il Pomo d’Oro, Le Concert d’Astrée, de Capella Cracoviensis, het Bach Collegium Japan, de Handel & Haydn Society en het Boston Early Music Festival.
Hij zingt graag oratoria en concerten, en voelt zich evenzeer thuis op het operapodium. Zo was hij te gast aan de theaters van Wenen, Versailles, Montpellier (Sartorio’s L’Orfeo onder leiding van Philippe Jaroussky), Drottningholm en Amsterdam (Le lacrime di Eros met Pygmalion en Raphaël Pichon) en op het Festival d’Aix-en-Provence (Cavalli).
In symfonisch repertoire (Walton, Britten) trad Zachary Wilder op met het Royal Philharmonic Orchestra en de orkesten van San Francisco en Saint Louis. Op het Festival Musica in Straatsburg en in de Philharmonie de Paris vertolkte hij de rol van Mark in Frank Zappa’s 200 Motels. In Het Concertgebouw was Zachary Wilder onder meer te beluisteren in Bachs Weihnachtsoratorium met het Nederlands Kamerkoor en Peter Dijkstra in 2023 en 2025.