Het is voor ons heel verfrissend om af en toe buiten de comfortzone van het geijkte repertoire en de ingesleten uitvoeringspraktijk te treden. Dat zijn de momenten dat je als orkest, wanneer het nieuwe idee aanslaat tenminste, je grenzen verlegt.
Afgelopen april speelden we de Matthäus-Passion onder leiding van de Italiaan Riccardo Minasi, een die het woord passie heel letterlijk neemt. Zo leidde hij ons op theatrale wijze door het lijdensverhaal, als ware het een . Geen heilige meditatie, maar menselijk drama. Met grote gebaren boetseerde hij heftige emoties in de lucht en hij kon het niet laten om tijdens de repetitie bij een hemeltergend mooie – en dat zijn er best een paar in de Matthäus – met een hand op zijn hart te slaan en uit te roepen: ‘Mamma mia! This is soooo beautiful!’
Een heel ándere opera spelen we deze maand bij De Nationale Opera: Boris Godoenov van Modest Moesorgski. De eerste versie werd zo’n 150 jaar geleden niet bijzonder positief ontvangen, want: geen vrouwen of amoureuze verwikkelingen te bekennen. Ook nadat die waren toegevoegd bleef het een rapsodische opsomming van politieke schermutselingen. Inderdaad wel wat curieus voor een opera. Benieuwd welke draai dirigent Vasily Petrenko eraan gaat geven, want na Minasi houd ik werkelijk alles voor mogelijk. Maar ‘Mamma mia’ zal hij vast niet roepen…
Wat me dan weer brengt bij die ene wereldberoemde rapsodie, de Bohemian Rhapsody van rockband Queen, verschenen op het album A Night at the Opera, waarin Freddy Mercury onder het aanroepen van bijbelse figuren en operapersonages en vooral ‘mamma mia’ zijn ongeluk over het moeten verbergen van zijn homoseksualiteit bezingt. Wat een lijdensverhaal.
Een lijdensverhaal als een opera, een opera als een rapsodie en een rapsodie als een lijdensverhaal. In de muziek is werkelijk alles mogelijk. En juist dat maakt ons vak zo boeiend.
Preludium is een uitgave van Concertvrienden




