interview

Hindemith 1947

Preludium begon al met het publiceren van interviews toen dat nog heel ongebruikelijk was bij Nederlandse tijdschriften. Een van de eerste, in het juninummer van 1947, was met de Duitse componist Paul Hindemith, wiens Symfonie ‘Mathis der Maler’ deze maand bij het Concertgebouworkest op de lessenaar staat.

Ik stond in de solistenkamer op Hindemith te wachten en rangschikte nog even wat ik hem vragen wilde, toen hij binnenstapte. Op mijn begroeting „goeden avond, Professor” antwoordt hij een beetje ironisch afwijzend: „Geen titels, als ’t U belieft, dat bestaat niet in Amerika”. Wij gaan zitten en ik bied hem een sigaret aan, maar hij rookt in ’t geheel niet.

„Van welken aard is eigenlijk Uw werk in de V.S.? Geeft U colleges of hebt U compositie-leerlingen?”

„Ik ben wel Professor aan Yale-University maar colleges geef ik niet, het bedrijf is zeer vrij; ik geef in hoofdzaak theorie- en compositielessen; er is ook een orkest en af en toe dirigeer ik.” Ik krijg den indruk, dat men hem veel vrijheid voor zijn eigen werk laat.

„En hoe is het met Uw alt-viool? Concerteert U nog veel?”

„Wel neen,” zegt hij met een lach, „ik ben nu nog maar amateur en dat vind ik erg prettig.” Als ik zeg, dat men dat hier zeer betreuren zal, antwoordt hij met vriendelijke gedecideerdheid, dat men toch weten moet, wanneer de tijd gekomen is om ermee op te houden.

„Hoe is het Amerikaansche concertpubliek? Is de smaak erg verschillend van de Europeesche?”

„Dat is moeilijk met twee woorden te zeggen. Zooals hier zijn ook daar de meest verschillende soorten van publiek, alle overgangen van hoogst primitief tot zeer geraffineerd, het land is onmetelijk groot, de omstandigheden plaatselijk uiterst verschillend. Men zit in Chicago en alles is zeer geciviliseerd en een uur buiten de stad is het ‘wild west’.”

„Om van iets anders te spreken – Uw Mathis der Maler heeft hier kort voor den oorlog grooten indruk gemaakt. Maar de Mathis is van 1938, als ik het wel heb, hebt U nu ook weer plannen of interesseert U dit terrein niet meer?”

„Zeker interesseert het mij en ik heb ook een paar ideeën, maar zooiets moet rijpen en U begrijpt wel, nadat ik ertoe gekomen ben om ook mijn teksten zelf te schrijven, heb ik er nog veel meer tijd voor noodig dan vroeger.”

Wij worden onderbroken door een der concertmeesters, die hem iets vragen moet; als hij terugkomt, gaat het gesprek een andere kant uit.

„U bent, naar ik hoor, Amerikaan geworden,”

„Ja, ziet U” onderbreekt hij mij, bijna alsof ik hem een verwijt gemaakt had, „ik ben er nu acht jaren en ik heb het als een soort verplichting gevoeld de naturalisatie in het land aan te vragen, dat mij al deze jaren een gulle gastvrijheid verleend heeft.”

„Moet men nu aannemen, dat U in de V.S. wortel geschoten hebt en dat U de Europeesche gedachtenwereld met haar groote tradities en haar problematiek vaarwel gezegd hebt? Is het waar dat men U het Directeurschap van de Berlijnsche Muziekacademie aangeboden heeft en zou U wel genegen zijn om er heen terug te keeren?”

Het antwoord komt ietwat aarzelend en, naar mij lijkt, met eenige resignatie: „Ik voel mij in de V.S. nu wel thuis, maar ja, Europa… Het is niet zoo eenvoudig, dat alles – heelemaal niet; men kan tenslotte op mijn leeftijd een cultuur, waarin men opgegroeid is, niet zoo maar afschudden en vergeten.

Als men dertig is, dan zal in zulke dingen nog overwegend het gevoel spreken, maar als men over de 50 heen komt, gaat men de dingen rustiger en zonder te veel hartstocht bekijken; men heeft alleen nog slechts de behoefte de krachten, die je nog gebleven zijn, voor het werk te gebruiken, waarvoor men geplaatst is. Er is daarginds een enorm terrein en die opbouw interesseert mij erg. Daarom zal ik ook nooit meer voor langen tijd naar Europa terugkeeren. Men laat een werk, waarmee men vergroeid geraakt is, niet meer in de steek.

En de ‘Berliner Hochschule’? – ja, wat heeft men mij niet allemaal aangeboden! Maar ik heb geen belangstelling voor dergelijke leidende functies, waar men altijd door een heele boel andere dingen in beslag genomen wordt; ik moet voor mijn eigen werk vrij zijn.”

Het concert moet nu beginnen en hij neemt met een vriendelijke handdruk afscheid. „En u maakt er maar wat moois van”, roept hij mij nog gemoedelijk achter na, vóór ik de kamer uit ga…

Deel of bewaar voor laterDelen

Preludium is een uitgave van Concertvrienden