Interview

‘Je blijft toch altijd musicus’

Uit het Preludium maandblad juni 2019

Johan Giskes begon zijn carrière als altviolist in het Concertgebouworkest, maar moest opgeven na een ongeneeslijke allergie voor strijkstokkenhars. Nu duikt hij als muziekhistoricus met grote regelmaat in de archieven van het orkest, en deelt hij zijn vondsten met Preludium

Voor ik mijn vragen op hem loslaat, verrast Johan Giskes me met een proeve van bekwaamheid: een oude opname uit ons gedeelde verleden op het Amsterdams conservatorium. Zwei Gesänge van Brahms, voor altstem, altviool en piano. We luisteren naar onszelf als jonge musici in 1967, ontroerd, waar zijn de jaren gebleven? Onze wegen scheidden zich, om pas heel veel later in Preludium weer samen te komen.

Nadat hij door zijn leermeester Klaas Boon zorgvuldig was ingewijd in de geheimen van het orkestspel werd Giskes als 22-jarige verwelkomd in de altvioolgroep van het Concertgebouw­orkest. ‘De eerste repetitie herinner ik me nog goed: de Eerste symfonie van Mahler en de Ouverture uit Midzomernachtsdroom van Mendelssohn onder Bernard Haitink. Die ongelooflijke sfeer met die flageoletten aan het begin van Mahler, en bij Mendelssohn de eerste violen die als naaimachientjes gelijk konden spelen in een tempo dat ik op het conservatorium niet gewend was. Toen is mijn levenslange liefde voor het orkest geboren.’

Einde verhaal

Langer dan acht jaar heeft hij er niet van kunnen genieten. ‘In 1976 ben ik afgekeurd vanwege een ongeneeslijke allergie voor hars, waarmee de strijkstokken worden ‘gesmeerd’. Met zo’n zestig strijkers om me heen die allemaal de boosdoener colofonium de lucht in stuurden, betekende dat voor mij einde verhaal.’

‘In 1976 ben ik afgekeurd vanwege een ongeneeslijke allergie voor hars’

Hij bleef wel naar zijn oud-collega’s luisteren, al heeft het een jaar of tien geduurd voor hij geen pijn meer voelde als het orkest heel mooi speelde. ‘Ik ben dan wel muziekhistoricus, primair ben ik toch musicus gebleven. En hoe groter je kennis, hoe meer je geniet als het top is, maar ook des te minder als het dat net niet is. Je hebt maatstaven gekregen, zoals voor mij de Mahlers van ­Haitink, Bruckners van Eugen Jochem, Mozarts met Josef Krips, Debussy’s Pelléas et Mélisande onder Jean Fournet, adembenemend. Ik ben benieuwd hoe ­Stéphane Denève dat gaat doen.

Start / pauzeer slideshow

Er is wel wat veranderd in het orkest. Zo zijn de instrumenten veel beter dan vroeger, en dat hoor je. Maar het gaat toch om het onverklaarbare: de emotie waar muziek mee gepaard gaat overbrengen op het publiek. Als dat lukt, is het feest.’

Stadsarchief

Niet lang na zijn vertrek uit het orkest kwam Giskes, geïnspireerd door zijn interesse in geschiedenis, bij het Amsterdams Stadsarchief terecht. ‘Ik ben daar fantastisch opgeleid, met voor mij als einddoel het belichten van de muziekgeschiedenis van de hoofdstad. Eigenlijk is dat begonnen via vragen vanuit de muziekwereld, van musici, wetenschappers, orkesten, maar ook van vioolbouwers of van geïnteresseerden die van alles wilden weten van het eeuwenoude Amsterdamse muziekleven.’

Spannend werk was het, want hij kwam voor de mooiste verrassingen te staan. Bijvoorbeeld toen hij betrokken werd bij de viering van het honderdjarig jubileum van Het Concertgebouw en het Orkest. ‘Er bleek op een zolder in Het Concertgebouw een archief te staan waar lange tijd niemand meer naar had omgekeken. Mij was gevraagd om over de periode te schrijven vanaf de oprichtingsvergadering in 1881 tot en met het vertrek van de eerste chef-dirigent Willem Kes in 1895. Uitgebreid onderzoek in dat archief was nodig om van alles boven water te halen wat er was gebeurd.’

Watertanden

‘Wat ik niet allemaal heb gevonden! Foto’s die lagen te verstoffen, een stukje papier dat half verscholen onder een kast lag en een brief van Alma Mahler bleek te zijn! Er waren brieven van Bruno Walter, Pierre Monteux, van Debussy, in zijn heel kleine, mooie handschrift in lichtblauwe inkt. Bij het Stadsarchief had ik handschriften leren ontcijferen, dus ik kon ze allemaal lezen. Ik wilde uit die periode ook graag de financiële gegevens zien te achterhalen, die bleken er eveneens nog te zijn. Om van te watertanden! Alles wat ik daar vond is nu ondergebracht bij het Stadsarchief. De archieven van Gebouw en Orkest zijn van wereldbelang.’

Zijn bevindingen legde Giskes vast in tal van publicaties: over vioolbouw, musici, het Amsterdamse muziekleven en natuurlijk Het ­Concertgebouw en het Concertgebouworkest.

Giskes' kleinzoon is pas begonnen op een piepklein altviooltje, een ‘couveuse-altje’

Hij promoveerde in 2012 aan de Universiteit Utrecht op het fenomeen gastdirigent. ‘Wanneer verschenen de eerste gastdirigenten en hoe is die ontwikkeling tot stand gekomen? Wat was de inbreng? Wat voor categorieën zijn te onderscheiden? Zeker nu het orkest geen chef heeft, wordt het hele seizoen ingevuld door gastdirigenten. Ook zien we een toename van specialisaties. De eerste gastdirigenten bij het Concertgebouworkest waren al van topniveau. Grote namen als Richard Strauss, Hans Richter en Arthur Nikisch, die heel tevreden waren over het niveau. Kes en zijn opvolger Willem Mengelberg hadden het goed gedaan! We weten dat ook Gustav Mahler het hier fantastisch vond en goed met de orkest­leden overweg kon.’

Preludium

Al ruim twintig jaar deelt Giskes zijn niet geringe muziekkennis met de lezers van Preludium. ‘Ik bekijk de seizoensprogramma’s van Gebouw en Orkest en bespreek voorstellen met de redactie als ik weet dat er materiaal over is: brieven, foto’s, programma’s, recensies, dat soort dingen. Behalve over het Concertgebouworkest heb ik onder meer geschreven over optredens in Het Concert­gebouw van de Berlijners, de Weners, de New York Philharmonic, componisten, het Borodin Kwartet, noem maar op.’

Ook na zijn pensionering in december 2010 blijft de musicus/muziekhistoricus actief. Niet alleen schrijvend voor Preludium, ook als bestuurslid voor de Vereniging Gepensioneerden Koninklijk Concertgebouworkest. En hij werkt nog één dag per week als vrijwilliger bij het Stadsarchief, waar hij nu het uitzoeken van de programma’s vanaf 1888 voortzet. Een enorme klus. Als er vragen komen vanuit het Orkest of het Gebouw zoekt hij in het Stads­archief naar de antwoorden. Belangrijk voor hem is ook zijn functie als geestelijk verzorger bij het Apostolisch Genootschap, een plaats voor religieus-humanistische zingeving. ‘Ik houd ervan anderen nabij te zijn, te helpen hun talenten te ontdekken en hen te stimuleren. En er bestaat naar mijn mening nog steeds behoefte aan een plek waar je tot rust en inkeer kunt komen.’

Een van zijn kleinzoons is pas begonnen op een piepklein altviooltje, een ‘couveuse-altje’. ‘Hij is nu acht en wil spelen zoals opa. Niet dat ik ooit nog speel, maar hij kent opnames van mij.’
En zo zijn we toch weer terug bij de levende muziek!