Interview

Dubbelconcert voor verwante solisten

Uit het Preludium maandblad mei 2019

Ten tijde van dit interview is componist Michel van der Aa nog volop bezig aan akin, het dubbelconcert voor viool, cello en orkest dat hij voor het Koninklijk Concertgebouworkest schrijft. ‘Het is de eerste keer dat ik over dit werk praat en dat is toch altijd wat spannend.’

Hoe ontstond het plan om een dubbelconcert te schrijven?
‘Het idee was om met Patricia Kopatchinskaja en Sol Gabetta samen te werken. Ik stelde dat voor aan het orkest en die vonden dat meteen ook een goed idee. Het was even ingewikkeld om de agenda’s naast elkaar te leggen, want het zijn twee zeer veelgevraagde solisten.

Bekijk het concertprogramma van 10 mei 2019: Wereldpremières bij het Koninklijk Concert­gebouworkest

Maar dat is gelukt en ik ben erg blij dat het überhaupt kan. De combinatie van die twee persoonlijkheden is belangrijk. Zo gaat het bij mij meestal: ik moet geïnspireerd worden door de solisten; de rest, bijvoorbeeld de keuze om een bepaalde bezetting te gebruiken, groeit dan daaruit.

‘Ik merk dat ik de laatste jaren steeds meer vrijheid zoek
tegenover de strakke afbakeningen van genres’

Ik had al een tijdje de wens om voor deze twee dames samen te schrijven. Voor Sol Gabetta had ik al een celloconcert gemaakt: Up-close. Dat was een interessante samenwerking, waarvoor ik de Grawemeyer Award 2013 heb gekregen. Met Patricia Kopatchinskaja heb ik maar heel kort samengewerkt – zij had een ouder werk uitgevoerd, maar ik kwam haar heel vaak tegen op festivals. Ik vind haar een fantastische performer en echt iemand die heel erg een belichaming is van hoe een ‘klassieke’ musicus in de eenentwintigste eeuw hoort te zijn.’

Hoe hoort een musicus te zijn? Kun je dat omschrijven?
‘Ik kan enkel zeggen hoe ik er tegenover probeer te staan. Ik merk dat ik de laatste jaren steeds meer vrijheid zoek tegenover de strakke afbakeningen van genres. Ik luister naar zoveel verschillende soorten muziek en zie zoveel soorten kunst, dat wordt voor mij één grote bron waar ik uit put. Ik denk dat mensen als Sol en Patricia, of bijvoorbeeld ook sopraan Claron McFadden, een beetje een gelijksoortige houding hebben.

Start / pauzeer slideshow

Die laten zich niet zo snel beperken door wat de scene vindt dat ze moeten zijn, vanuit een echte liefde voor experiment, muziek en kunst. Zo zag ik laatst nog een filmpje van Patricia met sitarspeler Anoushka Shankar (de dochter van sitarvirtuoos Ravi Shankar) – dat moet je maar eens op YouTube opzoeken. Daar speelt ze mee met een Indiase raga en doet dat zo goed, zo doorleefd. Dat klopt gewoon. Ze is geen indringer in een ander genre, maar ze omarmt het en wordt omarmd.

Zo probeer ik ook in de kunst te staan en dat zie je aan mijn output op dit moment: sommige dingen zijn bijna een soort alternatieve popmuziek, andere zijn heel avant-garde hardcore klankonderzoek, heel theatraal, heel visueel. Het hangt telkens af van wat ik nodig heb en uit mijn gereedschapskist haal. Ik vind dat een prettige manier van werken, los van twintigste-eeuwse genregrenzen.’

Sol Gabetta en Patricia Kopatchinskaja zijn allebei vurige, aanwezige persoonlijkheden op het podium. Is dat theatrale ook iets dat jou aanspreekt?
‘Zeker! Het staat buiten kijf dat het technisch en muzikaal fantastische solisten zijn, maar de theatrale belevenis maakt daar ook deel van uit. Eigenlijk is dat bij iedereen voor wie ik schrijf wel aanwezig. Bij Janine Jansen [voor wie Michel van der Aa in opdracht van het Concertgebouworkest een vioolconcert componeerde, red.] was dat zo, en bij acteur Klaus Maria Brandauer: het is die extra laag die een performer voor mij toevoegt.

‘De energie tussen Gabetta en Kopatchinskaja – ze zijn goede vriendinnen – is voor mij een inspirerend beginpunt’

De energie tussen Gabetta en Kopatchinskaja – ze zijn goede vriendinnen – is voor mij een inspirerend beginpunt. Met dat in het achterhoofd ben ik begonnen te schrijven en dat gebeurt in eerste instantie heel intuïtief: kijken welk materiaal er ontstaat. Dat voelt bijna als een dramaturgisch vertrekpunt. Ik doe mijn ogen dicht en ik beeld ze me daar in op het podium en dan vraag ik me af: ‘wat hoor ik nu?’. Op een bepaald moment is er materiaal en werk ik daarmee verder. Dan denk ik meer op afstand over ­vormtechnische dingen na, maar dat bijna theatrale beeld is wel waar het begint.’

Je staat bekend om de integratie van film en multimedia; zo gaat binnenkort in het Holland Festival de Virtual Reality-installatie Eight in première. Waarom dan toch een ‘gewoon’ orkestraal werk?
‘Ik overweeg wat ik nodig heb in dienst van het verhaal dat ik wil vertellen. De thema’s die ik gebruik zijn dezelfde, het is alleen een ander medium. En dat medium geeft me mogelijkheden om het verhaal op een andere manier te vertellen, om er een andere verdieping aan te geven. Ik maak een stuk als Eight om iets te vertellen dat ik alleen via Virtual Reality kan vertellen.

Wat ik mooi vind aan ‘traditionele’ concerten is het ritueel van met zijn allen daar naartoe gaan en het meemaken. Ondanks alle digitale media, YouTube en Spotify is het voor mij, maar ook voor jongeren, zeer belangrijk om die live-ervaring te hebben. Het zou me niets verbazen als de urenlange Stockhausen-marathons op het Holland Festival een grote hit worden, omdat mensen iets willen meemaken dat ze op een andere manier niet kunnen beleven. De uitvoering van zo’n concert is dan ook méér dan met je ogen dicht naar de klank luisteren, het is ook de fysieke ervaring, die vertolkers zien, die je plots als protagonisten in een verhaal ervaart. Het concert moet je bij de kraag grijpen en meeslepen.’

Recent heb je de doubleA Foundation opgericht om multimedia-technologieën en pilotprojecten te ondersteunen, dus die technologische vernieuwing is wel iets waar je verder op wilt doorgaan?
‘Ik ben in de zeer gelukkige positie dat mijn werk hier en in het buitenland veel wordt uitgevoerd, maar het bleek onhandig om muziektheaterwerken te maken die niet van mezelf waren, maar bijvoorbeeld van een operahuis. Het is logistiek vaak lastig om daar later opnieuw mee te toeren.

Eén doel van de stichting is te zorgen dat we zo’n werk nu zelf produceren, ermee toeren en het verder beheren. Het tweede aspect is de laboratoriumfunctie: samen in een ruimte gaan zitten met jonge makers – ontwerpers, computeranimatoren, enzovoort – die dan begeleid worden door ervaren makers. Dat hebben we met Eight ook gedaan: de nerds achter hun computer, muzikanten en kamerkoor erbij, en dan kijken wat we in één week kunnen doen.

We hebben het allemaal gedocumenteerd en er een filmpje van gemaakt. Dit hebben we vervolgens gebruikt om fondsen te laten zien wat we doen en hoe we dat proces stap voor stap kunnen ontwikkelen en financieren. Het is een nieuwe manier van werken en van denken, en het kost best veel tijd om dat allemaal voor elkaar te krijgen.’

En hoe zal Eight eruit zien?
‘Heel interactief: het is voor één persoon per keer een ervaring van twintig minuten. Je krijgt een bril op en een computer in je rugzak, je bent helemaal los van kabels en zo loop je door het muziektheaterwerk, met de stemmen van het Nederlands Kamerkoor en singer-songwriter Kate Miller-Heidke.

Het wordt ook heel tactiel, je kunt dingen aanraken en manipuleren door te bewegen. Ik maak van Eight ook een cd; twee nummers daarvan schreef ik samen met Kate Miller-Heidke, de rest schreef ik zelf en de producer is Thijs de Vlieger van Noisia, een dubstep-band: allemaal samen levert dat een soort elektronisch indie-pop-­­­­album op.’

‘Dus als het goed gaat, zie je in mei en juni drie verschillende verschijningsvormen van mijn werk: het dubbelconcert akin, Eight als VR-installatie, en de cd die erop gebaseerd wordt en die bijna alternatieve pop wordt. Samen is het best een aardige staalkaart van wat er allemaal in mijn hoofd omgaat.’

vr 10 mei | Grote Zaal
Nederlandse premières bij het Koninklijk Concertgebouworkest

Bekijk dit concertprogramma