Achtergrond

Bruckner: van miskenning naar aanzien

Uit het Preludium maandblad december 2018

Bij het Koninklijk Concertgebouworkest en Bernard Haitink staat op 13, 14 en 16 december de Zesde symfonie van Anton Bruckner op de lessenaars. Hoe zag de lange weg naar erkenning eruit, en welke rol speelde het Concertgebouworkest daarbij?

Toen Anton Bruckner in 1896 in Wenen was overleden, kreeg hij niet veel minder dan een staatsbegrafenis. Bruckner was een gezien man geweest, docent aan het conservatorium, professor aan de universiteit en bovenal orgelvirtuoos.

Als componist had hij moeten teren op schaarse momenten van erkenning. In Wenen stuitte zijn muziek op onbegrip. In arren moede dirigeerde hij zelf zijn Tweede en zijn Derde symfonie, met jammerlijk resultaat. Desondanks had de Weense uitgever Theodor Rättig aangeboden om de Derde symfonie uit te geven. Bruckner accepteerde met tranen in de ogen en daarmee werd de Derde zijn eerste symfonie die in druk verscheen. Andere uitgevers wilden hun vingers niet branden aan zijn muziek, tenzij hij de kosten zelf betaalde. Zijn Achtste symfonie had Bruckner aan keizer Franz Joseph I opgedragen, die vervolgens de uitgave had gefinancierd.

Bekijk het concertprogramma van donderdag 13, vrijdag 14 of zondag 16 december

Pas toen Hans Richter – die in 1876 Wagners Der Ring des Nibelungen ten doop had gehouden – in 1892 Bruckners Achtste symfonie gedirigeerd had, begon het tij in Wenen te keren. In 1886 had Richter ook buitengewoon succesvol een lans gebroken voor het monumentale Te Deum. Bruckners kerkelijke werken, zijn missen incluis, vonden overigens gemakkelijker ingang bij het publiek.

Succes in Duitsland

Duitsland heeft Bruckner vaker het genoegen geschonken de symfonieën, waarmee hij zozeer zijn lot verbonden had, te horen uitvoeren. In München had de door Bruckner vereerde Richard Wagner zijn Tweede en Derde symfonie met waardering doorgekeken en hem toestemming gegeven zijn Derde aan hem op te dragen.

In Nederland traden al vroeg belangrijke musici voor Bruckner in het krijt

Bij de door Bruckner geleide rampzalige première van de Derde symfonie in 1877 had achteraan bij de violen Arthur Nikisch meegespeeld. Nikisch werd in 1882 dirigent van de Opera in Leipzig (later zou hij chef-dirigent worden van het Boston Symphony Orchestra, het Gewandhausorchester Leipzig en de Berliner Philharmoniker). Op 30 december 1884 hield hij met groot succes Bruckners Zevende in Leipzig ten doop en baande de weg voor Bruckners internationale roem.

Al even succesvol was de uitvoering een jaar later in München onder leiding van Hermann Levi, eveneens een groot Wagner-dirigent. In 1891 reisde Bruckner naar Berlijn voor een uitvoering van zijn Te Deum en nam dankbaar de warme bijval in ontvangst. Talrijke Duitse steden – Keulen, Hamburg, Neurenberg, Mannheim – volgden.

Bruckners nalatenschap

In zijn testament had Bruckner het auteursrecht – de tantièmes, zoals hij het noemt – vermaakt aan zijn naaste verwanten met de wens dat het hun wat meer zou opbrengen, ‘want ikzelf heb er maar weinig profijt van gehad’. Zijn manuscripten liet hij na aan de Hofbibliotheek in Wenen. Robert Haas, in later jaren bibliothecaris, zou een belangrijke bijdrage leveren aan de acceptatie van zijn werk door een gewetensvolle reconstructie van de bestaande partituren aan de hand van de manuscripten.

In Linz werd al in 1897 een Bruckner-Stiftung opgericht om ervoor te zorgen dat de Linzer Musikverein Bruckners werken zou kunnen blijven uitvoeren.

In 1924 werd Bruckners geboortedag – 4 september 1824 – door veel orkesten met uitvoeringen van zijn oeuvre herdacht. In het kielzog hiervan werden veel Bruckner-verenigingen opgericht, met name het Internationale Bruckner-Gesellschaft, in 1929 officieel in Wenen geïnstalleerd. Belangrijkste opgave was het uitgeven van Bruckners verantwoord herziene partituren. In Nederland werd in 1934 een Bruckner-vereniging opgericht.

Germaans paradepaardje

Tijdens het Hitler-regime nam de Bruckner-cultus in Duitsland een merkwaardige wending. Bruckners muziek kreeg het stempel van ‘gezonde, in eigen grond gewortelde kunst’, tegenover de ‘entartete Kunst’ die de Duitse cultuur zou vervuilen.

In 1937 werd een borstbeeld van Bruckner onthuld in het Walhalla in Regensburg. Hitler was aanwezig, Goebbels hield een toespraak: Oostenrijk maakte – hij liep even vooruit op de Anschluss – deel uit van de Germaanse cultuur en Bruckners religiositeit werd achteloos van tafel geveegd. Bruckner werd op het schild gehesen als boegbeeld van de nationaalsocialistische kunstzinnige cultuur. Bruckners portret zag het onbeweeglijk aan.

Voet aan land in Amsterdam

In Nederland traden al vroeg belangrijke musici voor Bruckner in het krijt. Johannes Verhulst beet het spits af op 4 februari 1885 met een uitvoering van de Derde symfonie in Den Haag. In november 1886 was het Daniel de Lange die dezelfde symfonie in Amsterdam op het programma zette.

‘Ofschoon in deze symfonie interessante gedeelten voorkomen, is ze over het geheel te breed uitgesponnen en dikwijls niet van gezochtheid vrij te pleiten. […] De componist is blijkbaar geen vreemdeling in de kunst van instrumenteren en schijnt een voorliefde te hebben voor hoorns. Aan de uitvoerenden worden hoge eisen gesteld. Het strijkkwartet heeft o.a. in de Finale een zware taak, maar hield zich, dank zij een uitstekende bezetting (wij telden 18 eerste violen) bijzonder goed.’

In 1891 leidde Henri Viotta in Het Concertgebouw een uitvoering van Bruckners Te Deum bij Zangvereniging Excelsior. De symfonieën hadden tijd nodig om geaccepteerd te raken, maar het Te Deum vond, evenals de missen, in koorland Nederland gemakkelijker ingang.

Concertgebouworkest als pleitbezorger

Bij het in 1888 opgerichte Concertgebouworkest kwam Bruckner al snel op de lessenaars. Willem Kes dirigeerde in 1892 de Derde symfonie. Willem Mengelberg had een voorkeur voor de Derde, Vierde en Zevende symfonie, maar dirigeerde ook de andere, met uitzondering van de Eerste en de Vijfde.

Evert Cornelis dirigeerde in Amsterdam eveneens zeer geregeld Bruckners symfonieën, die hem na aan het hart lagen, maar zou zich na 1919 vooral als dirigent van het Utrechts Symfonie Orkest inzetten voor deze muziek. In de jaren die volgden hield vooral Eduard van Beinum het Bruckner-vuur brandend in Amsterdam.

Na Van Beinums vroege dood in 1959 – bij de herdenkingsplechtigheid in de Grote Zaal dirigeerde Bernard Haitink het Adagio uit Bruckners Achtste symfonie – traden Haitink en Eugen Jochum in zijn voetsporen. Bernard Haitink en Philips Phonografische Industrie komt de eer toe om de eerste complete Bruckner-cyclus op de plaat vastgelegd te hebben. Tot op de dag van vandaag staat het Concertgebouworkest bekend als een belangrijk pleitbezorger van Bruckners symfonieën.

Een warm hart

Had Bruckner het in Wenen erg ongelukkig getroffen met Eduard Hanslick – fanatiek ijveraar voor het klassieke ideaal – als recensent, in Nederland was er geen sprake van weerstand. De symfonieën werden weliswaar moeilijk, lang en – met al die generaalpauzes – brokkelig gevonden, maar vooral de langzame delen en de scherzo’s konden op veel waardering rekenen.

De Nederlandse muziekrecensenten, onder wie Herman Rutters, Eduard Reeser, Matthijs Vermeulen, Theo van der Bijl en Jan Engelman, droegen Bruckner een warm hart toe en maakten dat met welversneden pen kenbaar. Bovendien verschenen goede biografieën van de hand van Wouter Paap en Cornelis van Zwol.

Misschien is Bruckner nog steeds niet voor iedere muziekliefhebber ‘daily bread and butter’, zoals dat voor Van Beinum het geval was, maar geaccepteerd is zijn muziek wel degelijk, wat voor een groot deel te danken is aan de niet aflatende inzet van Nederlandse musici en critici.

Over de auteur

Musicologe Truus de Leur (Amsterdam, 1936) was vanaf 1957 werkzaam bij het Concertgebouw N.V. en vanaf 1972 – tot haar pensionering in 2001 – bij het Concertgebouworkest. Sinds 1974 maakte De Leur deel uit van de artistieke staf van het orkest, van 1991-1993 was zij interim artistiek directeur. Als redacteur van Preludium en als auteur en/of redacteur werkte zij mee aan de belangrijkste publicaties betreffende de geschiedenis van het Koninklijk Concertgebouworkest, zoals in 1997 Bruckner en het Koninklijk Concertgebouworkest. In 2004 verscheen haar biografie Eduard van Beinum, musicus tussen musici. Sinds 2005 werkte Truus de Leur als vertaler en eindredacteur mee aan de serie Boulez-schriften, met Nederlandse vertalingen van essays van Pierre Boulez over muziek.