Interview

Beatrice Rana: 'Ik groeide op met brood en Bach'

Uit het Preludium maandblad oktober 2018

Beatrice Rana komt, na haar indrukwekkende optreden in de serie Meesterpianisten begin dit jaar, terug in Amsterdam om met Chopins Eerste pianoconcert te debuteren bij het Koninklijk Concertgebouworkest. ‘Nederland was voor mij een echte ontdekking.’

ls je dan toch in de buurt van Florence bent waar de te interviewen pianiste concerteert – ze maakt een zesdaagse tournee door Toscane – dan kun je gewoon ergens afspreken. Bij de Ponte Vecchio, bijvoorbeeld.

Niet bij de echte natuurlijk, probeer daar maar eens iemand tussen de hordes terug te vinden, maar onder een muurschildering van de beroemde oude brug in een café. Het is vlakbij Teatro Verdi waar Beatrice Rana (25) een dag eerder Brahms’ Eerste pianoconcert uitvoerde met het Orkest van Toscane.

Als het bestelde verse vruchtensap uit flesjes verschijnt, stuurt Beatrice de glazen resoluut terug. Graag vers­geperst, voegt ze gedecideerd maar met een beminnelijke glimlach toe. Zo is ze. Uiterst beminnelijk en tegelijk zeer doortastend. Ze is nog jong, en begonnen aan wat niet anders dan een dijk van een pianocarrière kan worden.

Vierhandig

Dat ze pianiste zou worden, lag voor de hand. Ze groeide op in een piano­familie, met een pianolerares als moeder en een operarepetitor als vader. Ze hing al jong uren rond in de regionale operatheaters. Dat van Lecce, haar geboorteplaats, en het mooie Petruzzelli-theater in Bari.

'Voor iedere musicus geldt: als je de Amsterdamse Grote Zaal binnengaat, dan voelt het alsof je een tempel betreedt'

Opera, de jonge Beatrice raakte ervan doortrokken – zoals iedere Italiaan, zegt ze erbij, ‘het maakt zo’n belangrijk deel uit van onze cultuur’. Belcanto kreeg ze met de paplepel ingegoten en ze neemt het mee in haar spel als pianist. Evenals gevoel voor drama en vertelkunst. ‘Het maakt je ontvankelijk voor het idee dat er altijd een plot schuilt in elk stuk. Dat heeft me gevormd. Ik wil als pianist altijd een verhaal vertellen.’

Nee, zanger worden heeft ze nooit overwogen, al zeggen mensen vaak dat ze een stem heeft. Natuurlijk is zingen in het theater het mooiste wat er is; je gebruikt je eigen lichaam als instrument. En dat, Beatrice zegt het zonder spijt, is ook meteen het probleem: ‘Ik weet niet goed hoe ik theatraal moet zijn met mijn lichaam. Ik ben geen actrice.’

Geen actrice. Dat zegt ze nu wel, maar dat leek gisteravond bij de toegiften toch anders. De Ungaresca, vierhandig met dirigent Daniele Rusticano (een goede vriend van de pianiste), was toch een onvervalst stukje pianocabaret? Dat wil ze wel beamen. ‘Daniele is een echte theaterman, hij neemt het initiatief en spreekt dan iets in mij aan dat er beslist niet uit komt als ik alleen speel. Hij zocht een leuke manier om de avond te beëindigen. En ik vind het altijd gaaf om met een pianospelende dirigent vierhandig af te sluiten.’

De eerste keer dat ze het deed was met Trevor Pinnock, herinnert ze zich. Die toevallig haar debuut bij het Concertgebouworkest leidt. Betekent dat dat we in Amsterdam ook op een vrolijke vierhandige afsluiting mogen ­rekenen? Zou Amsterdam dat leuk vinden, vraagt Beatrice aarzelend, maar een belofte krijgen we niet. We gaan het zien.

Katholiek

Opera – ‘big love’– was niet Beatrices eerste muzikale liefde. Dat was Bach en die liefde bleef lange tijd monogaam. ‘Bach is ook een deel van mijn ­cultuur. Weet je, ik kom uit het zuiden en Zuid-Italië is heel katholiek. We gaan naar de mis en horen dan het orgel, er is een grote orgeltraditie. Nou ja, natuurlijk niet zoals bij jullie. Maar toch is er een diepgewortelde traditie in kerkelijke muziek.

Mijn vader hield zich ook veel bezig met kerkmuziek: contrapunt en koralen. Anders dan van opera, die er als liefde langzaam insloop, hield ik meteen van Bach. Mogelijk door de stukjes die hij als vader schreef voor zijn kinderen: tweestemmige inventies, menuetjes, kleine stukken die kinderen al gauw kunnen spelen omdat ze weinig techniek vereisen. Ik groeide dus op met – zoals wij hier zeggen – brood en Bach. En ik voelde me er altijd zo gelukkig mee. Mijn leraar begon erover te klagen: ‘Je speelt te veel Bach!’, zei hij, ‘Je moet andere componisten spelen, Beatrice, je moet je ontwikkelen.’’

Inwendig zingen

En die ontwikkeling vond plaats. Zie haar zitten in het negentiende-eeuwse, nooit veranderde Teatro Verdi met zijn moeizame akoestiek. Er zit een lange orkestinleiding in Brahms’ omvangrijke pianoconcert. En het duurt lang voordat Beatrice haar eerste grote lyrische thema kan neerzetten in het van assertiviteit doortrokken openingsdeel. Wat doet ze in die tijd van stilzitten?

‘Zulke grote inleidingen, zoals bij Brahms gisteren maar zeker ook bij Chopin, zijn een soort proloog op het concert. In die introductie zit alles al wat erna gaat komen, als een kiem die zich zal ontwikkelen. Het is voor mij dan ook heel belangrijk om echt deel te hebben aan die inleiding, ook al speel ik geen noot, althans niet fysiek. Ik speel wel in m’n hoofd: mentaal doe ik helemaal mee. Een soort inwendig zingen, zou je kunnen zeggen. Ik kijk ondertussen graag naar het orkest, ik volg de dialogen tussen de instrumentgroepen. Op een bepaald moment is het gewoon één stuk waaraan zo’n zestig mensen deelhebben, of iemand nou speelt of niet.’

Zo krijgt ze ook de tijd om de energie van het orkest te voelen. Want elke uitvoering is een ander avontuur. ‘Gisteravond, bijvoorbeeld, speelden we niet volgens plan. Na een aantal concerten komt er meer ruimte voor vrijheden. Dan voel je dat orkest en dirigent je meteen volgen als je iets verandert. Omdat ze je manier van spelen begrijpen. Het eerste deel was krachtiger en aardser, met die massieve klanken.

Maar we namen ook, meer dan in eerdere uitvoeringen, tijd om adem te halen. Ik was heel gelukkig met het tweede deel. Het publiek was zeer aandachtig, het was stil in de zaal – altijd een goed teken. Concertbezoekers realiseren zich niet altijd dat zij net zo belangrijk zijn als het gaat om het creëren van de concentratie en de sfeer. Met een aandachtig publiek wordt het spelen zo veel makkelijker, zo lonend. Het maakt uit of je speelt voor mensen die echt luisteren.’

Spiritueel moment

Dat herinnert ze zich ook van haar eerste optreden in Het Concert­gebouw, in de serie Meesterpianisten, afgelopen januari. Een recital dat in de Volkskrant met vijf sterren werd gewaardeerd. En de opwinding kwam van twee kanten. ‘Ik was helemaal verrukt van het publiek. Toen ik met Schumann begon voelde ik meteen dat het hele optreden een groot cadeau voor mij zou worden. De toehoorders waren zo stil en zo geconcentreerd. Voor iedere musicus geldt: als je de Amsterdamse Grote Zaal binnengaat, dan voelt het alsof je een tempel betreedt. Maar als je het podium opkomt en je ervaart dat stille, toegewijde en geconcentreerde publiek, dan weet je echt niet wat je overkomt. Het was mijn meest bijzondere concertervaring tot nu toe.’

Nederland was voor Beatrice een verrassing. Ze studeerde jaren in Duitsland en dacht dat Nederland net zoiets zou zijn. Maar de sfeer, merkte ze, was totaal anders. ‘De sfeer van een stad heeft altijd grote invloed op mij. Amsterdam werd natuurlijk emotioneel bepaald door het spelen in Het Concertgebouw. Ik moest een piano uitkiezen en omdat het zo druk was, kon ik alleen om middernacht repeteren, de dag voor het concert. Dat vond ik vervelend, omdat ik normaal voor een belangrijk concert vroeg naar bed ga om mijn energie te sparen. Maar het werd uiteindelijk een van de mooiste emotionele ervaringen van mijn hele leven. Ik was daar in die ongelooflijke zaal en het was er doodstil. Midden in de nacht, alleen, met geweldige muziek in een fantastische akoestiek… Een spiritueel moment.

Op een gegeven moment kwam iemand me waarschuwen: Beatrice, we moeten echt stoppen, het is half twee. Weet je, als je zo veel concerten speelt als ik nu doe, dan kan het je overkomen dat routine je bevangt. Door dit soort momenten weet je weer dat musiceren een bijzondere activiteit is.’

Apulië

De jonge pianiste woont sinds kort in Rome, ze heeft er een appartement, maar door de vele concerten over de hele wereld is ze er niet vaak. ‘Ja, wat dat betekent, die vele concerten? Grote chaos. Het is prachtig, maar wat ik geleerd heb is dat muziek vijftig procent uitmaakt van alles wat je moet doen. Snel schakelen van de ene plaats naar de andere, veel verschillende mensen, verschillende culturen.

Soms raak ik verpletterd onder al die indrukken. Ik ben erg ontvankelijk voor alle impressies om me heen en voor de sfeer van de omgeving. Als ik in een prettige stad ben met positieve energie dan voel ik dat, en kom ik makkelijk in de juiste gemoedstoestand om goed te kunnen spelen. Maar als ik de omgeving niet prettig vind dan is het hard werken. Soms wilde ik wel dat ik daar niet zo gevoelig voor was.’

De zomers brengt ze nog altijd door bij haar ouders in het zuidelijke Lecce. De zee, het strand, haar vrienden van vroeger – ze is er dol op. ‘Ken je Apulië?’ vraagt ze. ‘Daar moet je toch echt eens heen, er is daar zo veel cultuur en het is er práchtig. Dat weten niet veel mensen.’