Terugblik

Vrede wordt makkelijk vergeten

Uit het Preludium maandblad april 2018

Marius Flothuis, voormalig artistiek leider van het Concertgebouworkest, publiceerde in 1954 een vurig betoog voor het vieren van de vrede. 'Het lijkt wel alsof de Nederlander bevreesd is eens ronduit te juichen, vrolijk te zijn, te tonen dat hij zich gelukkig voelt.' Nog altijd actueel.

leestijd: 4 tot 5 minuten

Voor de mens wiens denken en doen in hoofdzaak door het geluid bepaald wordt, voor de musicus dus, is niets zo indrukwekkend als de stilte. Want de stilte is de uiterste tegenstelling van zijn dagelijks uitdrukkingsmiddel en onder omstandigheden is zij machtiger dan alle geluiden tezamen. Iedere musicus kent de werking van een rust die plotseling de muzikale gedachtengang onderbreekt, of van de enkele seconden stilte voor of na de uitvoering van een muzikale compositie.

Ieder jaar ben ik mij op de vierde Mei, ’s avonds tussen acht uur en twee minuten over acht, sterker van de betekenis van de stilte bewust geworden; de stilte die slechts verbroken wordt door geluiden in de natuur. De mens roert zich niet, maar herdenkt. De stilte deed mij soms denken aan de geluidloosheid op appèlplaatsen, die vaak onheilspellender was dan het geschreeuw van capo’s of commandanten.

Start / pauzeer slideshow

Zij roept ook, in een onzegbaar snel tempo, de in ons aller geheugen fotografisch vastgelegde gebeurtenissen van overval en bezetting, verzet en bevrijding in ons op. Aan deze herdenking van wat ons bewoog in de vijf donkerste jaren van onze geschiedenis, de herdenking ook van wat en wie wij verloren, is totnutoe voorzover wij weten niet getornd. De twee minuten stilte zijn vooralsnog een symbool van een verbondenheid, die in de jaren 1940-1945 een groot deel van het Nederlandse volk kenmerkte.

Anders is het met de vijfde Mei gesteld. Voor het afschaffen van de herdenking van onze bevrijding zijn zonderlinge argumenten aangevoerd. Het vreemdste is wel het bijna coïncideren van de herdenking met de verjaardag van de Koningin. Nog afgezien van het feit, dat deze twee feesten niets met elkaar te maken hebben, zou men de nuchtere opmerking kunnen maken, dat – aangenomen dat Nederland een monarchie blijft – er toch eens een tijd zal komen dat Koninginnedag en Bevrijdingsdag niet in één week vallen...

De vijfde Mei is een tweeledig symbool van het gevoel van vrijheid, waarvan wij ons in het ‘gewone’ leven doorgaans niet bewust zijn, maar dat zich na een periode van onderdrukking in zijn ware gedaante vertoont. Anderzijds een symbool der beëindiging van de macht van de kwelgeest die het grootste deel van ons volk bijna vijf jaar in zijn greep had.

Het is een merkwaardig feit, dat niet alleen de realiteit van, maar ook de herinnering aan onderdrukking en verzet zoveel sterker tot de verbeelding van de Nederlander spreken, dan de verwachting en de werkelijkheid van de bevrijding en van de vrijheid. In de kunst weerspiegelt zich dit zeer duidelijk.

Het lijkt wel alsof de Nederlander bevreesd is eens ronduit te juichen, vrolijk te zijn, te tonen dat hij zich gelukkig voelt. De enkele keren, dat hij het is, host hij. Ook door de musici werden kansen verzuimd. Er zijn in en na de oorlog door Nederlandse componisten belangrijke werken geschreven, die getuigen van hun strijdbare geest en van hun menselijke verantwoordelijkheid.

Ik heb daarover in De Vrije Katheder van 2 Mei 1947 reeds uitvoeriger geschreven. Het is echter een onloochenbaar feit, dat noch kwantitatief noch kwalitatief de ‘bevrijdings’-composities zich met de ‘verzets’-composities – deze aanduidingen zijn hier uiteraard in de ruimste zin bedoeld – kunnen meten. Men legge naast elkaar het korte declamatorium Doodenmarsch en het lied Daar komen de Canadezen van Henriëtte Bosmans; het symphonische ballet Katharsis en het lied Vrijheid van Bertus van Lier.

Niet alleen bleven de componisten in gebreke voorzover betreft de reactie op het phenomeen ‘bevrijding’, ook muziekinstituten en overheid schoten te kort. Dat de viering van de bevrijdingsdag geleidelijk meer en meer in het gedrang zou komen, lag in de lijn van de politieke ontwikkeling waarvan wij in de jaren na Mei 1945 getuige zijn geweest. In de culturele sector werd niets wezenlijks ondernomen om het symbool van de vijfde Mei levend te houden. En waarschijnlijk moeten wij dit als een parallel verschijnsel zien.

En wat had er niet gedaan kunnen worden! Hoe logisch zou het niet geweest zijn als men Beethovens Fidelio – een werk waarin op verheven en aangrijpende wijze alles is samengevat, wat wij zelf in de jaren 1940-1945 doorstonden – telkenjare in de Meidagen op het repertoire had genomen! Hoe verantwoord zou het niet zijn geweest, als men opdrachten aan dichters en componisten had gegeven tot het creëren van eenvoudige werken waarin de vreugde om de herwonnen vrijheid werd bezongen, werken die op straten en pleinen, in scholen en werkplaatsen hadden kunnen worden gezongen.

Dit alles is niet gebeurd en wij behoeven ons er nauwelijks over te verwonderen.

En toch protesteren wij tegen de afschaffing van de viering van de vijfde Mei. En niet omdat wij voorstanders zouden zijn van een kunstmatig in stand houden van iets wat niet in het volk leeft. Maar omdat de afschaffing – want ook een vijfde Mei als ‘snipperdag’ betekent een afschaffing van de vijfde Mei als symbolische feestdag – de laatste schakel in die keten van noodlottige verschijnselen is, die met de ‘barmhartigheid’ begon. En omdat zij een aanval in de rug is op hen die in de oorlog goed en bloed over hadden voor het voortbestaan van onze Nederlandse samenleving, een schending bovendien van de nagedachtenis van hen die ervoor gevallen zijn.

uit De Gids, 117e jaargang (1954)