Terugblik

De serie als traditie

Uit het Preludium maandblad maart 2018

De serie-B van het Koninklijk Concertgebouworkest heeft een lange geschiedenis. Maar hoe is de serie ooit begonnen? En waarin verschilde het abonnementsconcert in de begindagen van het orkest met dat van nu? Een terugblik op de origines van een grote traditie.

Dat de bouw van Het Concertgebouw in 1883 in een weiland buiten Amsterdam, in de gemeente Nieuwer-Amstel, van start ging, zal voor veel bezoekers een bekend gegeven zijn. Minder bekend is hoe een bezoek aan een concert eruitzag in die tijd. Dat had in de eerste dagen nogal wat voeten in de aarde.

'Er ontstond er een heuse koetsfile van 422 rijtuigen'

Letterlijk. Want doordat Het Concertgebouw buiten de stadsgrenzen was gebouwd, betekende een bezoek aan een van de concerten een flinke wandeling. Bij slechter weer was dit niet aan te raden – de wegen waren bij gebrek aan behoorlijke bestrating allesbehalve ideaal. Omdat het openbare vervoer van die tijd – omnibus en paardentram – Het Concertgebouw nog niet bereikte, besloten de meeste bezoekers in die eerste dagen tot een ritje met het rijtuig.

Het gevolg: bij het allereerste concert, op woensdag 11 april 1888 door een gelegenheidsorkest onder leiding van Henri Viotta, ontstond er een heuse koetsfile van 422 rijtuigen.

Herenabonnement

Al snel nadat Het Concertgebouw zijn deuren had geopend, werd opgeroepen tot de vorming van een eigen orkest. Op 8 juni 1888 verscheen in het Algemeen Handelsblad de oproep voor een orkestdirecteur. Het idee was om op 1 november 1888 te beginnen met ‘groote en kleine Concerten en Matinées, met en zonder Solisten, in de Concertzaal, in den tuin of op andere plaatsen, waar uitvoeringen gewenscht worden’.

Op 3 november 1888 kon het concert ter opening van het eerste abonnementsjaar plaatsvinden, onder leiding van de op dat moment 31-jarige Willem Kes. Op het programma stond, heel toepasselijk, onder meer Beethovens Ouverture ‘Die Weihe des Hauses’ – de inwijding van het huis.

Series zoals we die nu kennen waren er in de eerste jaren nog niet. Wel was er, naar voorbeeld van de Amsterdamse Parkzaal aan de Plantage Parklaan (gesloopt in 1881), vanaf het begin de mogelijkheid tot een abonnement. Voor f 30,- per jaar had een heer – want het abonnement stond altijd op naam van een heer – vrij toegang tot alle evenementen. Na 1 januari 1889 werd de prijs verlaagd naar f 15,-.

Start / pauzeer slideshow

Op zondagmiddag mochten de abonnementhouders zoveel dames meenemen als zij wilden. Bij de soirées hadden zij recht op toegang met één dame – voor iedere extra dame betaalden zij de helft van de entreeprijs voor het ‘losse’ publiek (aanvankelijk f1,-). Kinderen beneden de twaalf jaar hadden geen toegang tot de concerten. Zoons van geabonneerden tussen de twaalf en achttien jaar mochten – op schriftelijke aanvraag – voor een gulden mee.

Hekabonnees

In de regel werd elke zondagmiddag van twee tot half vijf muziek gemaakt, in de Grote Zaal of – ‘bij gunstig weder’ – in de tuin van Het Concertgebouw. Dit laatste tot groot plezier van de ‘hekabonnees’ – de mensen die bij mooi weer op zondagmiddag aan het hek van de Concertgebouwtuin kwamen luisteren naar de concerten.

Op donderdagavond vonden daarnaast de zogenoemde abonnementsconcerten plaats. Niet-geabonneerden konden hiervoor aparte kaarten kopen. De abonnementsconcerten werden afgewisseld door ‘buitengewone abonnements-concerten’, uitvoeringen met belangrijke solistische optredens, die voor niet-abonnees iets duurder waren.

De zondagmiddagconcerten, die alleen voor abonnees toegankelijk waren, onderscheidden zich van de abonnementsconcerten op donderdag door hun meer onderhoudende karakter – ze werden vaak met een mars geopend, waarna één of meerdere ouvertures volgden.

De donderdagavondconcerten dienden een hoger doel. Zij boden naast de vertrouwde en aanstekelijke composities ook werken die in artistiek opzicht belangrijk werden geacht – zoals die van Richard Strauss. Zo werd geprobeerd de bezoekers muzikaal op te voeden.

Waar de avonden aanvankelijk nog vooral werden gezien als sociale gebeurtenis – met obers die rondliepen om de bezoekers ook tijdens het concert van een drankje te voorzien – zorgde Willem Kes voor ‘luisterdiscipline’ en bracht hij ook de orkestleden discipline bij.

De eerste B-serie

In seizoen 1901/1902 werden de concerten op donderdagavond voor het eerst als B-serie gepresenteerd. Abonnees kregen de gelegenheid te kiezen tussen ‘solisten-concerten’ op de woensdagavond – Serie A – of de donderdagavond – Serie B. Tot schrik van het bestuur bleek het overgrote deel van de abonnees vast te houden aan de donderdagavondconcerten.

Het zag zich genoodzaakt de abonnees te vragen op hun wens terug te komen – ‘een meer gelijke verdeeling van het bezoek over de beide avonden’ was immers in het belang der abonnees en ‘tevens bevorderlijk aan het welslagen van den nieuwen maatregel, welke […] genomen is ten gerieve der abonné’s’.

Het zou het begin zijn van een Amsterdamse traditie. Meer dan een eeuw later vormt de serie B nog altijd het hart van de programmering van het Concertgebouworkest. Het orkest blinkt uit in de mooiste symfonieën en concerten, met de grootste dirigenten en solisten.

De uitvoeringen op zondagmiddag hebben in de loop der tijd afscheid moeten nemen van de hekabonnees en de marsen. Maar als de serie Z zijn ook deze zondagmatinees nog altijd een onmisbaar onderdeel van het concertseizoen bij het Koninklijk Concertgebouworkest.