Sol Gabetta: 'Mijn muzikale honger is onstilbaar’

Interview

Twee handen op een buik: mezzosopraan Cecilia Bartoli en celliste Sol Gabetta doken samen in de geschiedenis en presenteren Dolce ­Duello, met zeventiende- en achttiende-eeuwse muziek. Deze maand klinkt hun programma in de Grote Zaal. De celliste aan het woord.

tekst: Frederike Berntsen

De promofoto van twee diva’s: met een zoete glimlach zitten mezzosopraan Cecilia ­Bartoli en celliste Sol Gabetta naast elkaar op een sofa. De dames kijken uitdagend de camera in, de nagels rood gelakt, wilde bloemen in het haar. Wat voeren die twee in hun schild? ‘Dat is een mediadingetje van de platenmaatschappij van Cecilia’, lacht Sol Gabetta. ‘Met Cecilia werk ik aan een fantastisch project. We hebben breed opgezet onderzoek gedaan naar muziek die we samen kunnen ­uitvoeren; zeventiende- en achttiende-eeuwse stukken, niet makkelijk om te vinden.’

Gabetta steekt van wal, ze is vervuld van de muzikale ontdekkingen die ze samen met de mezzosopraan doet. Bij de cd hoort een tournee die de musiciennes op 27 november naar de Grote Zaal van Het Concertgebouw brengt. De combinatie cello en stem is wat ­Gabetta betreft perfect. ‘De idealen die horen bij gaaf cellospel hebben te maken met ­legato, met ademen, je wilt de melodie zingen met je strijkstok. Voor een zanger is dat allemaal natuurlijk, de stem is onderdeel van het lichaam.’

Schatgraven
‘Als klein meisje op de crèche zong ik veel, dat hoorde gewoon bij mij. Toen ik begon met cello, ben ik altijd dat zingende meisje gebleven, dat wilde ik ook op mijn instrument. Mijn belangrijkste preoccupatie is: hoe zorg ik voor een warme klank, hoe kan ik door mijn cantabile tot het publiek spreken? In al deze dingen is Cecilia een ster, ik bewonder haar zeer. Zij kan intiem spreken terwijl ze zingt. Haar sterkste kant laat ze horen in de langzame delen, ze maakt geluid zonder kracht te zetten.’

Cecilia Bartoli en Sol Gabetta

Gabetta volgt twee sporen. Aan het begin van haar carrière zat ze diep in het romantische repertoire voor de cello. Pas later, zo’n tien jaar geleden, is daar de verkenning van barokmuziek bijgekomen. Ze richtte het barokensemble Cappella Gabetta op, waarin broer Andrés de rol van concertmeester vervult. Cappella Gabetta begeleidt de diva’s in ­Dolce Duello. In de concertpraktijk van Gabetta en haar ensemble is de herontdekking van onbekend materiaal essentieel. En daar ligt een belangrijke link naar Bartoli: voor de mezzo is schatgraven een tweede natuur. Eens in de zoveel tijd vergast ze haar publiek op een verrassend programma: nieuw licht op een componist of een stukje muziek­geschiedenis.

Grens
‘Onze passie voor het onbekende is inderdaad iets wat Cecilia en ik delen. Als ik voor mezelf spreek: na een periode met de grote, beroemde stukken voor je eigen instrument, belangrijke concerten en sonates, kom je bij een grens. Er moet meer zijn, en er is ook meer. Ik wilde graag op zoek, mijn muzikale honger is onstilbaar. Cecilia ken ik al geruime tijd, we traden op tijdens dezelfde festivals. Dit is een voorbeeld van op het juiste moment op de juiste plek zijn. Ons plan broeit al een aantal jaren.

"Voor mij is het heel interessant om te graven in de periode waarin de cello opkwam als solo-instrument, de zeventiende eeuw"

Op de een of andere manier zitten er ook vergelijkbare trekken in onze karakters, al kan ik er niet precies de vinger op leggen. Als ik naar Cecilia kijk zie ik een echte professional met een zonnig karakter en een enorme muzikale generositeit, die bovendien van iedereen met wie ze samenwerkt iets wil opsteken. Dit is het soort musicus waarnaar ik altijd op zoek ben.’

Over wát de beide dames dan samen met Cappella Gabetta uitvoeren, zwijgt de celliste ten tijde van het gesprek in alle talen, hoewel de tournee niet meer zo lang op zich laat wachten. Even raden: Händel? Vivaldi? Porpora? ‘Close! Voor mij is het heel interessant om te graven in de periode waarin de cello opkwam als solo-instrument, de zeventiende eeuw. De cello ontwikkelde zich in die tijd razendsnel, de traditie en de geschiedenis ervan vind ik fascinerend.

Toen ik de barokmuziek ontdekte, de kleuren, het spel van barokmusici, hun manier van articuleren, was ik verkocht. Ik heb nu twee cello’s, een daarvan is volledig afgestemd op de barokpraktijk, met darmsnaren. De cello is eigenlijk geen instrument voor met een groot orkest, de balansproblemen zijn vaak enorm. Voor een orkest is het niet makkelijk om ons te begeleiden. Een intieme setting is voor een cello prettiger.’

‘Cappella en ik staan trouwens versteld van de samenwerking met Cecilia. Ik heb al wel met zangers in een koor gespeeld, maar niet met solisten. Ik dacht altijd: ik moet me aanpassen, zangers hebben tijd nodig om te ­ademen, daarop moet ik wachten. Maar ­Cecilia weet en voelt vanaf noot één wat de musici om haar heen van plan zijn, welke richting ze uitgaan. Zij paste zich aan óns aan. Ongelooflijk.’

  1. is de uitgever van Preludium