Interview: de klok van Ryan Wigglesworth

Uit het Preludium maandblad mei 2017

Alleskunner Ryan Wigglesworth dirigeert het Koninklijk Concert-gebouworkest in een A-concert en in het derde Horizon-programma van dit seizoen, getiteld British Intelligence. Naast Britten, Elgar en Knussen staat een wereldpremière op de rol, een werk dat Wigglesworth schreef in opdracht van het orkest.

tekst: Frederike Berntsen

Op de achtergrond blaft een hond. ‘Die vraagt om aandacht’, zegt de Engelse dirigent en componist Ryan Wigglesworth (1979). ‘Als ik zit te componeren wil hij buitenspelen of eten of een aai. Het is een cockerspaniël van twee jaar oud.’

Wigglesworth plooit zijn dagen niet om de muziek heen, maar om het huisdier. ‘Tamelijk ideaal, mijn partner en ik wonen buiten, in Yorkshire, en de dagen waarop ik me kan concentreren op schrijven en kan wandelen met de hond zijn zeer evenwichtig.’

Een afspraak van een paar dagen eerder moest afgezegd worden: Wigglesworth zit midden in de repetities voor zijn eerste opera The Winter’s Tale, gebaseerd op Shakespeares gelijknamige toneelstuk. Als we hem uiteindelijk aan de lijn hebben is hij lyrisch over de cast bij de English National Opera, waar hij composer in residence is.

De klok en de tijd

De wens om van deze Shakespeare een opera te maken draagt hij al lang met zich mee. De afgelopen vier jaar heeft hij er hard aan gewerkt, en tegelijkertijd dacht hij na over zijn opdrachtcompositie voor het Koninklijk Concertgebouworkest.

Wigglesworth dirigeert op 11 en 12 mei het gezelschap voor het eerst in de wereldpremière van Clocks from a Winter’s Tale. Geen toeval, deze titel. ‘De ideeën die ik in de opera heb verwerkt, komen terug in het orkeststuk. Tijd speelt een belangrijke rol, de realistische tijd en de psychologische tijd.

De drie delen verschillen van karakter, in het begin hoor je intensiteit en duisternis, het middendeel is luchtig en aan het slot komt het materiaal uit het eerste deel terug, maar dan als in een droom.’

De klok als voorwerp, daar wil Wigglesworth nog wel iets over kwijt. Een topervaring vormde een tentoonstelling met oude Engelse klokken, een paar jaar terug in Oxford. ‘Iedere klok heeft een eigen persoonlijkheid’, zegt hij liefdevol.

‘Ze zijn gemaakt om objectief de tijd weer te geven, en tegelijk zijn het complexe apparaten van een enorme schoonheid. Klokken belichamen voor mij de puurste vorm van intelligentie.’

Ik vroeg hem onmiddellijk of hij thuis tussen het getik van al dat moois zit te componeren, maar nee, de exemplaren die hij zou willen hebben zijn onbetaalbaar.

Brits verschijnsel

Wigglesworth was een paar seizoenen terug al wat uitgebreider in Nederland, toen hij artist in residence was bij het Nederlands Kamerorkest. Zijn Vioolconcert schreef hij voor de concertmeester Gordan Nikolić, die het in 2012 in première bracht. Nu dan het Koninklijk Concertgebouworkest.

"Ik ben bang dat ik een lastpak ben als iemand anders op de bok zou staan."

‘Een première zelf dirigeren is wel zo praktisch, omdat ik het stuk als geen ander ken. Ik ben bang dat ik een lastpak ben als iemand anders op de bok zou staan. Net als dat je gaat “meerijden” wanneer je naast de chauffeur in de auto zit.’

Hij dirigeert het Concertgebouworkest in twee aan elkaar verwante programma’s met louter Engelse composities. British Intelligence is het thema van het concert op donderdag in de serie Horizon. De programma’s reflecteren op het raadsel als typisch Brits verschijnsel.

Start / pauzeer slideshow

‘Ik heb er altijd van gedroomd om dit orkest te horen in Edward Elgars Enigma Variations. De klankkleur van het Concertgebouworkest is zo verfijnd, eenzelfde verfijning zit in dat werk. Ik hou van programma’s met veel contrasten.

Tegenover de orkestwerken van Elgar, Benjamin Britten – Four Sea Interludes – en mezelf staat een soloconcert: het Hoornconcert van Oliver Knussen. Olli is een goede vriend van me, ik ben een groot bewonderaar van zijn werk.’

‘Raadsels? Denk aan Sherlock Holmes, ik geloof dat het enigma diep in het Engelse bewustzijn zit. Olli’s muziek zit vol met codes. Hij schreef het concert voor zijn goede vriend, de hoornist Barry Tuckwell.

Tegen het einde zit een prachtig moment voor hoorn en contrabas: Stuart Knussen, Olli’s vader, was eerste bassist in het London Symphony Orchestra. Dat soort dingen. Elgars werk vormt het duidelijkste voorbeeld als je het over raadsels hebt. Muziek is zo abstract, zo moeilijk uit te leggen, dat ze vanzelf al een groot mysterie is.’

Idioom

‘Wat ik schrijf komt voort uit de muziek waar ik van hou. En het komt niet doordat zij ook Engelsen zijn, maar ik voel me nauw verbonden met de muzikale taal van Britten en Elgar. Britten – en ik vind dat heel goed van hem – componeerde voor de gemeenschap waarin hij leefde.

Hij zette zelfs een festival op in zijn leefomgeving: een kleinere gemeenschap de mogelijkheid geven om muziek te beleven, is goud waard. Dat soort festivals schieten in Engeland als paddenstoelen uit de grond, geweldig.’

‘Ik houd me met zeer divers repertoire bezig, maar de twee componisten bij wie ik steeds terugkom zijn Beethoven en Stravinsky. Ik ben gefascineerd door de brille van hun muziek. Het is vrij eenvoudig om voor groot orkest te schrijven, en met kleur te werken en een bepaald effect te bereiken.

Maar helderheid in de textuur is een ander verhaal. Ik ben een paar jaar geleden bewust begonnen met het vereenvoudigen van mijn idioom. Het Vioolconcert en Augenlieder vormen daar goede voorbeelden van. Alles terugbrengen naar twee lijnen, zo simpel mogelijk. Natuurlijk hoor je meer dan twee lijnen, maar het gaat om het principe.’

En o ja…

Vergeten we bijna dat Wigglesworth naast componist en dirigent ook als het zo uitkomt een Mozart-pianoconcert leidt vanachter de vleugel.

‘De verschillende disciplines voeden elkaar. Een componist die weet wat er in een orkest gebeurt, hoe de verhoudingen zijn, begrijpt beter hoe hij moet schrijven. Elgar was daar als violist en dirigent een prachtig voorbeeld van.

Omgekeerd: een dirigent die weet hoe het is om te componeren, wat voor inspanning daarin gaat zitten, kijkt heel anders naar een partituur dan iemand die daar geen idee van heeft. Ten slotte, pianospelen is mijn enige mogelijkheid om zelf geluid te produceren als musicus, je staat in weer een heel andere verhouding tot je collega’s in een orkest.

Maar in de basis ben ik componist. Ik schreef als ventje al stukken, toen ik nog een koorknaapje was en renaissancemuziek zong in de kathedraal van Sheffield. Bezig zijn met muziek, daar gaat het me om, of dat nu als componist, dirigent of pianist is, dat maakt niet uit.’

  1. is de uitgever van Preludium