
Andrè Schuen en Daniel Heide in Mahler en Schubert
Kleine Zaal 12 december 2023 20.15 uur
Andrè Schuen bariton
Daniel Heide piano
Dit concert maakt deel uit van de serie Vocaal 2.
Zangteksten zijn gratis verkrijgbaar aan de zaal.
Gustav Mahler (1860-1911)
Lieder eines fahrenden Gesellen (1883-85)
Wenn mein Schatz Hochzeit macht
Ging heut’ morgen übers Feld
Ich hab’ ein glühend Messer
Die zwei blauen Augen
Franz Schubert (1797-1828)
An den Mond, D 259 (1815)
Im Frühling, D 882 (1826)
Der Schiffer, D 536 (1817)
Abendstern, D 806 (1824)
Das Fischers Liebesglück, D 933 (1827)
Der Musensohn, D 764 (1822)
pauze ± 20.55 uur
Franz Schubert
Sei mir gegrüsst, D 741 (1821-22)
Du bist die Ruh, D 776 (1823)
Dass sie hier gewesen, D 775 (1823)
Gustav Mahler
Rückert-Lieder (1901-02)
Liebst du um Schönheit
Blicke mir nicht in die Lieder
Ich atmet’ einen linden Duft
Um Mitternacht
Ich bin der Welt abhanden gekommen
einde ± 22.00 uur
Andrè Schuen bariton
Daniel Heide piano
Dit concert maakt deel uit van de serie Vocaal 2.
Zangteksten zijn gratis verkrijgbaar aan de zaal.
Gustav Mahler (1860-1911)
Lieder eines fahrenden Gesellen (1883-85)
Wenn mein Schatz Hochzeit macht
Ging heut’ morgen übers Feld
Ich hab’ ein glühend Messer
Die zwei blauen Augen
Franz Schubert (1797-1828)
An den Mond, D 259 (1815)
Im Frühling, D 882 (1826)
Der Schiffer, D 536 (1817)
Abendstern, D 806 (1824)
Das Fischers Liebesglück, D 933 (1827)
Der Musensohn, D 764 (1822)
pauze ± 20.55 uur
Franz Schubert
Sei mir gegrüsst, D 741 (1821-22)
Du bist die Ruh, D 776 (1823)
Dass sie hier gewesen, D 775 (1823)
Gustav Mahler
Rückert-Lieder (1901-02)
Liebst du um Schönheit
Blicke mir nicht in die Lieder
Ich atmet’ einen linden Duft
Um Mitternacht
Ich bin der Welt abhanden gekommen
einde ± 22.00 uur
Toelichting
Gustav Mahler 1860-1911
Andrè Schuen en Daniel Heide in Mahler en Schubert
Mahler: Lieder eines fahrenden Gesellen
‘Zij is alles wat lieflijk is op deze wereld. […] Maar ik weet dat ik moet gaan. Ik heb alles in het werk gesteld maar zie nog steeds geen uitweg. Werkelijk Adieu!’ Aldus schreef de 24-jarige Gustav Mahler op Nieuwjaarsdag 1885 aan een vriend. Wie is die zij? De jonge zangeres Johanne Richter. Waarom moet Mahler weg? Ze beantwoordt zijn liefde niet, dat is hard, bovendien heeft de operadirigent problemen met zijn meerderen. Dus: gaan. En de wereld een smartelijke getuigenis achterlaten van zijn liefde, de Lieder eines fahrenden Gesellen.
Liederen van afscheid en vertrek: de ‘ik’ is hierin een eenzame, dolende gezel, verdriet heeft het leven van zijn betekenis beroofd. Vrolijk viert zijn schatje haar bruiloft (Wenn mein Schatz): een dansant tertsendeuntje, echter onmiddellijk gevolgd door een trieste koekoeksroep want ze trouwt met een ander. De abrupte tempo- en maatwisselingen (in Mahlers tijd nog zeer ongewoon) vertolken de instabiele gevoelens van de gezel. Hij zoekt soelaas in het open veld, in de natuur (Ging heut’ morgen). In Ich hab’ ein glühend Messer snijdt de liefdespijn ‘so tief’; ook hier instabiele tempo’s. In het slotlied probeert hij onder de zoete troost van een bloesemsneeuwende linde de obsederende gedachten aan ‘die zwei blauen Augen’ kwijt te raken; daar lijkt ‘alles wieder gut’. Mahler hechtte erg aan deze vroege liederen; thema’s uit het tweede en vierde lied zou hij gebruiken in zijn Eerste symfonie (1885-88). Maar over de grotendeels door hemzelf geschreven teksten was hij later wat kritisch: ‘De Boheemse muzikant laat zich horen, sentimenteel als hij het over zijn liefje heeft maar zuiver in zijn verering voor de natuur.’
Schubert: liederen naar Goethe, Schulze, Mayrhofer en Leitner
Franz Schubert zette begin negentiende eeuw het genre van het Lied op de kaart. Hij was een voorbeeld voor Mahler, hoewel die hem niet klakkeloos bewonderde: van Schuberts zeshonderd (!) liederen vond Mahler er maar honderd goed. Maar liefst 71 keer verklankte Schubert de dichter Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832). Zo ontstonden op 19 augustus 1815 in één klap vijf Goethe-liederen, waaronder An den Mond. Tragisch is de historische achtergrond van het gedicht: een meisje had zichzelf vanwege een ongelukkige liefde verdronken in het riviertje dat vlak langs Goethes tuinhuis stroomde. Goethe laat haar zich tot de rivier en haar geliefde tegelijk richten, de twee versmelten in een dodelijke koude omhelzing. Kende Schubert deze achtergrond? Vreemd genoeg staat het lied in majeur en zweemt het eerder naar Haydn dan naar de Romantiek. Im Frühling, op tekst van Schuberts vriend Ernst Schulze, beschrijft een verloren geluksgevoel, ‘de liefde zelf en helaas verdriet achterlatend’.
Twee jaar woonde Schubert op een wrakke zolderkamer in Wenen samen met Johann Mayrhofer – dichter, jurist, zwaarmoedig, hij zou later zelfmoord plegen. Ze werkten symbiotisch samen; Mayrhofer begreep zijn eigen gedichten pas als Schubert ze had getoonzet. En dat gebeurde 47 keer. Uitgelaten is Der Schiffer, melancholiek Abendstern: de avondster verwijst naar de ster van de liefde, die ver en onbereikbaar aan de hemel staat, ‘ik zaai [het zaad], zie het niet ontkiemen, en blijf rustig treurend thuis.’ Merkwaardig in mineur – Karl Gottfried von Leitners tekst is opgewekt! – volgt dan Des Fischers Liebesglück, vol gebeurtenissen, van liefdessmachten tot kus.
Met Der Musensohn keren we terug naar Goethe. Een walsachtige begeleiding en charmante voorhoudinkjes; voelde Schubert zich aan deze zoon der muzen verwant wanneer hij zijn vrienden tijdens de dans urenlang op de piano begeleidde met geïmproviseerde walsjes?
Mahler: Lieder eines fahrenden Gesellen
‘Zij is alles wat lieflijk is op deze wereld. […] Maar ik weet dat ik moet gaan. Ik heb alles in het werk gesteld maar zie nog steeds geen uitweg. Werkelijk Adieu!’ Aldus schreef de 24-jarige Gustav Mahler op Nieuwjaarsdag 1885 aan een vriend. Wie is die zij? De jonge zangeres Johanne Richter. Waarom moet Mahler weg? Ze beantwoordt zijn liefde niet, dat is hard, bovendien heeft de operadirigent problemen met zijn meerderen. Dus: gaan. En de wereld een smartelijke getuigenis achterlaten van zijn liefde, de Lieder eines fahrenden Gesellen.
Liederen van afscheid en vertrek: de ‘ik’ is hierin een eenzame, dolende gezel, verdriet heeft het leven van zijn betekenis beroofd. Vrolijk viert zijn schatje haar bruiloft (Wenn mein Schatz): een dansant tertsendeuntje, echter onmiddellijk gevolgd door een trieste koekoeksroep want ze trouwt met een ander. De abrupte tempo- en maatwisselingen (in Mahlers tijd nog zeer ongewoon) vertolken de instabiele gevoelens van de gezel. Hij zoekt soelaas in het open veld, in de natuur (Ging heut’ morgen). In Ich hab’ ein glühend Messer snijdt de liefdespijn ‘so tief’; ook hier instabiele tempo’s. In het slotlied probeert hij onder de zoete troost van een bloesemsneeuwende linde de obsederende gedachten aan ‘die zwei blauen Augen’ kwijt te raken; daar lijkt ‘alles wieder gut’. Mahler hechtte erg aan deze vroege liederen; thema’s uit het tweede en vierde lied zou hij gebruiken in zijn Eerste symfonie (1885-88). Maar over de grotendeels door hemzelf geschreven teksten was hij later wat kritisch: ‘De Boheemse muzikant laat zich horen, sentimenteel als hij het over zijn liefje heeft maar zuiver in zijn verering voor de natuur.’
Schubert: liederen naar Goethe, Schulze, Mayrhofer en Leitner
Franz Schubert zette begin negentiende eeuw het genre van het Lied op de kaart. Hij was een voorbeeld voor Mahler, hoewel die hem niet klakkeloos bewonderde: van Schuberts zeshonderd (!) liederen vond Mahler er maar honderd goed. Maar liefst 71 keer verklankte Schubert de dichter Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832). Zo ontstonden op 19 augustus 1815 in één klap vijf Goethe-liederen, waaronder An den Mond. Tragisch is de historische achtergrond van het gedicht: een meisje had zichzelf vanwege een ongelukkige liefde verdronken in het riviertje dat vlak langs Goethes tuinhuis stroomde. Goethe laat haar zich tot de rivier en haar geliefde tegelijk richten, de twee versmelten in een dodelijke koude omhelzing. Kende Schubert deze achtergrond? Vreemd genoeg staat het lied in majeur en zweemt het eerder naar Haydn dan naar de Romantiek. Im Frühling, op tekst van Schuberts vriend Ernst Schulze, beschrijft een verloren geluksgevoel, ‘de liefde zelf en helaas verdriet achterlatend’.
Twee jaar woonde Schubert op een wrakke zolderkamer in Wenen samen met Johann Mayrhofer – dichter, jurist, zwaarmoedig, hij zou later zelfmoord plegen. Ze werkten symbiotisch samen; Mayrhofer begreep zijn eigen gedichten pas als Schubert ze had getoonzet. En dat gebeurde 47 keer. Uitgelaten is Der Schiffer, melancholiek Abendstern: de avondster verwijst naar de ster van de liefde, die ver en onbereikbaar aan de hemel staat, ‘ik zaai [het zaad], zie het niet ontkiemen, en blijf rustig treurend thuis.’ Merkwaardig in mineur – Karl Gottfried von Leitners tekst is opgewekt! – volgt dan Des Fischers Liebesglück, vol gebeurtenissen, van liefdessmachten tot kus.
Met Der Musensohn keren we terug naar Goethe. Een walsachtige begeleiding en charmante voorhoudinkjes; voelde Schubert zich aan deze zoon der muzen verwant wanneer hij zijn vrienden tijdens de dans urenlang op de piano begeleidde met geïmproviseerde walsjes?
Schubert: liederen naar Rückert
Voor de drie Schubert-liederen na de pauze leverde Friedrich Rückert (1788-1866) de tekst. Sei mir gegrüsst gebruikte Schubert in 1827 ook in zijn Fantasie voor viool en piano, D 934. Du bist die Ruh formuleert geniaal de essentie van een geliefde: ‘Jij bent de rust, / de milde vrede, / jij bent het verlangen, / en wat het stilt’; er zit een spannende modulatie voorafgaand aan ‘deinem Glanz allein erhellt’. Indertijd moet men geschrokken zijn van de moderne klanken van Dass sie hier gewesen: pas in maat 12 klinkt de hoofdtoonsoort C groot.
Mahler: Rückert-Lieder
Uit de tienduizenden(!) gedichten van dichter en hoogleraar oosterse talen Friedrich Rückert koos Mahler er vijf. De dirigent Bruno Walter (1876-1962) noemde deze liederen ‘zijn meest intieme scheppingen’. Alle zijn in de ik-vorm. Ze behandelen grote thema’s als twijfel, liefde, verlossing. Blicke mir nicht in die Lieder is een luchtige opmaat: bespied de kunstenaar niet zo nieuwsgierig bij zijn arbeid. Ich atmet’ einen linden Duft speelt met het Duitse woord ‘Linde’, dat zowel ‘linde’ als ‘zacht’ betekent. De menselijke berusting, en die van Mahler, zijn het onderwerp van de twee volgende, veel grotere liederen. Um Mitternacht: vier zoekende mineurcoupletten, dan het plotseling stralende majeur-vertrouwen van ‘Hab ich die Macht in Deine Hand gegeben: Herr über Tod und Leben’. Opmerkelijk dat zo’n omvangrijk lied uit een minuscule kiem opbloeit: drie noten, binnen de minimale omvang van d-es-d. In Ich bin der Welt abhanden gekommen heeft de kunstenaar zich van de wereld losgemaakt. Geen aards tumult meer, hij leeft alleen, zonder banden, in zijn eigen hemel: het ideaal van de romanticus. ‘Dit lied ben ik zelf,’ zei Mahler. Liebst du um Schönheit ten slotte was een liefdeslied voor zijn jonge vrouw Alma.
Schubert: liederen naar Rückert
Voor de drie Schubert-liederen na de pauze leverde Friedrich Rückert (1788-1866) de tekst. Sei mir gegrüsst gebruikte Schubert in 1827 ook in zijn Fantasie voor viool en piano, D 934. Du bist die Ruh formuleert geniaal de essentie van een geliefde: ‘Jij bent de rust, / de milde vrede, / jij bent het verlangen, / en wat het stilt’; er zit een spannende modulatie voorafgaand aan ‘deinem Glanz allein erhellt’. Indertijd moet men geschrokken zijn van de moderne klanken van Dass sie hier gewesen: pas in maat 12 klinkt de hoofdtoonsoort C groot.
Mahler: Rückert-Lieder
Uit de tienduizenden(!) gedichten van dichter en hoogleraar oosterse talen Friedrich Rückert koos Mahler er vijf. De dirigent Bruno Walter (1876-1962) noemde deze liederen ‘zijn meest intieme scheppingen’. Alle zijn in de ik-vorm. Ze behandelen grote thema’s als twijfel, liefde, verlossing. Blicke mir nicht in die Lieder is een luchtige opmaat: bespied de kunstenaar niet zo nieuwsgierig bij zijn arbeid. Ich atmet’ einen linden Duft speelt met het Duitse woord ‘Linde’, dat zowel ‘linde’ als ‘zacht’ betekent. De menselijke berusting, en die van Mahler, zijn het onderwerp van de twee volgende, veel grotere liederen. Um Mitternacht: vier zoekende mineurcoupletten, dan het plotseling stralende majeur-vertrouwen van ‘Hab ich die Macht in Deine Hand gegeben: Herr über Tod und Leben’. Opmerkelijk dat zo’n omvangrijk lied uit een minuscule kiem opbloeit: drie noten, binnen de minimale omvang van d-es-d. In Ich bin der Welt abhanden gekommen heeft de kunstenaar zich van de wereld losgemaakt. Geen aards tumult meer, hij leeft alleen, zonder banden, in zijn eigen hemel: het ideaal van de romanticus. ‘Dit lied ben ik zelf,’ zei Mahler. Liebst du um Schönheit ten slotte was een liefdeslied voor zijn jonge vrouw Alma.
Gustav Mahler 1860-1911
Andrè Schuen en Daniel Heide in Mahler en Schubert
Mahler: Lieder eines fahrenden Gesellen
‘Zij is alles wat lieflijk is op deze wereld. […] Maar ik weet dat ik moet gaan. Ik heb alles in het werk gesteld maar zie nog steeds geen uitweg. Werkelijk Adieu!’ Aldus schreef de 24-jarige Gustav Mahler op Nieuwjaarsdag 1885 aan een vriend. Wie is die zij? De jonge zangeres Johanne Richter. Waarom moet Mahler weg? Ze beantwoordt zijn liefde niet, dat is hard, bovendien heeft de operadirigent problemen met zijn meerderen. Dus: gaan. En de wereld een smartelijke getuigenis achterlaten van zijn liefde, de Lieder eines fahrenden Gesellen.
Liederen van afscheid en vertrek: de ‘ik’ is hierin een eenzame, dolende gezel, verdriet heeft het leven van zijn betekenis beroofd. Vrolijk viert zijn schatje haar bruiloft (Wenn mein Schatz): een dansant tertsendeuntje, echter onmiddellijk gevolgd door een trieste koekoeksroep want ze trouwt met een ander. De abrupte tempo- en maatwisselingen (in Mahlers tijd nog zeer ongewoon) vertolken de instabiele gevoelens van de gezel. Hij zoekt soelaas in het open veld, in de natuur (Ging heut’ morgen). In Ich hab’ ein glühend Messer snijdt de liefdespijn ‘so tief’; ook hier instabiele tempo’s. In het slotlied probeert hij onder de zoete troost van een bloesemsneeuwende linde de obsederende gedachten aan ‘die zwei blauen Augen’ kwijt te raken; daar lijkt ‘alles wieder gut’. Mahler hechtte erg aan deze vroege liederen; thema’s uit het tweede en vierde lied zou hij gebruiken in zijn Eerste symfonie (1885-88). Maar over de grotendeels door hemzelf geschreven teksten was hij later wat kritisch: ‘De Boheemse muzikant laat zich horen, sentimenteel als hij het over zijn liefje heeft maar zuiver in zijn verering voor de natuur.’
Schubert: liederen naar Goethe, Schulze, Mayrhofer en Leitner
Franz Schubert zette begin negentiende eeuw het genre van het Lied op de kaart. Hij was een voorbeeld voor Mahler, hoewel die hem niet klakkeloos bewonderde: van Schuberts zeshonderd (!) liederen vond Mahler er maar honderd goed. Maar liefst 71 keer verklankte Schubert de dichter Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832). Zo ontstonden op 19 augustus 1815 in één klap vijf Goethe-liederen, waaronder An den Mond. Tragisch is de historische achtergrond van het gedicht: een meisje had zichzelf vanwege een ongelukkige liefde verdronken in het riviertje dat vlak langs Goethes tuinhuis stroomde. Goethe laat haar zich tot de rivier en haar geliefde tegelijk richten, de twee versmelten in een dodelijke koude omhelzing. Kende Schubert deze achtergrond? Vreemd genoeg staat het lied in majeur en zweemt het eerder naar Haydn dan naar de Romantiek. Im Frühling, op tekst van Schuberts vriend Ernst Schulze, beschrijft een verloren geluksgevoel, ‘de liefde zelf en helaas verdriet achterlatend’.
Twee jaar woonde Schubert op een wrakke zolderkamer in Wenen samen met Johann Mayrhofer – dichter, jurist, zwaarmoedig, hij zou later zelfmoord plegen. Ze werkten symbiotisch samen; Mayrhofer begreep zijn eigen gedichten pas als Schubert ze had getoonzet. En dat gebeurde 47 keer. Uitgelaten is Der Schiffer, melancholiek Abendstern: de avondster verwijst naar de ster van de liefde, die ver en onbereikbaar aan de hemel staat, ‘ik zaai [het zaad], zie het niet ontkiemen, en blijf rustig treurend thuis.’ Merkwaardig in mineur – Karl Gottfried von Leitners tekst is opgewekt! – volgt dan Des Fischers Liebesglück, vol gebeurtenissen, van liefdessmachten tot kus.
Met Der Musensohn keren we terug naar Goethe. Een walsachtige begeleiding en charmante voorhoudinkjes; voelde Schubert zich aan deze zoon der muzen verwant wanneer hij zijn vrienden tijdens de dans urenlang op de piano begeleidde met geïmproviseerde walsjes?
Mahler: Lieder eines fahrenden Gesellen
‘Zij is alles wat lieflijk is op deze wereld. […] Maar ik weet dat ik moet gaan. Ik heb alles in het werk gesteld maar zie nog steeds geen uitweg. Werkelijk Adieu!’ Aldus schreef de 24-jarige Gustav Mahler op Nieuwjaarsdag 1885 aan een vriend. Wie is die zij? De jonge zangeres Johanne Richter. Waarom moet Mahler weg? Ze beantwoordt zijn liefde niet, dat is hard, bovendien heeft de operadirigent problemen met zijn meerderen. Dus: gaan. En de wereld een smartelijke getuigenis achterlaten van zijn liefde, de Lieder eines fahrenden Gesellen.
Liederen van afscheid en vertrek: de ‘ik’ is hierin een eenzame, dolende gezel, verdriet heeft het leven van zijn betekenis beroofd. Vrolijk viert zijn schatje haar bruiloft (Wenn mein Schatz): een dansant tertsendeuntje, echter onmiddellijk gevolgd door een trieste koekoeksroep want ze trouwt met een ander. De abrupte tempo- en maatwisselingen (in Mahlers tijd nog zeer ongewoon) vertolken de instabiele gevoelens van de gezel. Hij zoekt soelaas in het open veld, in de natuur (Ging heut’ morgen). In Ich hab’ ein glühend Messer snijdt de liefdespijn ‘so tief’; ook hier instabiele tempo’s. In het slotlied probeert hij onder de zoete troost van een bloesemsneeuwende linde de obsederende gedachten aan ‘die zwei blauen Augen’ kwijt te raken; daar lijkt ‘alles wieder gut’. Mahler hechtte erg aan deze vroege liederen; thema’s uit het tweede en vierde lied zou hij gebruiken in zijn Eerste symfonie (1885-88). Maar over de grotendeels door hemzelf geschreven teksten was hij later wat kritisch: ‘De Boheemse muzikant laat zich horen, sentimenteel als hij het over zijn liefje heeft maar zuiver in zijn verering voor de natuur.’
Schubert: liederen naar Goethe, Schulze, Mayrhofer en Leitner
Franz Schubert zette begin negentiende eeuw het genre van het Lied op de kaart. Hij was een voorbeeld voor Mahler, hoewel die hem niet klakkeloos bewonderde: van Schuberts zeshonderd (!) liederen vond Mahler er maar honderd goed. Maar liefst 71 keer verklankte Schubert de dichter Johann Wolfgang von Goethe (1749-1832). Zo ontstonden op 19 augustus 1815 in één klap vijf Goethe-liederen, waaronder An den Mond. Tragisch is de historische achtergrond van het gedicht: een meisje had zichzelf vanwege een ongelukkige liefde verdronken in het riviertje dat vlak langs Goethes tuinhuis stroomde. Goethe laat haar zich tot de rivier en haar geliefde tegelijk richten, de twee versmelten in een dodelijke koude omhelzing. Kende Schubert deze achtergrond? Vreemd genoeg staat het lied in majeur en zweemt het eerder naar Haydn dan naar de Romantiek. Im Frühling, op tekst van Schuberts vriend Ernst Schulze, beschrijft een verloren geluksgevoel, ‘de liefde zelf en helaas verdriet achterlatend’.
Twee jaar woonde Schubert op een wrakke zolderkamer in Wenen samen met Johann Mayrhofer – dichter, jurist, zwaarmoedig, hij zou later zelfmoord plegen. Ze werkten symbiotisch samen; Mayrhofer begreep zijn eigen gedichten pas als Schubert ze had getoonzet. En dat gebeurde 47 keer. Uitgelaten is Der Schiffer, melancholiek Abendstern: de avondster verwijst naar de ster van de liefde, die ver en onbereikbaar aan de hemel staat, ‘ik zaai [het zaad], zie het niet ontkiemen, en blijf rustig treurend thuis.’ Merkwaardig in mineur – Karl Gottfried von Leitners tekst is opgewekt! – volgt dan Des Fischers Liebesglück, vol gebeurtenissen, van liefdessmachten tot kus.
Met Der Musensohn keren we terug naar Goethe. Een walsachtige begeleiding en charmante voorhoudinkjes; voelde Schubert zich aan deze zoon der muzen verwant wanneer hij zijn vrienden tijdens de dans urenlang op de piano begeleidde met geïmproviseerde walsjes?
Schubert: liederen naar Rückert
Voor de drie Schubert-liederen na de pauze leverde Friedrich Rückert (1788-1866) de tekst. Sei mir gegrüsst gebruikte Schubert in 1827 ook in zijn Fantasie voor viool en piano, D 934. Du bist die Ruh formuleert geniaal de essentie van een geliefde: ‘Jij bent de rust, / de milde vrede, / jij bent het verlangen, / en wat het stilt’; er zit een spannende modulatie voorafgaand aan ‘deinem Glanz allein erhellt’. Indertijd moet men geschrokken zijn van de moderne klanken van Dass sie hier gewesen: pas in maat 12 klinkt de hoofdtoonsoort C groot.
Mahler: Rückert-Lieder
Uit de tienduizenden(!) gedichten van dichter en hoogleraar oosterse talen Friedrich Rückert koos Mahler er vijf. De dirigent Bruno Walter (1876-1962) noemde deze liederen ‘zijn meest intieme scheppingen’. Alle zijn in de ik-vorm. Ze behandelen grote thema’s als twijfel, liefde, verlossing. Blicke mir nicht in die Lieder is een luchtige opmaat: bespied de kunstenaar niet zo nieuwsgierig bij zijn arbeid. Ich atmet’ einen linden Duft speelt met het Duitse woord ‘Linde’, dat zowel ‘linde’ als ‘zacht’ betekent. De menselijke berusting, en die van Mahler, zijn het onderwerp van de twee volgende, veel grotere liederen. Um Mitternacht: vier zoekende mineurcoupletten, dan het plotseling stralende majeur-vertrouwen van ‘Hab ich die Macht in Deine Hand gegeben: Herr über Tod und Leben’. Opmerkelijk dat zo’n omvangrijk lied uit een minuscule kiem opbloeit: drie noten, binnen de minimale omvang van d-es-d. In Ich bin der Welt abhanden gekommen heeft de kunstenaar zich van de wereld losgemaakt. Geen aards tumult meer, hij leeft alleen, zonder banden, in zijn eigen hemel: het ideaal van de romanticus. ‘Dit lied ben ik zelf,’ zei Mahler. Liebst du um Schönheit ten slotte was een liefdeslied voor zijn jonge vrouw Alma.
Schubert: liederen naar Rückert
Voor de drie Schubert-liederen na de pauze leverde Friedrich Rückert (1788-1866) de tekst. Sei mir gegrüsst gebruikte Schubert in 1827 ook in zijn Fantasie voor viool en piano, D 934. Du bist die Ruh formuleert geniaal de essentie van een geliefde: ‘Jij bent de rust, / de milde vrede, / jij bent het verlangen, / en wat het stilt’; er zit een spannende modulatie voorafgaand aan ‘deinem Glanz allein erhellt’. Indertijd moet men geschrokken zijn van de moderne klanken van Dass sie hier gewesen: pas in maat 12 klinkt de hoofdtoonsoort C groot.
Mahler: Rückert-Lieder
Uit de tienduizenden(!) gedichten van dichter en hoogleraar oosterse talen Friedrich Rückert koos Mahler er vijf. De dirigent Bruno Walter (1876-1962) noemde deze liederen ‘zijn meest intieme scheppingen’. Alle zijn in de ik-vorm. Ze behandelen grote thema’s als twijfel, liefde, verlossing. Blicke mir nicht in die Lieder is een luchtige opmaat: bespied de kunstenaar niet zo nieuwsgierig bij zijn arbeid. Ich atmet’ einen linden Duft speelt met het Duitse woord ‘Linde’, dat zowel ‘linde’ als ‘zacht’ betekent. De menselijke berusting, en die van Mahler, zijn het onderwerp van de twee volgende, veel grotere liederen. Um Mitternacht: vier zoekende mineurcoupletten, dan het plotseling stralende majeur-vertrouwen van ‘Hab ich die Macht in Deine Hand gegeben: Herr über Tod und Leben’. Opmerkelijk dat zo’n omvangrijk lied uit een minuscule kiem opbloeit: drie noten, binnen de minimale omvang van d-es-d. In Ich bin der Welt abhanden gekommen heeft de kunstenaar zich van de wereld losgemaakt. Geen aards tumult meer, hij leeft alleen, zonder banden, in zijn eigen hemel: het ideaal van de romanticus. ‘Dit lied ben ik zelf,’ zei Mahler. Liebst du um Schönheit ten slotte was een liefdeslied voor zijn jonge vrouw Alma.
Biografie
Andrè Schuen, bariton
Andrè Schuen groeide op in Zuid-Tirol, Italië. Al was hij in zijn jeugd een fanatiek cellist, toch ging hij zang studeren aan het Mozarteum in Salzburg. Na een periode in het ensemble van de Oper Graz (2010-2014) werd hij geëngageerd door onder meer de Bayerische Staatsoper in München, de Wiener Staatsoper, het Royal Opera House Covent Garden in Londen en de operahuizen van Madrid, Milaan en Zürich en door de festivals van Salzburg en Aix-en-Provence.
Hoogtepunten op het concertpodium waren Mahlers Lieder eines fahrenden Gesellen met het Lucerne Festival Orchestra, Mahlers Wunderhorn-Lieder en Chaussons Poème de l’amour et de la mer met het Fins Radio Symfonieorkest, Beethovens Negende symfonie bij de Boston Symphony onder Andris Nelsons en bij het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks onder Simon Rattle, Mahlers Achtste symfonie in Milaan onder Riccardo Chailly en Mendelssohns Elias met het Mahler Chamber Orchestra onder Maxim Emelyanychev.
Andrè Schuen geeft ook veelvuldig liedrecitals; in Wigmore Hall in Londen, op de Schubertiades van Hohenems, Schwarzenberg en Vilabertran, de Heidelberger Frühling, en in de Verenigde Staten op de festivals van Tanglewood en Aspen. Met pianist Daniel Heide gaf de bariton twee keer eerder een recital in de Kleine Zaal: op 16 januari 2018 brachten ze Robert Schumann, Martin en Wolf, en op 12 december 2023 Mahler en Schubert. De debuut-cd van het duo, met het repertoire van hun Amsterdamse debuutrecital, was in 2016 bekroond met een Echo Klassik, en voor Schuberts Schwanengesang kregen ze een Opus Klassik. In voorjaar 2024 verscheen ook hun interpretatie van Schuberts Winterreise op cd.
Daniel Heide, piano
Daniel Heide studeerde aan de Franz Liszt Hochschule in zijn geboorteplaats Weimar en laat zich graag inspireren door opnames van en interviews met grote pianisten uit het verleden. De pianist was te gast op de Schubertiades van Schwarzenberg/ Hohenems en Vilabertran en de festivals van Schleswig-Holstein, Rheingau, Edinburgh en Oxford en speelde in kamermuziekzalen als de Philharmonie en het Konzerthaus in Berlijn, het Konzerthaus Dortmund, de Oper Frankfurt, de Philharmonie de Paris, het Wiener Konzerthaus, Wigmore Hall in Londen, de Børssalen in Kopenhagen, deSingel in Antwerpen en de Bunka Kaikan Hall in Tokio.
In ‘Der lyrische Salon’ in Schloss Ettersburg begeleidde hij al over de honderd liederavonden. Onder de zangers met wie Daniel Heide musiceert zijn Katharina Konradi, Patrick Grahl, Tobias Berndt, Dorottya Lang en Britta Schwarz. Hij werkt aan een integrale opname van het liedoeuvre van Liszt, en voor albums met mezzosopraan Stella Doufexis (Poèmes), Andrè Schuen (Schwanengesang) en Konstantin Krimmel (Die schöne Müllerin) kreeg hij de Preis der deutschen Schallplattenkritik en de Opus Klassik.
Instrumentale muziek speelt Daniel Heide met collega’s als Tabea Zimmermann, Julia Hagen, Andreas Willwohl en het Mandelring-Quartett, en sinds de coronatijd concentreert hij zich ook weer meer op het pianosolorepertoire. Zijn vorige optreden in de Kleine Zaal was op 3 juni jongstleden met tenor Christoph Prégardien (Schubert en Duparc), en samen met bariton Andrè Schuen was hij eerder te gast op 12 december 2023 (Schubert en Mahler).