Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier

Allan Clayton & Paul Lewis in Schuberts Winterreise

Allan Clayton & Paul Lewis in Schuberts Winterreise

Kleine Zaal
03 februari 2026
20.15 uur

Print dit programma

Allan Clayton tenor
Paul Lewis piano

Dit concert maakt deel uit van de serie Vocaal 2, en wordt voorzien van boventiteling.

Franz Schubert (1797-1828)

Winterreise, D 911 (1827)
Gute Nacht
Die Wetterfahne
Gefrorne Tränen
Erstarrung
Der Lindenbaum
Wasserflut
Auf dem Flusse
Rückblick
Irrlicht
Rast
Frühlingstraum
Einsamkeit
Die Post
Der greise Kopf
Die Krähe
Letzte Hoffnung
Im Dorfe
Der stürmische Morgen
Täuschung
Der Wegweiser
Das Wirtshaus
Mut
Die Nebensonnen
Der Leiermann

er is geen pauze
einde ± 21.30 uur

Kleine Zaal 03 februari 2026 20.15 uur

Allan Clayton tenor
Paul Lewis piano

Dit concert maakt deel uit van de serie Vocaal 2, en wordt voorzien van boventiteling.

Franz Schubert (1797-1828)

Winterreise, D 911 (1827)
Gute Nacht
Die Wetterfahne
Gefrorne Tränen
Erstarrung
Der Lindenbaum
Wasserflut
Auf dem Flusse
Rückblick
Irrlicht
Rast
Frühlingstraum
Einsamkeit
Die Post
Der greise Kopf
Die Krähe
Letzte Hoffnung
Im Dorfe
Der stürmische Morgen
Täuschung
Der Wegweiser
Das Wirtshaus
Mut
Die Nebensonnen
Der Leiermann

er is geen pauze
einde ± 21.30 uur

Toelichting

Franz Schubert (1797-1828)

Winterreise

door Lonneke Tausch

Een man stapt voort in een kil en duister winterland – dat is alles wat er voorvalt in Winterreise van Franz Schubert. Het is genoeg om een verpletterende uitwerking te hebben op wie deze ‘Zyklus schauerlichen [huiveringwekkende] Lie­der’, zoals de componist zelf zijn eerste privé-uitvoering aan zijn vrienden aankondigde, over zich heen laat komen. De kou slaat je om het hart. Nacht en sneeuw, wind en tranen, ijs en smart. Verlichting komt hooguit van een vervliegende herinnering, en meer letterlijk van dwaallichten en een enkele manestraal. En die bijzonnen net voor het einde, zijn die werkelijk te zien of is het verbeelding? Onderweg vijandige vogels en huilende honden, pas in het laatste lied een ontmoeting met een andere dolende ziel.

Herkenbare emoties

De vrijgezelle dertiger Schubert, in 1823 de diagnose syfilis gekregen en wetende dat hij niet oud zou worden, voltooide in de herfst van 1827 een wandeltocht in 24 liederen vol van eenzaamheid. De gedichten waren van tijdgenoot Wilhelm Müller (1794-1827), die datzelfde jaar overleed zonder de liederen te hebben gehoord. Schubert had diens poëzie eerder getoonzet in Die schone Müllerin (1823). Was die verhaallijn duidelijk (een rondtrekkende gezel wordt verliefd op de dochter van zijn baas, de liefde blijft onbeantwoord, hij verdrinkt zichzelf), in Winterreise zijn de verwikkelingen minder expliciet. Ja, ook hier is sprake van een ongelukkige liefde. Maar is de hoofdpersoon weggestuurd, door wie dan, of is hij zelf vertrokken, waarom, met welke bestemming, wat is zijn lot? We weten het niet. De 24 liederen herbergen genoeg diepere lagen – in tekst, context én noten – om erin te blijven ronddwalen: wat je oppervlakkig een tobberig relaas over liefdesverdriet met een open einde zou kunnen noemen is in wezen een emotionele roadtrip die overloopt van universele ervaringen. Geheel in de geest van de Romantiek, de stijlperiode die – na het rationalisme van de Verlichting – ruim baan gaf aan de expressie van subjectieve gevoelens.

Tijdgeest

De dichter noemde zijn werk Die Winterreise, maar de componist liet het lidwoord weg. Om er maar geen twijfel over te laten bestaan dat deze onbestemde voettocht van een teleurgestelde jongeman vol zelfbeklag model staat voor iets groters: voor het menselijk bestaan, voor de moeizame reis die het leven is. In essentie is de mens alleen, die the­matiek was zeer geliefd in de kunst van de Romantiek. Het ‘wandern’ – zwerven – was alomtegenwoordig: in talloze oeuvres wordt solitair rondgedoold in woeste natuur, niet zelden met een bezwaard gemoed. Naast die romantische levensvertwijfeling is de tijdgeest in Winterreise ook aanwezig in politieke zin: de harde winter wordt wel gezien als metafoor voor het Metternich-tijdperk, met zijn ouderwetse autoriteit en repressieve atmosfeer waar veel kunstenaars zich tegen keerden.

Een man stapt voort in een kil en duister winterland – dat is alles wat er voorvalt in Winterreise van Franz Schubert. Het is genoeg om een verpletterende uitwerking te hebben op wie deze ‘Zyklus schauerlichen [huiveringwekkende] Lie­der’, zoals de componist zelf zijn eerste privé-uitvoering aan zijn vrienden aankondigde, over zich heen laat komen. De kou slaat je om het hart. Nacht en sneeuw, wind en tranen, ijs en smart. Verlichting komt hooguit van een vervliegende herinnering, en meer letterlijk van dwaallichten en een enkele manestraal. En die bijzonnen net voor het einde, zijn die werkelijk te zien of is het verbeelding? Onderweg vijandige vogels en huilende honden, pas in het laatste lied een ontmoeting met een andere dolende ziel.

Herkenbare emoties

De vrijgezelle dertiger Schubert, in 1823 de diagnose syfilis gekregen en wetende dat hij niet oud zou worden, voltooide in de herfst van 1827 een wandeltocht in 24 liederen vol van eenzaamheid. De gedichten waren van tijdgenoot Wilhelm Müller (1794-1827), die datzelfde jaar overleed zonder de liederen te hebben gehoord. Schubert had diens poëzie eerder getoonzet in Die schone Müllerin (1823). Was die verhaallijn duidelijk (een rondtrekkende gezel wordt verliefd op de dochter van zijn baas, de liefde blijft onbeantwoord, hij verdrinkt zichzelf), in Winterreise zijn de verwikkelingen minder expliciet. Ja, ook hier is sprake van een ongelukkige liefde. Maar is de hoofdpersoon weggestuurd, door wie dan, of is hij zelf vertrokken, waarom, met welke bestemming, wat is zijn lot? We weten het niet. De 24 liederen herbergen genoeg diepere lagen – in tekst, context én noten – om erin te blijven ronddwalen: wat je oppervlakkig een tobberig relaas over liefdesverdriet met een open einde zou kunnen noemen is in wezen een emotionele roadtrip die overloopt van universele ervaringen. Geheel in de geest van de Romantiek, de stijlperiode die – na het rationalisme van de Verlichting – ruim baan gaf aan de expressie van subjectieve gevoelens.

Tijdgeest

De dichter noemde zijn werk Die Winterreise, maar de componist liet het lidwoord weg. Om er maar geen twijfel over te laten bestaan dat deze onbestemde voettocht van een teleurgestelde jongeman vol zelfbeklag model staat voor iets groters: voor het menselijk bestaan, voor de moeizame reis die het leven is. In essentie is de mens alleen, die the­matiek was zeer geliefd in de kunst van de Romantiek. Het ‘wandern’ – zwerven – was alomtegenwoordig: in talloze oeuvres wordt solitair rondgedoold in woeste natuur, niet zelden met een bezwaard gemoed. Naast die romantische levensvertwijfeling is de tijdgeest in Winterreise ook aanwezig in politieke zin: de harde winter wordt wel gezien als metafoor voor het Metternich-tijdperk, met zijn ouderwetse autoriteit en repressieve atmosfeer waar veel kunstenaars zich tegen keerden.

  • Sneeuwlandschap, Thüringen

    door Edvard Munch, 1906

    Sneeuwlandschap, Thüringen

    door Edvard Munch, 1906

  • Sneeuwlandschap, Thüringen

    door Edvard Munch, 1906

    Sneeuwlandschap, Thüringen

    door Edvard Munch, 1906

Der Wanderer

Daar loopt hij, onbereikbaar, gebroken; hij gaat voort op zijn barre tocht, je ziet hem gaan, hij is vertrokken. Hij voelt geen aansluiting bij de maatschappij, laat de medemens achter zich. Ongezien is hij ’s nachts het ‘schönen Liebchens Haus’ uitgeglipt en daarmee verruilde hij de bewoonde wereld voor een winters witte leegte waarin hij op zichzelf teruggeworpen zal zijn. Je kunt er verschillende kanten mee op. Trotseert onze ontredderde zwerver kliffen en kloven, bossen en beken om over een meisje heen te komen? Of is het groter: laat hij het uitzichtloze leven los, geeft hij in wanhoop toe aan een donker doodsverlangen? Laten de gedichten het misschien nog in het midden, de muziek intensiveert de ranseling door de elementen en de zwaarmoedige somberte dusdanig dat je voor zijn welbevinden vreest. Er valt eindeloos veel te interpreteren aan Schuberts indringende wintervertelling, ieder lied brengt zo z’n eigen schokeffect teweeg. Een Winterreise op zevenmijlslaarzen:

Een Winterreise op zevenmijlslaarzen:

1 Gute Nacht
We vertrekken met de tempo-aanduiding ‘in gehender Bewegung’, en die gaande beweging is dan ook exact de grondgedachte van de hele cyclus. De eerste woorden maken het beeld compleet: ‘Vreemd ben ik gekomen, vreemd trek ik weer weg.’ Er is een prille liefde geweest – ‘Haar moeder sprak zelfs van trouwen’. Dit afscheidslied is geen einde, maar het startsein voor een gure dwaaltocht.

4 Erstarrung
Obsessief is de pianobegeleiding in dit eerste snelle lied: de herinnering aan het voorjaar met haar veroorzaakt een zekere paniek.

5 Der Lindenbaum
De onstuimige tri­olen van het voorgaande stromen naadloos door, maar krijgen een andere lading: nu verklanken ze geen rusteloosheid, maar het vertroostende ruisen van de dorpslinde.

6 Wasserflut
Na lied 3 over bevroren tranen en lied 4 waarin hete tranen de sneeuw doorboren is dit nogmaals een bespiegeling over het contrast tussen gepassioneerd hartzeer en ijzig landschap.

8 Rückblick
Omkijken naar een geliefde kan slecht aflopen, weten we van de mythe van Orpheus en Eurydice. Toch zou onze opgejaagde Wanderer ‘wankelend terug willen lopen’ als hij terugdenkt aan de dag dat ‘twee gloeiende meisjesogen’ hem betoverden.

10 Rast
De zonder rust almaar voortstappende pianopartij heeft de cadans van vermoeide voetstappen.

11 Frühlingstraum
Voor het eerst een lied in majeur, maar dromen van bonte bloemen en zaligheid worden grof doorsneden door kraaiende hanen en krassende raven.

12 Einsamkeit
In deze afsluiter van de ‘oer-Winterreise’ – in eerste instantie had Schubert slechts weet van twaalf gedichten – is de tred traag en de existentiële ellende compleet: het ‘helles, frohes Leben’ is overal ron­dom maar de vervreemde eenzame heeft er geen deel aan.

13 Die Post
We horen in de piano posthoornsignalen en paardengalop, maar ondanks een hoopgevend majeur brengt de postkoets geen brief. Het ongelukkige hart schreeuwt het uit in een hoog register.

16 Letzte Hoffnung
Onvoorspelbare pianotonen dwarrelen als boomblaadjes in de wind; met het blad valt ook de hoop neerwaarts.

20 Der Wegweiser
Na twee korte, botsende liederen (een stormachtige mars en een walsje over een waanbeeld) nodigt een repetitieve pianobegeleiding uit tot een pas op de plaats. Hier begint de ‘Strasse die noch Keiner ging zurück’.

21 Das Wirtshaus
In een treurmars wandelt de steeds desolatere Wanderer voorbij aan een dodenakker – die hij (hallucinerend van uitputting?) omschrijft als ‘onbarmhartige kroeg’.

24 Der Leiermann
De Wanderer richt zich tot een onverstoorbare straatmuzikant met een draailier – een nederig, mechanisch instrument – en een leeg geldschoteltje. In de piano zweeft onophoudelijk zijn cirkelende themaatje boven een kale bourdon, de zanger declameert een al even verloren melodietje dat uitloopt in een vraagteken. Is de lierdraaier de personificatie van de verlossende dood of staat deze ontmoeting voor een nieuw begin?

Meer weten dan deze hinkstapsprong door Schuberts Winterreise? Bariton Thomas Oliemans en presentator Gijs Groenteman maakten een 25-­delige marathonpodcast, lees hier meer.

Der Wanderer

Daar loopt hij, onbereikbaar, gebroken; hij gaat voort op zijn barre tocht, je ziet hem gaan, hij is vertrokken. Hij voelt geen aansluiting bij de maatschappij, laat de medemens achter zich. Ongezien is hij ’s nachts het ‘schönen Liebchens Haus’ uitgeglipt en daarmee verruilde hij de bewoonde wereld voor een winters witte leegte waarin hij op zichzelf teruggeworpen zal zijn. Je kunt er verschillende kanten mee op. Trotseert onze ontredderde zwerver kliffen en kloven, bossen en beken om over een meisje heen te komen? Of is het groter: laat hij het uitzichtloze leven los, geeft hij in wanhoop toe aan een donker doodsverlangen? Laten de gedichten het misschien nog in het midden, de muziek intensiveert de ranseling door de elementen en de zwaarmoedige somberte dusdanig dat je voor zijn welbevinden vreest. Er valt eindeloos veel te interpreteren aan Schuberts indringende wintervertelling, ieder lied brengt zo z’n eigen schokeffect teweeg. Een Winterreise op zevenmijlslaarzen:

Een Winterreise op zevenmijlslaarzen:

1 Gute Nacht
We vertrekken met de tempo-aanduiding ‘in gehender Bewegung’, en die gaande beweging is dan ook exact de grondgedachte van de hele cyclus. De eerste woorden maken het beeld compleet: ‘Vreemd ben ik gekomen, vreemd trek ik weer weg.’ Er is een prille liefde geweest – ‘Haar moeder sprak zelfs van trouwen’. Dit afscheidslied is geen einde, maar het startsein voor een gure dwaaltocht.

4 Erstarrung
Obsessief is de pianobegeleiding in dit eerste snelle lied: de herinnering aan het voorjaar met haar veroorzaakt een zekere paniek.

5 Der Lindenbaum
De onstuimige tri­olen van het voorgaande stromen naadloos door, maar krijgen een andere lading: nu verklanken ze geen rusteloosheid, maar het vertroostende ruisen van de dorpslinde.

6 Wasserflut
Na lied 3 over bevroren tranen en lied 4 waarin hete tranen de sneeuw doorboren is dit nogmaals een bespiegeling over het contrast tussen gepassioneerd hartzeer en ijzig landschap.

8 Rückblick
Omkijken naar een geliefde kan slecht aflopen, weten we van de mythe van Orpheus en Eurydice. Toch zou onze opgejaagde Wanderer ‘wankelend terug willen lopen’ als hij terugdenkt aan de dag dat ‘twee gloeiende meisjesogen’ hem betoverden.

10 Rast
De zonder rust almaar voortstappende pianopartij heeft de cadans van vermoeide voetstappen.

11 Frühlingstraum
Voor het eerst een lied in majeur, maar dromen van bonte bloemen en zaligheid worden grof doorsneden door kraaiende hanen en krassende raven.

12 Einsamkeit
In deze afsluiter van de ‘oer-Winterreise’ – in eerste instantie had Schubert slechts weet van twaalf gedichten – is de tred traag en de existentiële ellende compleet: het ‘helles, frohes Leben’ is overal ron­dom maar de vervreemde eenzame heeft er geen deel aan.

13 Die Post
We horen in de piano posthoornsignalen en paardengalop, maar ondanks een hoopgevend majeur brengt de postkoets geen brief. Het ongelukkige hart schreeuwt het uit in een hoog register.

16 Letzte Hoffnung
Onvoorspelbare pianotonen dwarrelen als boomblaadjes in de wind; met het blad valt ook de hoop neerwaarts.

20 Der Wegweiser
Na twee korte, botsende liederen (een stormachtige mars en een walsje over een waanbeeld) nodigt een repetitieve pianobegeleiding uit tot een pas op de plaats. Hier begint de ‘Strasse die noch Keiner ging zurück’.

21 Das Wirtshaus
In een treurmars wandelt de steeds desolatere Wanderer voorbij aan een dodenakker – die hij (hallucinerend van uitputting?) omschrijft als ‘onbarmhartige kroeg’.

24 Der Leiermann
De Wanderer richt zich tot een onverstoorbare straatmuzikant met een draailier – een nederig, mechanisch instrument – en een leeg geldschoteltje. In de piano zweeft onophoudelijk zijn cirkelende themaatje boven een kale bourdon, de zanger declameert een al even verloren melodietje dat uitloopt in een vraagteken. Is de lierdraaier de personificatie van de verlossende dood of staat deze ontmoeting voor een nieuw begin?

Meer weten dan deze hinkstapsprong door Schuberts Winterreise? Bariton Thomas Oliemans en presentator Gijs Groenteman maakten een 25-­delige marathonpodcast, lees hier meer.

door Lonneke Tausch

Franz Schubert (1797-1828)

Winterreise

door Lonneke Tausch

Een man stapt voort in een kil en duister winterland – dat is alles wat er voorvalt in Winterreise van Franz Schubert. Het is genoeg om een verpletterende uitwerking te hebben op wie deze ‘Zyklus schauerlichen [huiveringwekkende] Lie­der’, zoals de componist zelf zijn eerste privé-uitvoering aan zijn vrienden aankondigde, over zich heen laat komen. De kou slaat je om het hart. Nacht en sneeuw, wind en tranen, ijs en smart. Verlichting komt hooguit van een vervliegende herinnering, en meer letterlijk van dwaallichten en een enkele manestraal. En die bijzonnen net voor het einde, zijn die werkelijk te zien of is het verbeelding? Onderweg vijandige vogels en huilende honden, pas in het laatste lied een ontmoeting met een andere dolende ziel.

Herkenbare emoties

De vrijgezelle dertiger Schubert, in 1823 de diagnose syfilis gekregen en wetende dat hij niet oud zou worden, voltooide in de herfst van 1827 een wandeltocht in 24 liederen vol van eenzaamheid. De gedichten waren van tijdgenoot Wilhelm Müller (1794-1827), die datzelfde jaar overleed zonder de liederen te hebben gehoord. Schubert had diens poëzie eerder getoonzet in Die schone Müllerin (1823). Was die verhaallijn duidelijk (een rondtrekkende gezel wordt verliefd op de dochter van zijn baas, de liefde blijft onbeantwoord, hij verdrinkt zichzelf), in Winterreise zijn de verwikkelingen minder expliciet. Ja, ook hier is sprake van een ongelukkige liefde. Maar is de hoofdpersoon weggestuurd, door wie dan, of is hij zelf vertrokken, waarom, met welke bestemming, wat is zijn lot? We weten het niet. De 24 liederen herbergen genoeg diepere lagen – in tekst, context én noten – om erin te blijven ronddwalen: wat je oppervlakkig een tobberig relaas over liefdesverdriet met een open einde zou kunnen noemen is in wezen een emotionele roadtrip die overloopt van universele ervaringen. Geheel in de geest van de Romantiek, de stijlperiode die – na het rationalisme van de Verlichting – ruim baan gaf aan de expressie van subjectieve gevoelens.

Tijdgeest

De dichter noemde zijn werk Die Winterreise, maar de componist liet het lidwoord weg. Om er maar geen twijfel over te laten bestaan dat deze onbestemde voettocht van een teleurgestelde jongeman vol zelfbeklag model staat voor iets groters: voor het menselijk bestaan, voor de moeizame reis die het leven is. In essentie is de mens alleen, die the­matiek was zeer geliefd in de kunst van de Romantiek. Het ‘wandern’ – zwerven – was alomtegenwoordig: in talloze oeuvres wordt solitair rondgedoold in woeste natuur, niet zelden met een bezwaard gemoed. Naast die romantische levensvertwijfeling is de tijdgeest in Winterreise ook aanwezig in politieke zin: de harde winter wordt wel gezien als metafoor voor het Metternich-tijdperk, met zijn ouderwetse autoriteit en repressieve atmosfeer waar veel kunstenaars zich tegen keerden.

Een man stapt voort in een kil en duister winterland – dat is alles wat er voorvalt in Winterreise van Franz Schubert. Het is genoeg om een verpletterende uitwerking te hebben op wie deze ‘Zyklus schauerlichen [huiveringwekkende] Lie­der’, zoals de componist zelf zijn eerste privé-uitvoering aan zijn vrienden aankondigde, over zich heen laat komen. De kou slaat je om het hart. Nacht en sneeuw, wind en tranen, ijs en smart. Verlichting komt hooguit van een vervliegende herinnering, en meer letterlijk van dwaallichten en een enkele manestraal. En die bijzonnen net voor het einde, zijn die werkelijk te zien of is het verbeelding? Onderweg vijandige vogels en huilende honden, pas in het laatste lied een ontmoeting met een andere dolende ziel.

Herkenbare emoties

De vrijgezelle dertiger Schubert, in 1823 de diagnose syfilis gekregen en wetende dat hij niet oud zou worden, voltooide in de herfst van 1827 een wandeltocht in 24 liederen vol van eenzaamheid. De gedichten waren van tijdgenoot Wilhelm Müller (1794-1827), die datzelfde jaar overleed zonder de liederen te hebben gehoord. Schubert had diens poëzie eerder getoonzet in Die schone Müllerin (1823). Was die verhaallijn duidelijk (een rondtrekkende gezel wordt verliefd op de dochter van zijn baas, de liefde blijft onbeantwoord, hij verdrinkt zichzelf), in Winterreise zijn de verwikkelingen minder expliciet. Ja, ook hier is sprake van een ongelukkige liefde. Maar is de hoofdpersoon weggestuurd, door wie dan, of is hij zelf vertrokken, waarom, met welke bestemming, wat is zijn lot? We weten het niet. De 24 liederen herbergen genoeg diepere lagen – in tekst, context én noten – om erin te blijven ronddwalen: wat je oppervlakkig een tobberig relaas over liefdesverdriet met een open einde zou kunnen noemen is in wezen een emotionele roadtrip die overloopt van universele ervaringen. Geheel in de geest van de Romantiek, de stijlperiode die – na het rationalisme van de Verlichting – ruim baan gaf aan de expressie van subjectieve gevoelens.

Tijdgeest

De dichter noemde zijn werk Die Winterreise, maar de componist liet het lidwoord weg. Om er maar geen twijfel over te laten bestaan dat deze onbestemde voettocht van een teleurgestelde jongeman vol zelfbeklag model staat voor iets groters: voor het menselijk bestaan, voor de moeizame reis die het leven is. In essentie is de mens alleen, die the­matiek was zeer geliefd in de kunst van de Romantiek. Het ‘wandern’ – zwerven – was alomtegenwoordig: in talloze oeuvres wordt solitair rondgedoold in woeste natuur, niet zelden met een bezwaard gemoed. Naast die romantische levensvertwijfeling is de tijdgeest in Winterreise ook aanwezig in politieke zin: de harde winter wordt wel gezien als metafoor voor het Metternich-tijdperk, met zijn ouderwetse autoriteit en repressieve atmosfeer waar veel kunstenaars zich tegen keerden.

  • Sneeuwlandschap, Thüringen

    door Edvard Munch, 1906

    Sneeuwlandschap, Thüringen

    door Edvard Munch, 1906

  • Sneeuwlandschap, Thüringen

    door Edvard Munch, 1906

    Sneeuwlandschap, Thüringen

    door Edvard Munch, 1906

Der Wanderer

Daar loopt hij, onbereikbaar, gebroken; hij gaat voort op zijn barre tocht, je ziet hem gaan, hij is vertrokken. Hij voelt geen aansluiting bij de maatschappij, laat de medemens achter zich. Ongezien is hij ’s nachts het ‘schönen Liebchens Haus’ uitgeglipt en daarmee verruilde hij de bewoonde wereld voor een winters witte leegte waarin hij op zichzelf teruggeworpen zal zijn. Je kunt er verschillende kanten mee op. Trotseert onze ontredderde zwerver kliffen en kloven, bossen en beken om over een meisje heen te komen? Of is het groter: laat hij het uitzichtloze leven los, geeft hij in wanhoop toe aan een donker doodsverlangen? Laten de gedichten het misschien nog in het midden, de muziek intensiveert de ranseling door de elementen en de zwaarmoedige somberte dusdanig dat je voor zijn welbevinden vreest. Er valt eindeloos veel te interpreteren aan Schuberts indringende wintervertelling, ieder lied brengt zo z’n eigen schokeffect teweeg. Een Winterreise op zevenmijlslaarzen:

Een Winterreise op zevenmijlslaarzen:

1 Gute Nacht
We vertrekken met de tempo-aanduiding ‘in gehender Bewegung’, en die gaande beweging is dan ook exact de grondgedachte van de hele cyclus. De eerste woorden maken het beeld compleet: ‘Vreemd ben ik gekomen, vreemd trek ik weer weg.’ Er is een prille liefde geweest – ‘Haar moeder sprak zelfs van trouwen’. Dit afscheidslied is geen einde, maar het startsein voor een gure dwaaltocht.

4 Erstarrung
Obsessief is de pianobegeleiding in dit eerste snelle lied: de herinnering aan het voorjaar met haar veroorzaakt een zekere paniek.

5 Der Lindenbaum
De onstuimige tri­olen van het voorgaande stromen naadloos door, maar krijgen een andere lading: nu verklanken ze geen rusteloosheid, maar het vertroostende ruisen van de dorpslinde.

6 Wasserflut
Na lied 3 over bevroren tranen en lied 4 waarin hete tranen de sneeuw doorboren is dit nogmaals een bespiegeling over het contrast tussen gepassioneerd hartzeer en ijzig landschap.

8 Rückblick
Omkijken naar een geliefde kan slecht aflopen, weten we van de mythe van Orpheus en Eurydice. Toch zou onze opgejaagde Wanderer ‘wankelend terug willen lopen’ als hij terugdenkt aan de dag dat ‘twee gloeiende meisjesogen’ hem betoverden.

10 Rast
De zonder rust almaar voortstappende pianopartij heeft de cadans van vermoeide voetstappen.

11 Frühlingstraum
Voor het eerst een lied in majeur, maar dromen van bonte bloemen en zaligheid worden grof doorsneden door kraaiende hanen en krassende raven.

12 Einsamkeit
In deze afsluiter van de ‘oer-Winterreise’ – in eerste instantie had Schubert slechts weet van twaalf gedichten – is de tred traag en de existentiële ellende compleet: het ‘helles, frohes Leben’ is overal ron­dom maar de vervreemde eenzame heeft er geen deel aan.

13 Die Post
We horen in de piano posthoornsignalen en paardengalop, maar ondanks een hoopgevend majeur brengt de postkoets geen brief. Het ongelukkige hart schreeuwt het uit in een hoog register.

16 Letzte Hoffnung
Onvoorspelbare pianotonen dwarrelen als boomblaadjes in de wind; met het blad valt ook de hoop neerwaarts.

20 Der Wegweiser
Na twee korte, botsende liederen (een stormachtige mars en een walsje over een waanbeeld) nodigt een repetitieve pianobegeleiding uit tot een pas op de plaats. Hier begint de ‘Strasse die noch Keiner ging zurück’.

21 Das Wirtshaus
In een treurmars wandelt de steeds desolatere Wanderer voorbij aan een dodenakker – die hij (hallucinerend van uitputting?) omschrijft als ‘onbarmhartige kroeg’.

24 Der Leiermann
De Wanderer richt zich tot een onverstoorbare straatmuzikant met een draailier – een nederig, mechanisch instrument – en een leeg geldschoteltje. In de piano zweeft onophoudelijk zijn cirkelende themaatje boven een kale bourdon, de zanger declameert een al even verloren melodietje dat uitloopt in een vraagteken. Is de lierdraaier de personificatie van de verlossende dood of staat deze ontmoeting voor een nieuw begin?

Meer weten dan deze hinkstapsprong door Schuberts Winterreise? Bariton Thomas Oliemans en presentator Gijs Groenteman maakten een 25-­delige marathonpodcast, lees hier meer.

Der Wanderer

Daar loopt hij, onbereikbaar, gebroken; hij gaat voort op zijn barre tocht, je ziet hem gaan, hij is vertrokken. Hij voelt geen aansluiting bij de maatschappij, laat de medemens achter zich. Ongezien is hij ’s nachts het ‘schönen Liebchens Haus’ uitgeglipt en daarmee verruilde hij de bewoonde wereld voor een winters witte leegte waarin hij op zichzelf teruggeworpen zal zijn. Je kunt er verschillende kanten mee op. Trotseert onze ontredderde zwerver kliffen en kloven, bossen en beken om over een meisje heen te komen? Of is het groter: laat hij het uitzichtloze leven los, geeft hij in wanhoop toe aan een donker doodsverlangen? Laten de gedichten het misschien nog in het midden, de muziek intensiveert de ranseling door de elementen en de zwaarmoedige somberte dusdanig dat je voor zijn welbevinden vreest. Er valt eindeloos veel te interpreteren aan Schuberts indringende wintervertelling, ieder lied brengt zo z’n eigen schokeffect teweeg. Een Winterreise op zevenmijlslaarzen:

Een Winterreise op zevenmijlslaarzen:

1 Gute Nacht
We vertrekken met de tempo-aanduiding ‘in gehender Bewegung’, en die gaande beweging is dan ook exact de grondgedachte van de hele cyclus. De eerste woorden maken het beeld compleet: ‘Vreemd ben ik gekomen, vreemd trek ik weer weg.’ Er is een prille liefde geweest – ‘Haar moeder sprak zelfs van trouwen’. Dit afscheidslied is geen einde, maar het startsein voor een gure dwaaltocht.

4 Erstarrung
Obsessief is de pianobegeleiding in dit eerste snelle lied: de herinnering aan het voorjaar met haar veroorzaakt een zekere paniek.

5 Der Lindenbaum
De onstuimige tri­olen van het voorgaande stromen naadloos door, maar krijgen een andere lading: nu verklanken ze geen rusteloosheid, maar het vertroostende ruisen van de dorpslinde.

6 Wasserflut
Na lied 3 over bevroren tranen en lied 4 waarin hete tranen de sneeuw doorboren is dit nogmaals een bespiegeling over het contrast tussen gepassioneerd hartzeer en ijzig landschap.

8 Rückblick
Omkijken naar een geliefde kan slecht aflopen, weten we van de mythe van Orpheus en Eurydice. Toch zou onze opgejaagde Wanderer ‘wankelend terug willen lopen’ als hij terugdenkt aan de dag dat ‘twee gloeiende meisjesogen’ hem betoverden.

10 Rast
De zonder rust almaar voortstappende pianopartij heeft de cadans van vermoeide voetstappen.

11 Frühlingstraum
Voor het eerst een lied in majeur, maar dromen van bonte bloemen en zaligheid worden grof doorsneden door kraaiende hanen en krassende raven.

12 Einsamkeit
In deze afsluiter van de ‘oer-Winterreise’ – in eerste instantie had Schubert slechts weet van twaalf gedichten – is de tred traag en de existentiële ellende compleet: het ‘helles, frohes Leben’ is overal ron­dom maar de vervreemde eenzame heeft er geen deel aan.

13 Die Post
We horen in de piano posthoornsignalen en paardengalop, maar ondanks een hoopgevend majeur brengt de postkoets geen brief. Het ongelukkige hart schreeuwt het uit in een hoog register.

16 Letzte Hoffnung
Onvoorspelbare pianotonen dwarrelen als boomblaadjes in de wind; met het blad valt ook de hoop neerwaarts.

20 Der Wegweiser
Na twee korte, botsende liederen (een stormachtige mars en een walsje over een waanbeeld) nodigt een repetitieve pianobegeleiding uit tot een pas op de plaats. Hier begint de ‘Strasse die noch Keiner ging zurück’.

21 Das Wirtshaus
In een treurmars wandelt de steeds desolatere Wanderer voorbij aan een dodenakker – die hij (hallucinerend van uitputting?) omschrijft als ‘onbarmhartige kroeg’.

24 Der Leiermann
De Wanderer richt zich tot een onverstoorbare straatmuzikant met een draailier – een nederig, mechanisch instrument – en een leeg geldschoteltje. In de piano zweeft onophoudelijk zijn cirkelende themaatje boven een kale bourdon, de zanger declameert een al even verloren melodietje dat uitloopt in een vraagteken. Is de lierdraaier de personificatie van de verlossende dood of staat deze ontmoeting voor een nieuw begin?

Meer weten dan deze hinkstapsprong door Schuberts Winterreise? Bariton Thomas Oliemans en presentator Gijs Groenteman maakten een 25-­delige marathonpodcast, lees hier meer.

door Lonneke Tausch

Biografie

Allan Clayton, tenor

Allan Clayton studeerde aan St John’s College in Cambridge en vervolgde zijn opleiding aan de Royal Academy of Music in Londen. Als concertzanger trad hij onder meer op met het BBC Symphony Orchestra, het London Symphony Orchestra en de Wiener Philharmoniker.

Daarnaast werd hij uitgenodigd door toonaangevende operahuizen zoals het Royal Opera House Covent Garden in Londen, de Metropolitan Opera in New York, de Komische Oper in Berlijn en de Opéra Comique in Parijs. In februari 2025 keerde hij terug naar het Royal Opera House voor de nieuwe opera Festen van Mark-Anthony Turnage; voor zijn vertollking van Christian won hij de Olivier Award 2025 voor Outstanding Achievement in Opera.

Afgelopen najaar had de Britse tenor bij De Nationale Opera een hoofdrol in De maagd van Orléans van Tsjaikovski. Allan Clayton geeft wereldwijd liedrecitals en is regelmatig te gast in de Wigmore Hall in Londen. Naast de grote cycli van Schubert zingt hij onder meer Vaughan Williams’ On Wenlock Edge en liederen van Richard Strauss, Wolf en Duparc. Verschillende componisten hebben speciaal voor zijn stem nieuwe liedcycli geschreven, onder wie Mark-Anthony Turnage, Josephine Stephenson en Tom Coult.

In de Kleine Zaal was Allan Clayton één keer eerder te beluisteren, in oktober 2019 met liederen van Beethoven, Tippett en Britten met pianist James Baillieu. Het Concertgebouwdebuut van de tenor was op 17 december 2018 in de Grote Zaal in Händels Messiah door Britten Sinf­onia.

Paul Lewis, piano

Paul Lewis geldt internationaal als een vooraanstaand vertolker van het Europese pianorepertoire, in het bijzonder vanwege zijn ­interpretaties van Schubert en Beethoven. Zijn uitvoeringen en opnames zijn wereldwijd met lof ontvangen, en voor zijn muzikale verdiensten werd hij benoemd tot Commander of the Order of the British Empire.

De Britse pianist werkte samen met toonaangevende orkesten, waaronder de New York ­Philharmonic, het Chicago Symphony Orchestra, het London Symphony Orchestra, het Koninklijk Concertgebouworkest, het NHK Symphony Orchestra in Tokio, het Gewandhausorchester Leipzig en de Berliner Philharmoniker.

In Amsterdam was hij onder andere te horen tijdens het Prinsengrachtconcert 2023. Paul Lewis staat bekend om zijn thematische projecten rond specifieke componisten. Na zijn wereldwijde Schu­bert Piano Sonata Series (2022–2025) presenteert hij in 2026–2027 de reeks Mo­zart+, waarin hij minder bekende pianowerken van Mozart combineert met composities van onder anderen Poulenc, Chopin en Weber. Paul Lewis heeft Beethovens volledige pianoconcertcyclus wereldwijd uitgevoerd, in 2010 als eerste pianist binnen één BBC Proms-seizoen, en werkte mee aan de BBC-documentaire Being Beethoven.

Als kamermusicus werkt hij regelmatig samen met tenor Mark Padmore, met wie hij drie Schubert-liedcycli opnam. Daarnaast is hij mede-artistiek leider van het kamermuziekfestival Midsummer Music in Buckinghamshire. In de Kleine Zaal was de pianist meermaals te gast sinds hij er in seizoen 2001/2002 speelde samen met het Leopold String Tri­o in de serie Rising Stars.