Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier

Concertprogramma

Concertprogramma

Alexander Gavrylyuk speelt Prokofjev, Elim Chan leidt Mahler

Alexander Gavrylyuk speelt Prokofjev, Elim Chan leidt Mahler

Grote Zaal
27 november 2021
20.15 uur

Print dit programma

Dit concert maakt deel uit van de serie Klassieke Meesterwerken.

Antwerp Symphony Orchestra
Elim Chan dirigent
Alexander Gavrylyuk piano

Lees ook: Dirigent Elim Chan: ‘Ik voel me een Amsterdammer

Sergej Prokofjev (1891-1953)

Pianoconcert nr. 1 in Des gr.t., op. 10 (1911-12)
Allegro brioso
Andante assai
Allegro scherzando

Nikolaj Rimski-Korsakov (1844-1908)

Suite uit ‘Het sneeuwmeisje’ (1880-81/1895)

Gustav Mahler (1860-1911)

Todtenfeier (1888)
Symfonisch gedicht voor groot orkest

er is geen pauze
het concert duurt ongeveer een uur

Grote Zaal 27 november 2021 20.15 uur

Dit concert maakt deel uit van de serie Klassieke Meesterwerken.

Antwerp Symphony Orchestra
Elim Chan dirigent
Alexander Gavrylyuk piano

Lees ook: Dirigent Elim Chan: ‘Ik voel me een Amsterdammer

Sergej Prokofjev (1891-1953)

Pianoconcert nr. 1 in Des gr.t., op. 10 (1911-12)
Allegro brioso
Andante assai
Allegro scherzando

Nikolaj Rimski-Korsakov (1844-1908)

Suite uit ‘Het sneeuwmeisje’ (1880-81/1895)

Gustav Mahler (1860-1911)

Todtenfeier (1888)
Symfonisch gedicht voor groot orkest

er is geen pauze
het concert duurt ongeveer een uur

Toelichting

Sergej Prokofjev (1891-1953)

Prokofjev: Eerste pianoconcert

door Michiel Cleij

  • Serge Prokofjev

    achter de piano

    Serge Prokofjev

    achter de piano

  • Serge Prokofjev

    achter de piano

    Serge Prokofjev

    achter de piano

Als twintiger was Sergej Prokofjev een roemruchte verschijning in het Sint-Petersburgse muziekleven. Zijn compositorisch talent was onbetwist en zijn pianospel fenomenaal – maar de felheid waarmee hij die kwaliteiten demonstreerde schoffeerde de oudere garde. Met beukende, motorische ritmes en scherpe dissonanten sloeg Prokofjev, zoals een Russische criticus schreef, ‘de parfumflesjes van de Romantiek aan diggelen’. Het schandaal dat zijn Scythische suite voor orkest in januari 1916 in Rusland ontketende deed nauwelijks onder voor het tumult rond Stravinsky’s Le sacre du printemps in Parijs, drie jaar eerder. Curieus is dat hij tezelfdertijd de beminnelijke Klassieke symfonie componeerde. Dit soort ‘stijlbreuken’ maken Prokofjev zo’n boeiende componist: ’s morgens verguisd als een bedreiging van de goede smaak, en ’s middags een Haydn-achtig symfonietje serverend. Het is het gedrag van een kunstenaar die zich niets laat wijsmaken.

Voorproefjes van zijn ­modernisme gaf Prokofjev al tijdens zijn conser­­va­to­riumopleiding. De Rubinstein-competitie waarmee hij zijn laatste studiejaar afsloot won hij met het Eerste pianoconcert in Des groot – al was dat louter te danken aan zijn virtuoze pianospel en niet aan de compositie. In drie aaneengesloten delen wisselt Prokofjev monumentale tuttipassages af met onstuimige solopartijen en razernij met dromerigheid. Veel critici deden het werk bij de première af als oppervlakkige showmuziek. Ook stoorden sommigen zich aan de massiviteit van het openingsgegeven, een motief dat na de introductie nog tweemaal opduikt (‘als een walvis’, aldus de componist), met een gewicht dat de tere lyriek van het middendeel dreigt te verpletteren. Dat het stuk onevenwichtig was vond Prokofjev zelf achteraf ook, maar een controverse over de toekomst van de Russische muziek was geboren. Voorstanders prezen Prokofjev als een revolutionair, voor anderen was hij een boodschapper van de laatste dag. ‘Deze man’, schreef de Petersburger Gazet, ‘moet in een dwangbuis gehesen worden!’

Als twintiger was Sergej Prokofjev een roemruchte verschijning in het Sint-Petersburgse muziekleven. Zijn compositorisch talent was onbetwist en zijn pianospel fenomenaal – maar de felheid waarmee hij die kwaliteiten demonstreerde schoffeerde de oudere garde. Met beukende, motorische ritmes en scherpe dissonanten sloeg Prokofjev, zoals een Russische criticus schreef, ‘de parfumflesjes van de Romantiek aan diggelen’. Het schandaal dat zijn Scythische suite voor orkest in januari 1916 in Rusland ontketende deed nauwelijks onder voor het tumult rond Stravinsky’s Le sacre du printemps in Parijs, drie jaar eerder. Curieus is dat hij tezelfdertijd de beminnelijke Klassieke symfonie componeerde. Dit soort ‘stijlbreuken’ maken Prokofjev zo’n boeiende componist: ’s morgens verguisd als een bedreiging van de goede smaak, en ’s middags een Haydn-achtig symfonietje serverend. Het is het gedrag van een kunstenaar die zich niets laat wijsmaken.

Voorproefjes van zijn ­modernisme gaf Prokofjev al tijdens zijn conser­­va­to­riumopleiding. De Rubinstein-competitie waarmee hij zijn laatste studiejaar afsloot won hij met het Eerste pianoconcert in Des groot – al was dat louter te danken aan zijn virtuoze pianospel en niet aan de compositie. In drie aaneengesloten delen wisselt Prokofjev monumentale tuttipassages af met onstuimige solopartijen en razernij met dromerigheid. Veel critici deden het werk bij de première af als oppervlakkige showmuziek. Ook stoorden sommigen zich aan de massiviteit van het openingsgegeven, een motief dat na de introductie nog tweemaal opduikt (‘als een walvis’, aldus de componist), met een gewicht dat de tere lyriek van het middendeel dreigt te verpletteren. Dat het stuk onevenwichtig was vond Prokofjev zelf achteraf ook, maar een controverse over de toekomst van de Russische muziek was geboren. Voorstanders prezen Prokofjev als een revolutionair, voor anderen was hij een boodschapper van de laatste dag. ‘Deze man’, schreef de Petersburger Gazet, ‘moet in een dwangbuis gehesen worden!’

door Michiel Cleij

Nikolaj Rimski-Korsakov (1844-1908)

Rimski-Korsakov: Het sneeuwmeisje

door Lonneke Tausch

  • Nikolaj Rimski-Korsakov

    portret door Valentin Serov, 1898

    Nikolaj Rimski-Korsakov

    portret door Valentin Serov, 1898

  • Nikolaj Rimski-Korsakov

    portret door Valentin Serov, 1898

    Nikolaj Rimski-Korsakov

    portret door Valentin Serov, 1898

Nikolaj Rimski-Korsakov moet van sprookjes gehouden hebben. Zijn kleurrijke stijl en zijn creatieve manier van orkestreren gedijden in ieder geval goed bij de vele legendes en verhalen die hij van fantasierijke muziek voorzag. Allereerst is daar natuurlijk Sheherazade (1888), voortgekomen uit de oriëntaalse vertellingen van Duizend-en-één-nacht. Schreef hij dit als zelfstandige orkest­suite, zijn andere sprookjessuites destilleerde Rimski-Korsakov voor het concertpodium uit zijn opera’s. Hij componeerde er maar liefst vijftien, waarvan Het sneeuwmeisje (in het Russisch: Snegoerotsjka) de vierde was. Deze opera, met een libretto dat ­Rimski-Korsakov zelf schreef op basis van een toneelstuk uit 1873 van Nikolaj Ostrovski, ging op 10 februari 1882 in première in Sint-Petersburg. In 1898 werd in dezelfde stad nog een herziene versie ten doop gehouden, en Snegoerotsjka hield in Rusland sindsdien altijd repertoire.

Er circuleren vele varianten van het verhaal over het meisje van ijs waarvan uiteindelijk niets dan een plasje water overblijft. In grote lijnen zit het als volgt: Snegoerotsjka is de dochter van Koning Winter en een lentefee. Het meisje heeft een koud hart, ze bestaat volledig uit ijs en sneeuw. Door haar ouders wordt ze angstvallig uit het zonlicht gehouden. Maar haar moeder gunt haar meer vrijheid, en als ze groot is begeeft het sneeuwmeisje zich onder de mensen. De warmte van de liefde wordt haar fataal: ze smelt.

Overigens was Rimski-Korsakov niet de enige die zich door het romantische sprookje van het sneeuwmeisje liet inspireren: een paar jaar eerder had ook Pjotr Tsjaikovski muziek geschreven bij de aloude legende. De dood van Snegoerotsjka staat in de Russische folklore symbool voor het einde van de winter en het begin van de lente.

 

Nikolaj Rimski-Korsakov moet van sprookjes gehouden hebben. Zijn kleurrijke stijl en zijn creatieve manier van orkestreren gedijden in ieder geval goed bij de vele legendes en verhalen die hij van fantasierijke muziek voorzag. Allereerst is daar natuurlijk Sheherazade (1888), voortgekomen uit de oriëntaalse vertellingen van Duizend-en-één-nacht. Schreef hij dit als zelfstandige orkest­suite, zijn andere sprookjessuites destilleerde Rimski-Korsakov voor het concertpodium uit zijn opera’s. Hij componeerde er maar liefst vijftien, waarvan Het sneeuwmeisje (in het Russisch: Snegoerotsjka) de vierde was. Deze opera, met een libretto dat ­Rimski-Korsakov zelf schreef op basis van een toneelstuk uit 1873 van Nikolaj Ostrovski, ging op 10 februari 1882 in première in Sint-Petersburg. In 1898 werd in dezelfde stad nog een herziene versie ten doop gehouden, en Snegoerotsjka hield in Rusland sindsdien altijd repertoire.

Er circuleren vele varianten van het verhaal over het meisje van ijs waarvan uiteindelijk niets dan een plasje water overblijft. In grote lijnen zit het als volgt: Snegoerotsjka is de dochter van Koning Winter en een lentefee. Het meisje heeft een koud hart, ze bestaat volledig uit ijs en sneeuw. Door haar ouders wordt ze angstvallig uit het zonlicht gehouden. Maar haar moeder gunt haar meer vrijheid, en als ze groot is begeeft het sneeuwmeisje zich onder de mensen. De warmte van de liefde wordt haar fataal: ze smelt.

Overigens was Rimski-Korsakov niet de enige die zich door het romantische sprookje van het sneeuwmeisje liet inspireren: een paar jaar eerder had ook Pjotr Tsjaikovski muziek geschreven bij de aloude legende. De dood van Snegoerotsjka staat in de Russische folklore symbool voor het einde van de winter en het begin van de lente.

 

door Lonneke Tausch

Gustav Mahler (1860-1911)

Mahler: Todtenfeier

door Henriëtte Sanders

  • Gustav Mahler

    door: Emil Orlik, 1902

    Gustav Mahler

    door: Emil Orlik, 1902

  • Gustav Mahler

    door: Emil Orlik, 1902

    Gustav Mahler

    door: Emil Orlik, 1902

‘Die Kapelle ist ein enger Raum, nur für den Sarg und ein paar Kränze. [....] Eine Frau kommt vorbei, sagt zu einer anderen: “Jetzt hat er drinnen Ruhe. Dem war auch alles zu klein.”’ Deze woorden, waarschijnlijk van een toeschouwster bij Gustav Mahlers uitvaart, vier dagen na zijn sterfdag 18 mei 1911, staan in een verslag van de muziekjournalist Paul Stefan. De gebruikelijke muzikale vormen en orkesten waren inderdaad voor Mahler ‘zu klein’. Leven, dood, noodlot, hoop en geloof, veelsoortige thema’s komen in zijn werken bijeen: ‘De symfonie moet als een wereld zijn. Zij moet alomvattend zijn.’ In complexe betekenis, in het samengaan van het grootse met het alledaagse, het verhevene met het bizarre, in omvang van het orkest en menging van instrumentale met vocale elementen, overschrijden Mahlers symfonieën de traditionele grenzen.

Deze expansie manifesteert zich ook in de lengte en de bezetting van de reusachtige treurmars Todtenfeier, voltooid in hetzelfde jaar als de Eerste symfonie en dus behorend tot Mahlers vroegste werken voor orkest. Het stuk werd in de oorspronkelijke vorm pas in 1983 voor het eerst uitgevoerd, maar had niettemin met enige veranderingen een nieuw concertleven geleid als openingsdeel van de Tweede symfonie, ‘Auferstehung’. Als Allegro maestoso van de Tweede symfonie kreeg Todtenfeier ook een ‘programma’. Hier zou de held uit de Eerste symfonie ten grave gedragen worden. De grimmige, afgemeten motieven van Todtenfeier worden afgewisseld met een melodieus stijgend tweede thema, geïntroduceerd in strijkers en hoorns. Kort na het begin van de doorwerking – die begint met gepuncteerde marsfiguren in uitsluitend lage strijkers – is in de hoorns het Dies irae uit de Latijnse dodenmis te horen. Echter, bij Mahler is een buitenmuzikaal thema of verhaal geen uitgangspunt voor een instrumentaal concept. Een eventuele ‘betekenis’ werd er pas later aan gegeven.

‘Die Kapelle ist ein enger Raum, nur für den Sarg und ein paar Kränze. [....] Eine Frau kommt vorbei, sagt zu einer anderen: “Jetzt hat er drinnen Ruhe. Dem war auch alles zu klein.”’ Deze woorden, waarschijnlijk van een toeschouwster bij Gustav Mahlers uitvaart, vier dagen na zijn sterfdag 18 mei 1911, staan in een verslag van de muziekjournalist Paul Stefan. De gebruikelijke muzikale vormen en orkesten waren inderdaad voor Mahler ‘zu klein’. Leven, dood, noodlot, hoop en geloof, veelsoortige thema’s komen in zijn werken bijeen: ‘De symfonie moet als een wereld zijn. Zij moet alomvattend zijn.’ In complexe betekenis, in het samengaan van het grootse met het alledaagse, het verhevene met het bizarre, in omvang van het orkest en menging van instrumentale met vocale elementen, overschrijden Mahlers symfonieën de traditionele grenzen.

Deze expansie manifesteert zich ook in de lengte en de bezetting van de reusachtige treurmars Todtenfeier, voltooid in hetzelfde jaar als de Eerste symfonie en dus behorend tot Mahlers vroegste werken voor orkest. Het stuk werd in de oorspronkelijke vorm pas in 1983 voor het eerst uitgevoerd, maar had niettemin met enige veranderingen een nieuw concertleven geleid als openingsdeel van de Tweede symfonie, ‘Auferstehung’. Als Allegro maestoso van de Tweede symfonie kreeg Todtenfeier ook een ‘programma’. Hier zou de held uit de Eerste symfonie ten grave gedragen worden. De grimmige, afgemeten motieven van Todtenfeier worden afgewisseld met een melodieus stijgend tweede thema, geïntroduceerd in strijkers en hoorns. Kort na het begin van de doorwerking – die begint met gepuncteerde marsfiguren in uitsluitend lage strijkers – is in de hoorns het Dies irae uit de Latijnse dodenmis te horen. Echter, bij Mahler is een buitenmuzikaal thema of verhaal geen uitgangspunt voor een instrumentaal concept. Een eventuele ‘betekenis’ werd er pas later aan gegeven.

door Henriëtte Sanders

Sergej Prokofjev (1891-1953)

Prokofjev: Eerste pianoconcert

door Michiel Cleij

  • Serge Prokofjev

    achter de piano

    Serge Prokofjev

    achter de piano

  • Serge Prokofjev

    achter de piano

    Serge Prokofjev

    achter de piano

Als twintiger was Sergej Prokofjev een roemruchte verschijning in het Sint-Petersburgse muziekleven. Zijn compositorisch talent was onbetwist en zijn pianospel fenomenaal – maar de felheid waarmee hij die kwaliteiten demonstreerde schoffeerde de oudere garde. Met beukende, motorische ritmes en scherpe dissonanten sloeg Prokofjev, zoals een Russische criticus schreef, ‘de parfumflesjes van de Romantiek aan diggelen’. Het schandaal dat zijn Scythische suite voor orkest in januari 1916 in Rusland ontketende deed nauwelijks onder voor het tumult rond Stravinsky’s Le sacre du printemps in Parijs, drie jaar eerder. Curieus is dat hij tezelfdertijd de beminnelijke Klassieke symfonie componeerde. Dit soort ‘stijlbreuken’ maken Prokofjev zo’n boeiende componist: ’s morgens verguisd als een bedreiging van de goede smaak, en ’s middags een Haydn-achtig symfonietje serverend. Het is het gedrag van een kunstenaar die zich niets laat wijsmaken.

Voorproefjes van zijn ­modernisme gaf Prokofjev al tijdens zijn conser­­va­to­riumopleiding. De Rubinstein-competitie waarmee hij zijn laatste studiejaar afsloot won hij met het Eerste pianoconcert in Des groot – al was dat louter te danken aan zijn virtuoze pianospel en niet aan de compositie. In drie aaneengesloten delen wisselt Prokofjev monumentale tuttipassages af met onstuimige solopartijen en razernij met dromerigheid. Veel critici deden het werk bij de première af als oppervlakkige showmuziek. Ook stoorden sommigen zich aan de massiviteit van het openingsgegeven, een motief dat na de introductie nog tweemaal opduikt (‘als een walvis’, aldus de componist), met een gewicht dat de tere lyriek van het middendeel dreigt te verpletteren. Dat het stuk onevenwichtig was vond Prokofjev zelf achteraf ook, maar een controverse over de toekomst van de Russische muziek was geboren. Voorstanders prezen Prokofjev als een revolutionair, voor anderen was hij een boodschapper van de laatste dag. ‘Deze man’, schreef de Petersburger Gazet, ‘moet in een dwangbuis gehesen worden!’

Als twintiger was Sergej Prokofjev een roemruchte verschijning in het Sint-Petersburgse muziekleven. Zijn compositorisch talent was onbetwist en zijn pianospel fenomenaal – maar de felheid waarmee hij die kwaliteiten demonstreerde schoffeerde de oudere garde. Met beukende, motorische ritmes en scherpe dissonanten sloeg Prokofjev, zoals een Russische criticus schreef, ‘de parfumflesjes van de Romantiek aan diggelen’. Het schandaal dat zijn Scythische suite voor orkest in januari 1916 in Rusland ontketende deed nauwelijks onder voor het tumult rond Stravinsky’s Le sacre du printemps in Parijs, drie jaar eerder. Curieus is dat hij tezelfdertijd de beminnelijke Klassieke symfonie componeerde. Dit soort ‘stijlbreuken’ maken Prokofjev zo’n boeiende componist: ’s morgens verguisd als een bedreiging van de goede smaak, en ’s middags een Haydn-achtig symfonietje serverend. Het is het gedrag van een kunstenaar die zich niets laat wijsmaken.

Voorproefjes van zijn ­modernisme gaf Prokofjev al tijdens zijn conser­­va­to­riumopleiding. De Rubinstein-competitie waarmee hij zijn laatste studiejaar afsloot won hij met het Eerste pianoconcert in Des groot – al was dat louter te danken aan zijn virtuoze pianospel en niet aan de compositie. In drie aaneengesloten delen wisselt Prokofjev monumentale tuttipassages af met onstuimige solopartijen en razernij met dromerigheid. Veel critici deden het werk bij de première af als oppervlakkige showmuziek. Ook stoorden sommigen zich aan de massiviteit van het openingsgegeven, een motief dat na de introductie nog tweemaal opduikt (‘als een walvis’, aldus de componist), met een gewicht dat de tere lyriek van het middendeel dreigt te verpletteren. Dat het stuk onevenwichtig was vond Prokofjev zelf achteraf ook, maar een controverse over de toekomst van de Russische muziek was geboren. Voorstanders prezen Prokofjev als een revolutionair, voor anderen was hij een boodschapper van de laatste dag. ‘Deze man’, schreef de Petersburger Gazet, ‘moet in een dwangbuis gehesen worden!’

door Michiel Cleij

Nikolaj Rimski-Korsakov (1844-1908)

Rimski-Korsakov: Het sneeuwmeisje

door Lonneke Tausch

  • Nikolaj Rimski-Korsakov

    portret door Valentin Serov, 1898

    Nikolaj Rimski-Korsakov

    portret door Valentin Serov, 1898

  • Nikolaj Rimski-Korsakov

    portret door Valentin Serov, 1898

    Nikolaj Rimski-Korsakov

    portret door Valentin Serov, 1898

Nikolaj Rimski-Korsakov moet van sprookjes gehouden hebben. Zijn kleurrijke stijl en zijn creatieve manier van orkestreren gedijden in ieder geval goed bij de vele legendes en verhalen die hij van fantasierijke muziek voorzag. Allereerst is daar natuurlijk Sheherazade (1888), voortgekomen uit de oriëntaalse vertellingen van Duizend-en-één-nacht. Schreef hij dit als zelfstandige orkest­suite, zijn andere sprookjessuites destilleerde Rimski-Korsakov voor het concertpodium uit zijn opera’s. Hij componeerde er maar liefst vijftien, waarvan Het sneeuwmeisje (in het Russisch: Snegoerotsjka) de vierde was. Deze opera, met een libretto dat ­Rimski-Korsakov zelf schreef op basis van een toneelstuk uit 1873 van Nikolaj Ostrovski, ging op 10 februari 1882 in première in Sint-Petersburg. In 1898 werd in dezelfde stad nog een herziene versie ten doop gehouden, en Snegoerotsjka hield in Rusland sindsdien altijd repertoire.

Er circuleren vele varianten van het verhaal over het meisje van ijs waarvan uiteindelijk niets dan een plasje water overblijft. In grote lijnen zit het als volgt: Snegoerotsjka is de dochter van Koning Winter en een lentefee. Het meisje heeft een koud hart, ze bestaat volledig uit ijs en sneeuw. Door haar ouders wordt ze angstvallig uit het zonlicht gehouden. Maar haar moeder gunt haar meer vrijheid, en als ze groot is begeeft het sneeuwmeisje zich onder de mensen. De warmte van de liefde wordt haar fataal: ze smelt.

Overigens was Rimski-Korsakov niet de enige die zich door het romantische sprookje van het sneeuwmeisje liet inspireren: een paar jaar eerder had ook Pjotr Tsjaikovski muziek geschreven bij de aloude legende. De dood van Snegoerotsjka staat in de Russische folklore symbool voor het einde van de winter en het begin van de lente.

 

Nikolaj Rimski-Korsakov moet van sprookjes gehouden hebben. Zijn kleurrijke stijl en zijn creatieve manier van orkestreren gedijden in ieder geval goed bij de vele legendes en verhalen die hij van fantasierijke muziek voorzag. Allereerst is daar natuurlijk Sheherazade (1888), voortgekomen uit de oriëntaalse vertellingen van Duizend-en-één-nacht. Schreef hij dit als zelfstandige orkest­suite, zijn andere sprookjessuites destilleerde Rimski-Korsakov voor het concertpodium uit zijn opera’s. Hij componeerde er maar liefst vijftien, waarvan Het sneeuwmeisje (in het Russisch: Snegoerotsjka) de vierde was. Deze opera, met een libretto dat ­Rimski-Korsakov zelf schreef op basis van een toneelstuk uit 1873 van Nikolaj Ostrovski, ging op 10 februari 1882 in première in Sint-Petersburg. In 1898 werd in dezelfde stad nog een herziene versie ten doop gehouden, en Snegoerotsjka hield in Rusland sindsdien altijd repertoire.

Er circuleren vele varianten van het verhaal over het meisje van ijs waarvan uiteindelijk niets dan een plasje water overblijft. In grote lijnen zit het als volgt: Snegoerotsjka is de dochter van Koning Winter en een lentefee. Het meisje heeft een koud hart, ze bestaat volledig uit ijs en sneeuw. Door haar ouders wordt ze angstvallig uit het zonlicht gehouden. Maar haar moeder gunt haar meer vrijheid, en als ze groot is begeeft het sneeuwmeisje zich onder de mensen. De warmte van de liefde wordt haar fataal: ze smelt.

Overigens was Rimski-Korsakov niet de enige die zich door het romantische sprookje van het sneeuwmeisje liet inspireren: een paar jaar eerder had ook Pjotr Tsjaikovski muziek geschreven bij de aloude legende. De dood van Snegoerotsjka staat in de Russische folklore symbool voor het einde van de winter en het begin van de lente.

 

door Lonneke Tausch

Gustav Mahler (1860-1911)

Mahler: Todtenfeier

door Henriëtte Sanders

  • Gustav Mahler

    door: Emil Orlik, 1902

    Gustav Mahler

    door: Emil Orlik, 1902

  • Gustav Mahler

    door: Emil Orlik, 1902

    Gustav Mahler

    door: Emil Orlik, 1902

‘Die Kapelle ist ein enger Raum, nur für den Sarg und ein paar Kränze. [....] Eine Frau kommt vorbei, sagt zu einer anderen: “Jetzt hat er drinnen Ruhe. Dem war auch alles zu klein.”’ Deze woorden, waarschijnlijk van een toeschouwster bij Gustav Mahlers uitvaart, vier dagen na zijn sterfdag 18 mei 1911, staan in een verslag van de muziekjournalist Paul Stefan. De gebruikelijke muzikale vormen en orkesten waren inderdaad voor Mahler ‘zu klein’. Leven, dood, noodlot, hoop en geloof, veelsoortige thema’s komen in zijn werken bijeen: ‘De symfonie moet als een wereld zijn. Zij moet alomvattend zijn.’ In complexe betekenis, in het samengaan van het grootse met het alledaagse, het verhevene met het bizarre, in omvang van het orkest en menging van instrumentale met vocale elementen, overschrijden Mahlers symfonieën de traditionele grenzen.

Deze expansie manifesteert zich ook in de lengte en de bezetting van de reusachtige treurmars Todtenfeier, voltooid in hetzelfde jaar als de Eerste symfonie en dus behorend tot Mahlers vroegste werken voor orkest. Het stuk werd in de oorspronkelijke vorm pas in 1983 voor het eerst uitgevoerd, maar had niettemin met enige veranderingen een nieuw concertleven geleid als openingsdeel van de Tweede symfonie, ‘Auferstehung’. Als Allegro maestoso van de Tweede symfonie kreeg Todtenfeier ook een ‘programma’. Hier zou de held uit de Eerste symfonie ten grave gedragen worden. De grimmige, afgemeten motieven van Todtenfeier worden afgewisseld met een melodieus stijgend tweede thema, geïntroduceerd in strijkers en hoorns. Kort na het begin van de doorwerking – die begint met gepuncteerde marsfiguren in uitsluitend lage strijkers – is in de hoorns het Dies irae uit de Latijnse dodenmis te horen. Echter, bij Mahler is een buitenmuzikaal thema of verhaal geen uitgangspunt voor een instrumentaal concept. Een eventuele ‘betekenis’ werd er pas later aan gegeven.

‘Die Kapelle ist ein enger Raum, nur für den Sarg und ein paar Kränze. [....] Eine Frau kommt vorbei, sagt zu einer anderen: “Jetzt hat er drinnen Ruhe. Dem war auch alles zu klein.”’ Deze woorden, waarschijnlijk van een toeschouwster bij Gustav Mahlers uitvaart, vier dagen na zijn sterfdag 18 mei 1911, staan in een verslag van de muziekjournalist Paul Stefan. De gebruikelijke muzikale vormen en orkesten waren inderdaad voor Mahler ‘zu klein’. Leven, dood, noodlot, hoop en geloof, veelsoortige thema’s komen in zijn werken bijeen: ‘De symfonie moet als een wereld zijn. Zij moet alomvattend zijn.’ In complexe betekenis, in het samengaan van het grootse met het alledaagse, het verhevene met het bizarre, in omvang van het orkest en menging van instrumentale met vocale elementen, overschrijden Mahlers symfonieën de traditionele grenzen.

Deze expansie manifesteert zich ook in de lengte en de bezetting van de reusachtige treurmars Todtenfeier, voltooid in hetzelfde jaar als de Eerste symfonie en dus behorend tot Mahlers vroegste werken voor orkest. Het stuk werd in de oorspronkelijke vorm pas in 1983 voor het eerst uitgevoerd, maar had niettemin met enige veranderingen een nieuw concertleven geleid als openingsdeel van de Tweede symfonie, ‘Auferstehung’. Als Allegro maestoso van de Tweede symfonie kreeg Todtenfeier ook een ‘programma’. Hier zou de held uit de Eerste symfonie ten grave gedragen worden. De grimmige, afgemeten motieven van Todtenfeier worden afgewisseld met een melodieus stijgend tweede thema, geïntroduceerd in strijkers en hoorns. Kort na het begin van de doorwerking – die begint met gepuncteerde marsfiguren in uitsluitend lage strijkers – is in de hoorns het Dies irae uit de Latijnse dodenmis te horen. Echter, bij Mahler is een buitenmuzikaal thema of verhaal geen uitgangspunt voor een instrumentaal concept. Een eventuele ‘betekenis’ werd er pas later aan gegeven.

door Henriëtte Sanders

Biografie

Antwerp Symphony Orchestra, orkest

Het Antwerp Symphony Orchestra, met de Koningin Elisabethzaal als thuisbasis, staat met ingang van september 2019 onder leiding van chef-­dirigent Elim Chan. Philippe Herreweghe is eredirigent en Edo de Waart is dirigent emeritus.

Dankzij eigen concertreeksen in Concertgebouw (Brugge), Muziekcentrum De Bijloke (Gent), Bozar (Brussel) en CCHA (Hasselt) bekleedt het orkest een unieke positie in Vlaanderen, en als erkende Vlaamse Kunstinstelling treedt het in het buitenland op als Vlaams cultureel ambassadeur. De programmering strekt zich uit van de Barok tot het hedendaagse repertoire, met bijzondere aandacht voor Vlaams muzikaal erfgoed. Naast zijn reguliere concerten creëerde het Antwerp Symphony Orchestra een uitgebreid aanbod aan educatieve en sociale projecten, waarmee het kinderen, jongeren en mensen met verschillende achtergronden door de symfonische klanken­wereld gidst.

Het Antwerp Symphony Orchestra maakt opnames voor gerenommeerde klassieke labels en richtte ook een eigen cd-label op. In seizoen 2021/22 is de Britse pianist Steve Osborne artist in residence; onder de overige gastmusici zijn sopraan Diana Damrau, de violisten James Ehnes, Patricia Kopatchinskaja en Gil Shaham, de cellisten Alban Gerhardt en Kian Soltani en de pianisten Martha Argerich, Igor Levit en Alexandre Kantorow.

In Het Concertgebouw waren het Antwerp Symphony Orchestra en chef-­dirigent Elim Chan de afgelopen tijd geregeld te beluisteren, voor het laatst op 18 augustus jongstleden met soliste Noa Wildschut in het Vioolconcert van Mendelssohn.

Elim Chan, dirigent

Elim Chan werd geboren in Hongkong en studeerde aan het Smith College en de University of Michigan. In 2013 maakte ze deel uit van het Bruno Walter Conducting Scholarship en masterclasses volgde ze onder meer bij Marin Alsop en Bernard Haitink.

Elim Chan won in 2014 als eerste vrouw de Donatella Flick Conducting Competition en was dankzij haar overwinning assistent-dirigent bij het London Symphony Orchestra voor het seizoen 2015/16. Het seizoen daarop maakte ze deel uit van het Dudamel Fellowship-programma bij de Los Angeles Philharmonic.

Vanaf seizoen 2019/20 is Elim Chan chefdirigent van het Antwerp Symphony Orchestra. Als gastdirigent stond ze op de bok bij het Philharmonia Orchestra, het Royal Liverpool Philharmonic Orchestra, het Deutsches Symphonie-Orchester Berlin, de Deutsche Kammerphilharmonie Bremen, het Orchestre ­Philharmonique du Luxembourg, het Orchestre Natio­nal de Lyon, het Royal Stockholm Philharmonic Orchestra en de Hong Kong Philharmonic. Haar Amerikaanse debuut maakte ze bij de orkesten van Berkeley, Detroit, Chicago, Houston en Los Angeles, en ze debuteerde ook bij het Mariinski Orkest en het Australian Youth Orchestra. Als vaste gastdirigent is ze verbonden aan het Scottish National Orchestra.

In Het Concertgebouw dirigeerde Elim Chan eerder ook het Koninklijk Concertgebouworkest, het Rotterdams Philharmonisch Orkest en het Nederlands Philharmonisch Orkest.

Alexander Gavrylyuk, piano

Alexander Gavrylyuk is afkomstig uit Oekraïne, begon zijn pianostudie toen hij zeven was en maakte twee jaar later zijn professionele debuut. Op zijn dertiende verhuisde hij naar Australië, op zijn vijftiende won hij het Horowitz Internationaal Pianoconcours in Kiev en op zijn zestiende de Hamamatsu International Piano Competiton.

In 2005 werd hij meervoudig prijswinnaar van de Arthur Rubinstein Competition in Tel Aviv en een jaar later maakte hij Berlijn tot zijn uitvalsbasis, totdat hij zich een paar jaar geleden in Nederland vestigde.

Alexander Gavrylyuk werd als solist uitgenodigd door festivals als de BBC Proms, de Hollywood Bowl, Mostly Mozart, de Kissinger Sommer en het Gergiev Festival, en door gezelschappen als de New York en de Los Angeles Philharmonic, de orkesten van Chicago, Dallas, San Francisco, São Paulo, Sydney, Seoul en Tokio, het Russisch Nationaal Orkest, het NDR Elbphilharmonie Orchester, het Orchestre National de Lyon, het Bournemouth Symphony Orchestra, het Royal Scottish National Orchestra en het City of Birmingham Symphony Orchestra.

In de Grote Zaal soleerde hij bij onder meer het Concertgebouworkest (voor het eerst in 2010), het Nederlands Philharmonisch Orkest en het Radio Filharmonisch Orkest. Naast zijn engagementen met orkest voeren ook solorecitals de pianist over de hele wereld.

In 2009 maakte Alexander Gavrylyuk zijn Nederlandse debuut in Het Concertgebouw in de serie Meesterpianisten, waarin hij sindsdien meermaals terugkeerde. Samen met violiste Janine Jansen speelde hij in de Grote Zaal in 2016 en 2019.