Waarom sommige dirigenten speciale titels hebben
door Martijn Voorvelt 08 feb. 2026 08 februari 2026
Chef-dirigenten, eredirigenten, vaste gastdirigenten… Wat houdt het eigenlijk allemaal in? Wat zijn de verschillen? Om daar inzicht in te krijgen bekijken we welke dirigenten formeel aan het Concertgebouworkest verbonden zijn – en zijn geweest.
Bijna alle orkesten (met de Wiener Philharmoniker als beroemdste uitzondering) hebben een chef-dirigent: een dirigent die veel met dat orkest werkt en een belangrijk stempel drukt op het artistieke beleid. De functie is vergelijkbaar met wat in het Engels een music director heet en in het Duits een Generalmusikdirektor – al heeft zo iemand bestuurlijk gezien vaak nog net iets meer in de melk te brokkelen. Een meer traditionele naam die in het Duits nog wel wordt gebruikt is Kapellmeister – oorspronkelijk een koorleider in een klooster, kerk of kapel, later ook ensemble- of orkestleider.
Daarnaast kan een orkest iemand benoemen tot bijvoorbeeld vaste gastdirigent of honorair gastdirigent. Elk orkest heeft zo z’n titels om een dirigent aan zich te binden. Zo krijgt een vertrekkend chef-dirigent vaak de titel eredirigent (honorary conductor). No strings attached. Verder zijn er assistent-dirigenten: die assisteren een gevestigde dirigent, vaak als onderdeel van hun opleiding.
De andere dirigenten die bij een orkest langskomen – meestal voor hooguit één programma per seizoen – worden simpelweg aangeduid als gastdirigent.
'Titeldirigenten' bij het Concertgebouworkest
Het Concertgebouworkest heeft zeven chef-dirigenten gehad, al heetten die de eerste jaren ‘directeur’, en later ‘eerste dirigent’. Daarnaast zijn er andere dirigenten met een speciale rol geweest, zoals ‘tweede eerste dirigenten’ en ‘vaste dirigenten’.
Naast toekomstig chef-dirigent Klaus Mäkelä kent het orkest op dit moment twee dirigenten met een bijzondere titel: conductor emeritus Riccardo Chailly en honorair gastdirigent Iván Fischer. Die titels hebben ze niet voor niets gekregen – beide musici zijn van bijzonder belang voor het orkest en met beiden bestaat een lange verbintenis. Daarover straks meer. Twee andere titulair dirigenten zijn inmiddels overleden: eredirigent Bernard Haitink (1929-2021) en honorair gastdirigent Nikolaus Harnoncourt (1929-2016).
Laten we eerst eens kijken wie hun voorgangers waren.
Kes en Mengelberg
Op 3 november 1888 gaf het Concertgebouworkest zijn eerste abonnementsconcert. Willem Kes was benoemd tot directeur. Hij leidde het merendeel van de concerten. En dat waren er veel: in het eerste seizoen bijvoorbeeld 73 van de 137, het seizoen daarop 104 van de 135, en in zijn zevende en laatste seizoen 120 van de 179(!). En dat voor het magere salaris van 5.000 gulden per jaar. Geen wonder dat hij al in 1895 naar het buitenland vertrok – bij The Scottish Orchestra verdiende hij veel meer en hoefde hij minder te buffelen.
Willem Kes verdiende slechts 5.000 gulden per jaar
De nieuwe directeur, later ‘eerste dirigent’ genoemd, was Willem Mengelberg. Hoewel ook hij jaarlijks vele tientallen concerten op zich nam, ontwikkelde hij zich steeds meer tot bestuurder en netwerker. Mengelberg was vaak in het buitenland – om te dirigeren, om dirigenten, componisten en solisten te ‘scouten’ en om contacten te leggen. Daarom besteedde hij het dirigeren in Amsterdam vaak uit. En niet alleen aan wisselende gastdirigenten: er kwam een ‘tweede dirigent’.
Tweede dirigenten
In 1908 werd Cornelis Dopper als tweede dirigent (aanvankelijk ‘tweede directeur’) aangesteld. Hij leidde de ‘minder prestigieuze’ concerten, was Mengelbergs assistent en muziekbibliothecaris, bereidde het orkest voor (‘inzepen’) voor ‘de baas’ en andere belangrijke dirigenten, en ga zo maar door. Een veelomvattende baan, maar het gaf Dopper wel de gelegenheid om regelmatig zijn eigen composities te dirigeren.
In 1909 werd ook Evert Cornelis aangesteld als tweede dirigent. Hem werd tien jaar later de wacht aangezegd omdat hij openlijk de kant koos van progressieve criticasters als Matthijs Vermeulen (Mengelberg sprak van een ‘staatsgreep’). Dopper bleef aan tot 1931, waarna Eduard van Beinum hem opvolgde.
Bijna alle orkesten (met de Wiener Philharmoniker als beroemdste uitzondering) hebben een chef-dirigent: een dirigent die veel met dat orkest werkt en een belangrijk stempel drukt op het artistieke beleid. De functie is vergelijkbaar met wat in het Engels een music director heet en in het Duits een Generalmusikdirektor – al heeft zo iemand bestuurlijk gezien vaak nog net iets meer in de melk te brokkelen. Een meer traditionele naam die in het Duits nog wel wordt gebruikt is Kapellmeister – oorspronkelijk een koorleider in een klooster, kerk of kapel, later ook ensemble- of orkestleider.
Daarnaast kan een orkest iemand benoemen tot bijvoorbeeld vaste gastdirigent of honorair gastdirigent. Elk orkest heeft zo z’n titels om een dirigent aan zich te binden. Zo krijgt een vertrekkend chef-dirigent vaak de titel eredirigent (honorary conductor). No strings attached. Verder zijn er assistent-dirigenten: die assisteren een gevestigde dirigent, vaak als onderdeel van hun opleiding.
De andere dirigenten die bij een orkest langskomen – meestal voor hooguit één programma per seizoen – worden simpelweg aangeduid als gastdirigent.
'Titeldirigenten' bij het Concertgebouworkest
Het Concertgebouworkest heeft zeven chef-dirigenten gehad, al heetten die de eerste jaren ‘directeur’, en later ‘eerste dirigent’. Daarnaast zijn er andere dirigenten met een speciale rol geweest, zoals ‘tweede eerste dirigenten’ en ‘vaste dirigenten’.
Naast toekomstig chef-dirigent Klaus Mäkelä kent het orkest op dit moment twee dirigenten met een bijzondere titel: conductor emeritus Riccardo Chailly en honorair gastdirigent Iván Fischer. Die titels hebben ze niet voor niets gekregen – beide musici zijn van bijzonder belang voor het orkest en met beiden bestaat een lange verbintenis. Daarover straks meer. Twee andere titulair dirigenten zijn inmiddels overleden: eredirigent Bernard Haitink (1929-2021) en honorair gastdirigent Nikolaus Harnoncourt (1929-2016).
Laten we eerst eens kijken wie hun voorgangers waren.
Kes en Mengelberg
Op 3 november 1888 gaf het Concertgebouworkest zijn eerste abonnementsconcert. Willem Kes was benoemd tot directeur. Hij leidde het merendeel van de concerten. En dat waren er veel: in het eerste seizoen bijvoorbeeld 73 van de 137, het seizoen daarop 104 van de 135, en in zijn zevende en laatste seizoen 120 van de 179(!). En dat voor het magere salaris van 5.000 gulden per jaar. Geen wonder dat hij al in 1895 naar het buitenland vertrok – bij The Scottish Orchestra verdiende hij veel meer en hoefde hij minder te buffelen.
Willem Kes verdiende slechts 5.000 gulden per jaar
De nieuwe directeur, later ‘eerste dirigent’ genoemd, was Willem Mengelberg. Hoewel ook hij jaarlijks vele tientallen concerten op zich nam, ontwikkelde hij zich steeds meer tot bestuurder en netwerker. Mengelberg was vaak in het buitenland – om te dirigeren, om dirigenten, componisten en solisten te ‘scouten’ en om contacten te leggen. Daarom besteedde hij het dirigeren in Amsterdam vaak uit. En niet alleen aan wisselende gastdirigenten: er kwam een ‘tweede dirigent’.
Tweede dirigenten
In 1908 werd Cornelis Dopper als tweede dirigent (aanvankelijk ‘tweede directeur’) aangesteld. Hij leidde de ‘minder prestigieuze’ concerten, was Mengelbergs assistent en muziekbibliothecaris, bereidde het orkest voor (‘inzepen’) voor ‘de baas’ en andere belangrijke dirigenten, en ga zo maar door. Een veelomvattende baan, maar het gaf Dopper wel de gelegenheid om regelmatig zijn eigen composities te dirigeren.
In 1909 werd ook Evert Cornelis aangesteld als tweede dirigent. Hem werd tien jaar later de wacht aangezegd omdat hij openlijk de kant koos van progressieve criticasters als Matthijs Vermeulen (Mengelberg sprak van een ‘staatsgreep’). Dopper bleef aan tot 1931, waarna Eduard van Beinum hem opvolgde.
Tweede eerste dirigenten
Om Mengelberg nog meer te ontlasten werden de banden met andere belangrijke dirigenten aangehaald. Zij werden ‘vaste dirigenten’. Dat begon in 1908 met Gustav Kogel, maar die samenwerking werd al na twee jaar beëindigd. Later kregen achtereenvolgens Karl Muck (1921-25), Pierre Monteux (1925-34) en Bruno Walter (1934-39) de functie van ‘tweede eerste dirigent’. Ieder had zijn eigen specialiteiten. Zo heeft Monteux ons land kennis laten maken met heel veel Franse en Russische muziek en was Walter gespecialiseerd in onder meer Mozart en Mahler (met wie hij tot diens dood in 1911 veel had samengewerkt).
Toen Mengelberg in 1945 wegens pro-Duitse sympathieën een dirigeerverbod opgelegd kreeg, promoveerde Van Beinum tot eerste dirigent. Ook onder zijn leiding kwamen er ‘tweede eerste’ dirigenten, namelijk Rafael Kubelík (1949-55, de laatste twee jaar als eerste dirigent) en George Szell (1958-61).
Haitink wordt eerste, chef- en eredirigent
Nadat Van Beinum in 1959 onverwachts overleed (tijdens een repetitie met het Concertgebouworkest), werd de jonge Bernard Haitink – die al enige tijd werd beschouwd als opvolger – eerste dirigent. Omdat hij nog niet direct kon beginnen, moesten Szell, Kubelík en een groot aantal gastdirigenten veelvuldig inspringen totdat Haitink in 1961 echt van start ging, de eerste twee jaar samen met de ervaren Eugen Jochum.
In 1979 – Haitinks titel was inmiddels chef-dirigent – werd nog één keer een vaste dirigent aangesteld: de pedagogisch sterke Kirill Kondrashin werd aangetrokken om het orkest technisch vaardiger te maken. De alom geliefde Rus overleed anderhalf jaar later.
Haitink bouwde een grote internationale reputatie op. Toen hij in het jubileumjaar 1988 naar Engeland vertrok, benoemde het 100-jarige orkest hem tot eredirigent. In die hoedanigheid keerde hij nog vaak terug.
Drie chef-dirigenten
De nieuwe chef-dirigent Riccardo Chailly had geen ‘tweede man’ naast zich nodig. De energieke Italiaan verbreedde het repertoire van het orkest met modernere klanken (onder meer van Varèse, Berio en Henze) en opera. Na zijn vertrek in 2004 kreeg hij de titel conductor emeritus. Als chef-dirigent werd hij opgevolgd door de ervaren Letse meester Mariss Jansons. Toen deze na elf jaar eveneens vertrok, brak een wat onrustige periode aan. De band met de zevende chef, Daniele Gatti, werd al na twee seizoenen verbroken wegens grensoverschrijdend gedrag.
Tweede eerste dirigenten
Om Mengelberg nog meer te ontlasten werden de banden met andere belangrijke dirigenten aangehaald. Zij werden ‘vaste dirigenten’. Dat begon in 1908 met Gustav Kogel, maar die samenwerking werd al na twee jaar beëindigd. Later kregen achtereenvolgens Karl Muck (1921-25), Pierre Monteux (1925-34) en Bruno Walter (1934-39) de functie van ‘tweede eerste dirigent’. Ieder had zijn eigen specialiteiten. Zo heeft Monteux ons land kennis laten maken met heel veel Franse en Russische muziek en was Walter gespecialiseerd in onder meer Mozart en Mahler (met wie hij tot diens dood in 1911 veel had samengewerkt).
Toen Mengelberg in 1945 wegens pro-Duitse sympathieën een dirigeerverbod opgelegd kreeg, promoveerde Van Beinum tot eerste dirigent. Ook onder zijn leiding kwamen er ‘tweede eerste’ dirigenten, namelijk Rafael Kubelík (1949-55, de laatste twee jaar als eerste dirigent) en George Szell (1958-61).
Haitink wordt eerste, chef- en eredirigent
Nadat Van Beinum in 1959 onverwachts overleed (tijdens een repetitie met het Concertgebouworkest), werd de jonge Bernard Haitink – die al enige tijd werd beschouwd als opvolger – eerste dirigent. Omdat hij nog niet direct kon beginnen, moesten Szell, Kubelík en een groot aantal gastdirigenten veelvuldig inspringen totdat Haitink in 1961 echt van start ging, de eerste twee jaar samen met de ervaren Eugen Jochum.
In 1979 – Haitinks titel was inmiddels chef-dirigent – werd nog één keer een vaste dirigent aangesteld: de pedagogisch sterke Kirill Kondrashin werd aangetrokken om het orkest technisch vaardiger te maken. De alom geliefde Rus overleed anderhalf jaar later.
Haitink bouwde een grote internationale reputatie op. Toen hij in het jubileumjaar 1988 naar Engeland vertrok, benoemde het 100-jarige orkest hem tot eredirigent. In die hoedanigheid keerde hij nog vaak terug.
Drie chef-dirigenten
De nieuwe chef-dirigent Riccardo Chailly had geen ‘tweede man’ naast zich nodig. De energieke Italiaan verbreedde het repertoire van het orkest met modernere klanken (onder meer van Varèse, Berio en Henze) en opera. Na zijn vertrek in 2004 kreeg hij de titel conductor emeritus. Als chef-dirigent werd hij opgevolgd door de ervaren Letse meester Mariss Jansons. Toen deze na elf jaar eveneens vertrok, brak een wat onrustige periode aan. De band met de zevende chef, Daniele Gatti, werd al na twee seizoenen verbroken wegens grensoverschrijdend gedrag.
Honorair gastdirigenten
Tijdens de Chailly-periode oefende Nikolaus Harnoncourt grote invloed uit op onder meer de interpretatie, klank en speelwijze– eerst in achttiende-eeuwse, later ook in negentiende-eeuwse muziek. De orkestmusici leerden veel van zijn verhalen over de achtergronden van de composities. Vanwege zijn verdiensten werd hem in 2000 de titel honorair gastdirigent verleend. Harnoncourt overleed in 2016. Vervolgens ontvielen ons de voormalige chef-dirigenten Jansons (in 2019) en Haitink (in 2021).
Een schot in de roos, die Klaus Mäkelä
Het duurde enige tijd voor een nieuwe chef werd gevonden; het orkest wilde niet over één nacht ijs gaan. Omdat er toch behoefte was aan een vaste verbintenis, werd Iván Fischer benoemd tot honorair gastdirigent met ingang van seizoen 2021/2022. Dat hij de titel van Harnoncourt overerfde was toepasselijk, omdat Fischers carrière ooit in diens ensemble begon én hij eveneens al jaren belangrijke bijdragen levert aan de orkestklank en de manier waarop de musici samenspelen. Al sinds 1987 was de Hongaar vrijwel jaarlijks te gast; als honorair gastdirigent leidt hij nu ieder seizoen twee à drie programma’s van het Concertgebouworkest.
Toekomstig chef-dirigent Mäkelä
Krap een maand voor de benoeming van oudgediende Fischer debuteerde een 24-jarige Fin bij het orkest. Hij maakte indruk en werd in dat coronajaar meteen meerdere keren teruggevraagd. Een schot in de roos, die Klaus Mäkelä. De orkestmusici wilden hem dolgraag als chef, maar omdat hij pas was begonnen bij twee andere orkesten benoemde het Concertgebouworkest hem in 2022 tot toekomstig chef-dirigent (aanvankelijk ‘artistiek partner’). Inmiddels werkt hij ieder seizoen een week of tien met het orkest en is hij betrokken bij vele artistieke beslissingen, officieel is hij vanaf september 2027 chef-dirigent in Amsterdam.
Honorair gastdirigenten
Tijdens de Chailly-periode oefende Nikolaus Harnoncourt grote invloed uit op onder meer de interpretatie, klank en speelwijze– eerst in achttiende-eeuwse, later ook in negentiende-eeuwse muziek. De orkestmusici leerden veel van zijn verhalen over de achtergronden van de composities. Vanwege zijn verdiensten werd hem in 2000 de titel honorair gastdirigent verleend. Harnoncourt overleed in 2016. Vervolgens ontvielen ons de voormalige chef-dirigenten Jansons (in 2019) en Haitink (in 2021).
Een schot in de roos, die Klaus Mäkelä
Het duurde enige tijd voor een nieuwe chef werd gevonden; het orkest wilde niet over één nacht ijs gaan. Omdat er toch behoefte was aan een vaste verbintenis, werd Iván Fischer benoemd tot honorair gastdirigent met ingang van seizoen 2021/2022. Dat hij de titel van Harnoncourt overerfde was toepasselijk, omdat Fischers carrière ooit in diens ensemble begon én hij eveneens al jaren belangrijke bijdragen levert aan de orkestklank en de manier waarop de musici samenspelen. Al sinds 1987 was de Hongaar vrijwel jaarlijks te gast; als honorair gastdirigent leidt hij nu ieder seizoen twee à drie programma’s van het Concertgebouworkest.
Toekomstig chef-dirigent Mäkelä
Krap een maand voor de benoeming van oudgediende Fischer debuteerde een 24-jarige Fin bij het orkest. Hij maakte indruk en werd in dat coronajaar meteen meerdere keren teruggevraagd. Een schot in de roos, die Klaus Mäkelä. De orkestmusici wilden hem dolgraag als chef, maar omdat hij pas was begonnen bij twee andere orkesten benoemde het Concertgebouworkest hem in 2022 tot toekomstig chef-dirigent (aanvankelijk ‘artistiek partner’). Inmiddels werkt hij ieder seizoen een week of tien met het orkest en is hij betrokken bij vele artistieke beslissingen, officieel is hij vanaf september 2027 chef-dirigent in Amsterdam.
Associate conductor
In het verleden zijn er meerdere assistent-dirigenten (of simpelweg ‘assistenten’) werkzaam geweest bij het orkest. Onder de vleugels van Bernard Haitink had dat assistentschap een uitgesproken educatieve component. In dat kader is er nu een nieuwe – uitgebreidere – functie in het leven geroepen, mogelijk gemaakt dankzij de familie Haitink: in 2024 werd Aurel Dawidiuk aangesteld als eerste Bernard Haitink Associate Conductor 2024-2026. Gedurende twee seizoenen assisteert hij Klaus Mäkelä en andere dirigenten die bij het Concertgebouworkest op de bok staan en werkt hij met orkestmusici samen in kamermuziekconcerten. De talentvolle Dawidiuk is inmiddels benoemd tot chef-dirigent van de Bochumer Symphoniker, met ingang van september 2026. Het Concertgebouworkest krijgt dan een nieuwe associate conductor onder zijn hoede.
Meer weten? Musicus, muziekhistoricus en Preludium-auteur Johan Giskes promoveerde in 2012 op het proefschrift Dirigenten te gast. Het fenomeen gastdirigent, in het bijzonder bij het (Koninklijk) Concertgebouworkest 1888-2004. Het is hier online beschikbaar.
Associate conductor
In het verleden zijn er meerdere assistent-dirigenten (of simpelweg ‘assistenten’) werkzaam geweest bij het orkest. Onder de vleugels van Bernard Haitink had dat assistentschap een uitgesproken educatieve component. In dat kader is er nu een nieuwe – uitgebreidere – functie in het leven geroepen, mogelijk gemaakt dankzij de familie Haitink: in 2024 werd Aurel Dawidiuk aangesteld als eerste Bernard Haitink Associate Conductor 2024-2026. Gedurende twee seizoenen assisteert hij Klaus Mäkelä en andere dirigenten die bij het Concertgebouworkest op de bok staan en werkt hij met orkestmusici samen in kamermuziekconcerten. De talentvolle Dawidiuk is inmiddels benoemd tot chef-dirigent van de Bochumer Symphoniker, met ingang van september 2026. Het Concertgebouworkest krijgt dan een nieuwe associate conductor onder zijn hoede.
Meer weten? Musicus, muziekhistoricus en Preludium-auteur Johan Giskes promoveerde in 2012 op het proefschrift Dirigenten te gast. Het fenomeen gastdirigent, in het bijzonder bij het (Koninklijk) Concertgebouworkest 1888-2004. Het is hier online beschikbaar.