Nog geen account of wachtwoord vergeten? Ga dan naar concertgebouw.nl
orkestlid

Plaatsvervangend solocellist Johan van Iersel: ‘Ik gooi alles in de snelkookpan’

door Frederike Berntsen
16 sep. 2021 16 september 2021

Johan van Iersel is sinds 1997 plaatsvervangend solocellist in het Concertgebouworkest. Deze maand neemt hij een van de solopartijen in Haydns Sinfonia concertante voor zijn rekening.

Johan van Iersel

foto: Renske Vrolijk

Johan van Iersel

foto: Renske Vrolijk

Johan van Iersel

foto: Renske Vrolijk

Johan van Iersel

foto: Renske Vrolijk

‘Het vroor tien graden, en om niet helemaal verkleumd aan te komen nam ik een taxi naar de eerste proefspelronde’, herinnert Johan van Iersel zich dat belangrijke moment in december 1996. ‘Voor mijn gevoel was ik aan het einde van de week opeens door alle rondes heen, en zat ik op mijn vierentwintigste in het Concertgebouworkest.’

‘Het eerste jaar beleefde ik op een wolk, ik wist niet wat ik meemaakte. We deden alle Schubert-symfonieën onder leiding van Nikolaus Harnoncourt. We speelden Puccini’s Tosca met Riccardo Chailly, en in anderhalf jaar dertig keer Mahlers Vijfde, waaronder in Amerika. Het was één grote rollercoaster. Nu nog steeds is iedere orkestweek een avontuur, de orkestsamenstelling is iedere keer anders, het programma, de dirigent. Ik voel me zeer bevoorrecht in dit prachtige beroep.’

Spitsuur

De ouders van Van Iersel speelden viool. Dat bleek niet zijn grote liefde. Toen werd er ergens een cellootje op de kop getikt, en raak was het. Zijn eerste lessen kreeg Van Iersel van zijn vader, vóór schooltijd om zeven uur. Wat later kwam pedagoge Lenian Benjamins in beeld, en bij de Spanjaard Elias Arizcuren ploos hij acht jaar lang het cellorepertoire uit. Ook buiten de landsgrenzen deed hij zijn licht op, in Parijs bij Philippe Muller.

‘Arizcuren vond altijd dat ik mijn talent vergooide. Hoe meer talent je hebt, hoe harder je moet studeren, en dat studeren deed ik niet zo. Bij mij werkt het nog steeds niet als ik iedere morgen toonladders en drieklanken moet spelen. Voorbereiden en studeren ben ik wel anders gaan waarderen dan vroeger. Vroeger was het een verplichting, en vond ik het niet leuk. Nu heb ik studeren nodig om in vorm te blijven, de souplesse is met de leeftijd afgenomen. Ik heb er echt plezier in. Vaak is het thuis spitsuur, met drie kinderen. Mijn vriendin, celliste bij de Deutsche Kammerphilharmonie Bremen, is veel onderweg. De weinige tijd die ik heb om te studeren geniet ik er erg van.’

Leerschool

Het is begin juli en kortebroekenweer als Van Iersel in een van de studeervertrekken van het Concertgebouworkest aan de Gabriël Metsustraat vertelt over zijn leven als cellist. In oktober soleert hij bij zijn eigen orkest in Haydns Sinfonia concertante, samen met zijn collega’s Tjeerd Top, Ivan Podyomov en Gustavo Núñez. Is hij er al aan begonnen? ‘Hoe dichter op het concert, hoe beter dat werkt voor mij. Ik gooi alles in de snelkookpan. Haydn heb ik een keer eerder gespeeld, toen ik net in het orkest zat. Dat was onder leiding van Hans Vonk. Reuze spannend. Het is niet zo’n moeilijk stuk voor cello, behalve op het eind, daar zit een onmogelijk loopje, heel hoog. God zegene de greep.’

‘Dat heilige vuur van Jansons, niet alleen tijdens de concerten, maar al op maandagochtend bij de eerste repetitie, was ongelooflijk’


Telkens in het gesprek haalt Van Iersel de in 2019 overleden Mariss Jansons aan. In 2004 trad de Let aan als chefdirigent. De jaren met hem heeft Van Iersel als een gouden periode ervaren. ‘Zijn kracht zat in zijn voorstellingsvermogen – hij kon goed verwoorden hoe hij iets wilde horen – en in de intensiteit waarmee hij repeteerde. Hij was niet flitsend of virtuoos, maar hij had een religieuze beleving van de muziek waarmee hij het orkest tot grote hoogte stuwde. Dat heilige vuur van hem, niet alleen tijdens de concerten, maar al op maandagochtend bij de eerste repetitie, was ongelooflijk.’

‘Van Jansons heb ik geleerd dat het grootste goed van een kunstenaar zijn voorstellingsvermogen is, het beeld dat je wilt zien of de klank die je wilt horen. Zonder dat heeft muziek geen betekenis. Hoe sterker de verbeelding, hoe rijker de klankwereld. Brahms is van de natuur, de bossen, de alpenweide, de dieren. Mahler is een en al menselijke emotie, uitbarstingen en kwetsbaarheid. Dit soort beelden helpen mij bij het spelen. De kleurenrijkdom in mijn eigen klank is hierdoor enorm vergroot. Ik heb ook geleerd: less is more. Juist door je terug te trekken, anderen de ruimte te geven, je klank te doseren, ontstaat een transparante en rijke orkestklank.’

Gevoelskwestie

‘Voor Brahms kun je me dag en nacht wakker maken. Van Barok en hyper­experimenteel hou ik ook, maar Brahms ligt me echt na aan het hart. Dat heeft ook te maken met de klank die ik zelf graag produceer: rond en warm. Ik hou van het grote gebaar, en dat past bij Brahms. Ik ben intuïtief, in alles, en dus ook in het klank maken. Sommige musici doen vibrato-oefeningen, ik ga in het zoeken naar kleuren af op mijn gevoel.’

‘Zo sta ik geloof ik ook in het leven. Dat heeft zich voor mij tot nu toe ontvouwd met kansen en met moeilijke momenten. Ik heb totaal niet aan car­rièreplanning gedaan. Soms twijfel ik of ik wel ambitieus genoeg ben geweest. Ik was nooit een harde werker die uren en uren studeerde. Ik heb veel meegekregen van moeder natuur. Als iemand mij vroeg, voordat ik in het orkest zat, of ik orkestspel ambieerde, zei ik altijd dat ik kamermuziek interessanter vond. Mijn huidige baan stond bepaald niet op de agenda. Ik hou erg van kamermuziek, je rol in een kleine groep, het minutieuze afstemmen, eeuwig discussiëren over een klein detail. Smaak en persoonlijkheid moeten passen in de groep. Het orkest daarentegen is als een trein waar je nu eens op springt en dan weer er vanaf. Iedereen is vervangbaar, als ik er niet zit maar een ander hoor je dat niet.’

Risico’s nemen

‘Soms lukken dingen niet in het orkest, door hoge verwachtingen, spanning, overconcentratie. We zijn ook maar mensen. We spelen zo’n 130 concerten per jaar, dus wat wil je? Maar ik geniet liever van alles wat wel goed gaat, dan dat ik me stoor aan wat niet lukt. Het is een kwaliteit van dit orkest dat de musici risico’s nemen, zacht durven te spelen, vrij spelen, waardoor het misschien soms ongelijk is of er een nootje wegvalt.’

‘Als ik geen cello speel, is het niet zo dat mijn vingers beginnen te jeuken. Ik kan gemakkelijk wekenlang mijn instrument niet aanraken. Op het moment dat ik muziek maak, beleef ik dat op een zeer intensieve manier. Dan sta ik volledig aan en ben ik alert, ook fysiek, de spanning in mijn lichaam moet dan tot ontlading komen. Het is de enige manier waarop ik muziek kan maken. Het kost me veel energie, ik ben doodmoe na afloop. Maar ik krijg er ook energie voor terug, na een concert ­stuiter ik nog een paar uurtjes rond.’

‘Het vroor tien graden, en om niet helemaal verkleumd aan te komen nam ik een taxi naar de eerste proefspelronde’, herinnert Johan van Iersel zich dat belangrijke moment in december 1996. ‘Voor mijn gevoel was ik aan het einde van de week opeens door alle rondes heen, en zat ik op mijn vierentwintigste in het Concertgebouworkest.’

‘Het eerste jaar beleefde ik op een wolk, ik wist niet wat ik meemaakte. We deden alle Schubert-symfonieën onder leiding van Nikolaus Harnoncourt. We speelden Puccini’s Tosca met Riccardo Chailly, en in anderhalf jaar dertig keer Mahlers Vijfde, waaronder in Amerika. Het was één grote rollercoaster. Nu nog steeds is iedere orkestweek een avontuur, de orkestsamenstelling is iedere keer anders, het programma, de dirigent. Ik voel me zeer bevoorrecht in dit prachtige beroep.’

Spitsuur

De ouders van Van Iersel speelden viool. Dat bleek niet zijn grote liefde. Toen werd er ergens een cellootje op de kop getikt, en raak was het. Zijn eerste lessen kreeg Van Iersel van zijn vader, vóór schooltijd om zeven uur. Wat later kwam pedagoge Lenian Benjamins in beeld, en bij de Spanjaard Elias Arizcuren ploos hij acht jaar lang het cellorepertoire uit. Ook buiten de landsgrenzen deed hij zijn licht op, in Parijs bij Philippe Muller.

‘Arizcuren vond altijd dat ik mijn talent vergooide. Hoe meer talent je hebt, hoe harder je moet studeren, en dat studeren deed ik niet zo. Bij mij werkt het nog steeds niet als ik iedere morgen toonladders en drieklanken moet spelen. Voorbereiden en studeren ben ik wel anders gaan waarderen dan vroeger. Vroeger was het een verplichting, en vond ik het niet leuk. Nu heb ik studeren nodig om in vorm te blijven, de souplesse is met de leeftijd afgenomen. Ik heb er echt plezier in. Vaak is het thuis spitsuur, met drie kinderen. Mijn vriendin, celliste bij de Deutsche Kammerphilharmonie Bremen, is veel onderweg. De weinige tijd die ik heb om te studeren geniet ik er erg van.’

Leerschool

Het is begin juli en kortebroekenweer als Van Iersel in een van de studeervertrekken van het Concertgebouworkest aan de Gabriël Metsustraat vertelt over zijn leven als cellist. In oktober soleert hij bij zijn eigen orkest in Haydns Sinfonia concertante, samen met zijn collega’s Tjeerd Top, Ivan Podyomov en Gustavo Núñez. Is hij er al aan begonnen? ‘Hoe dichter op het concert, hoe beter dat werkt voor mij. Ik gooi alles in de snelkookpan. Haydn heb ik een keer eerder gespeeld, toen ik net in het orkest zat. Dat was onder leiding van Hans Vonk. Reuze spannend. Het is niet zo’n moeilijk stuk voor cello, behalve op het eind, daar zit een onmogelijk loopje, heel hoog. God zegene de greep.’

‘Dat heilige vuur van Jansons, niet alleen tijdens de concerten, maar al op maandagochtend bij de eerste repetitie, was ongelooflijk’


Telkens in het gesprek haalt Van Iersel de in 2019 overleden Mariss Jansons aan. In 2004 trad de Let aan als chefdirigent. De jaren met hem heeft Van Iersel als een gouden periode ervaren. ‘Zijn kracht zat in zijn voorstellingsvermogen – hij kon goed verwoorden hoe hij iets wilde horen – en in de intensiteit waarmee hij repeteerde. Hij was niet flitsend of virtuoos, maar hij had een religieuze beleving van de muziek waarmee hij het orkest tot grote hoogte stuwde. Dat heilige vuur van hem, niet alleen tijdens de concerten, maar al op maandagochtend bij de eerste repetitie, was ongelooflijk.’

‘Van Jansons heb ik geleerd dat het grootste goed van een kunstenaar zijn voorstellingsvermogen is, het beeld dat je wilt zien of de klank die je wilt horen. Zonder dat heeft muziek geen betekenis. Hoe sterker de verbeelding, hoe rijker de klankwereld. Brahms is van de natuur, de bossen, de alpenweide, de dieren. Mahler is een en al menselijke emotie, uitbarstingen en kwetsbaarheid. Dit soort beelden helpen mij bij het spelen. De kleurenrijkdom in mijn eigen klank is hierdoor enorm vergroot. Ik heb ook geleerd: less is more. Juist door je terug te trekken, anderen de ruimte te geven, je klank te doseren, ontstaat een transparante en rijke orkestklank.’

Gevoelskwestie

‘Voor Brahms kun je me dag en nacht wakker maken. Van Barok en hyper­experimenteel hou ik ook, maar Brahms ligt me echt na aan het hart. Dat heeft ook te maken met de klank die ik zelf graag produceer: rond en warm. Ik hou van het grote gebaar, en dat past bij Brahms. Ik ben intuïtief, in alles, en dus ook in het klank maken. Sommige musici doen vibrato-oefeningen, ik ga in het zoeken naar kleuren af op mijn gevoel.’

‘Zo sta ik geloof ik ook in het leven. Dat heeft zich voor mij tot nu toe ontvouwd met kansen en met moeilijke momenten. Ik heb totaal niet aan car­rièreplanning gedaan. Soms twijfel ik of ik wel ambitieus genoeg ben geweest. Ik was nooit een harde werker die uren en uren studeerde. Ik heb veel meegekregen van moeder natuur. Als iemand mij vroeg, voordat ik in het orkest zat, of ik orkestspel ambieerde, zei ik altijd dat ik kamermuziek interessanter vond. Mijn huidige baan stond bepaald niet op de agenda. Ik hou erg van kamermuziek, je rol in een kleine groep, het minutieuze afstemmen, eeuwig discussiëren over een klein detail. Smaak en persoonlijkheid moeten passen in de groep. Het orkest daarentegen is als een trein waar je nu eens op springt en dan weer er vanaf. Iedereen is vervangbaar, als ik er niet zit maar een ander hoor je dat niet.’

Risico’s nemen

‘Soms lukken dingen niet in het orkest, door hoge verwachtingen, spanning, overconcentratie. We zijn ook maar mensen. We spelen zo’n 130 concerten per jaar, dus wat wil je? Maar ik geniet liever van alles wat wel goed gaat, dan dat ik me stoor aan wat niet lukt. Het is een kwaliteit van dit orkest dat de musici risico’s nemen, zacht durven te spelen, vrij spelen, waardoor het misschien soms ongelijk is of er een nootje wegvalt.’

‘Als ik geen cello speel, is het niet zo dat mijn vingers beginnen te jeuken. Ik kan gemakkelijk wekenlang mijn instrument niet aanraken. Op het moment dat ik muziek maak, beleef ik dat op een zeer intensieve manier. Dan sta ik volledig aan en ben ik alert, ook fysiek, de spanning in mijn lichaam moet dan tot ontlading komen. Het is de enige manier waarop ik muziek kan maken. Het kost me veel energie, ik ben doodmoe na afloop. Maar ik krijg er ook energie voor terug, na een concert ­stuiter ik nog een paar uurtjes rond.’

De cello van Johan van Iersel

foto: Pétrie de Vries

De cello van Johan van Iersel

foto: Pétrie de Vries

De cello van Johan van Iersel

foto: Pétrie de Vries

De cello van Johan van Iersel

foto: Pétrie de Vries

De cello van Johan van Iersel

‘Ik speel op een Italiaans instrument uit 1687, gebouwd door Francesco Ruggieri. Het is het instrument geweest van mijn leraar Elias Arizcuren. Het was te koop in Bazel, en ik mocht het een aantal weken thuis uitproberen. Maar ik wist het eigenlijk meteen, die cello had ik natuurlijk acht jaar lang in de les gehoord, een prachtinstrument. Foundation Concertgebouworkest heeft hem samen met een aantal particulieren aangekocht en hem mij in bruikleen gegeven. De klank is echt Italiaans, een gouden klank met een enorme diepte. Ik speel er nu zo’n vijftien jaar op, nadat het instrument grondig was gerestaureerd. Het achterblad was zo dun dat je er bijna doorheen kon prikken, en daardoor had het instrument niet de draagkracht die het nodig heeft. Het voorblad was op bepaalde plekken ingezakt. Best spannend, hoe komt een cello uit een make-over van bijna een jaar? Ik ben er zeer blij mee. De cello zingt, ik kan de ene streek gemakkelijk met de andere verbinden zonder dat de klank uitdooft. Zoet en romantisch spel klinkt er heerlijk op. Mijn fijnste strijkstok, een zwaar model, komt uit Parijs en is gebouwd door Emile Ouchard.’

De cello van Johan van Iersel

‘Ik speel op een Italiaans instrument uit 1687, gebouwd door Francesco Ruggieri. Het is het instrument geweest van mijn leraar Elias Arizcuren. Het was te koop in Bazel, en ik mocht het een aantal weken thuis uitproberen. Maar ik wist het eigenlijk meteen, die cello had ik natuurlijk acht jaar lang in de les gehoord, een prachtinstrument. Foundation Concertgebouworkest heeft hem samen met een aantal particulieren aangekocht en hem mij in bruikleen gegeven. De klank is echt Italiaans, een gouden klank met een enorme diepte. Ik speel er nu zo’n vijftien jaar op, nadat het instrument grondig was gerestaureerd. Het achterblad was zo dun dat je er bijna doorheen kon prikken, en daardoor had het instrument niet de draagkracht die het nodig heeft. Het voorblad was op bepaalde plekken ingezakt. Best spannend, hoe komt een cello uit een make-over van bijna een jaar? Ik ben er zeer blij mee. De cello zingt, ik kan de ene streek gemakkelijk met de andere verbinden zonder dat de klank uitdooft. Zoet en romantisch spel klinkt er heerlijk op. Mijn fijnste strijkstok, een zwaar model, komt uit Parijs en is gebouwd door Emile Ouchard.’

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.