Contrabassist Léo Genet: ‘Wij tillen de boel op, bepalen de drive’
door Catherine Nieuwesteeg 08 feb 2026 08 februari 2026
Na het bijwonen van een repetitie van het Concertgebouworkest slaat de vonk over bij Léo Genet. ‘Ik had nog nooit muziek op dat niveau horen spelen.’ Via omwegen komt hij uiteindelijk in het orkest terecht.
Als kleutertje al vindt Léo Genet de lage tonen van de contrabas onweerstaanbaar. Op zijn zesde mag hij dan eindelijk beginnen met contrabasles, een keuze waar hij nooit spijt van heeft gekregen.
Na zijn conservatoriumstudie in Lyon volgt hij een tweede master aan het Conservatorium van Amsterdam, waar hij les krijgt van Olivier Thiery, die in het Concertgebouworkest speelt. ‘Ik ben hem veel verschuldigd. Hij is een belangrijke mentor voor mij.’
In de zomer van 2014 neemt Léo samen met zijn latere collega, de Britse contrabassist Felix Lashmar, deel aan het European Union Youth Orchestra en speelt hij in de Grote Zaal van Het Concertgebouw. Daar wonen ze ook een repetitie van het Concertgebouworkest bij – en dan slaat de vonk over. ‘Ik herinner het me nog goed: Daphnis et Chloé van Ravel, Kersten McCalls fluitspel, en die pizzicato’s in de bassen! Ik had nog nooit muziek op dat niveau horen spelen.’
Léo richt zijn pijlen aanvankelijk op de Academie van het Concertgebouworkest, maar het ging net even anders: via onder andere de academie van het Nederlands Philharmonisch Orkest en een aanstelling in het Orchestre Philharmonique de Radio France in Parijs komt zijn droom pas in augustus 2018 uit als hij wordt aangenomen in het Concertgebouworkest.
‘De contrabassectie, de basis van het orkest, draagt met haar lage tonen het hele bouwwerk. Ik ben hier helemaal op m’n plek. Wij tillen de boel op, bepalen de drive, sturen. Het is een heel precieze timing en je moet flexibel zijn. Wij bewaken de baslijn van het orkest, een koord waarop de anderen kunnen dansen.’
Niet alleen muzikaal maar ook sociaal voelt hij zich in het Concertgebouworkest als een vis in het water. Zijn vroegere studiegenoten Felix Lashmar en Théotime Voisin zijn zelfs een tijdje zijn huisgenoten geweest. ‘Als je elkaar zó goed kent, is dat ook een voordeel. We hebben dezelfde zienswijze en dat bevordert het samenspel. Ondanks verschillen in nationaliteit, karakter, streektechniek en klank, vormt de bassectie een hechte eenheid.’
Taakverdeling
Hoe wordt eigenlijk bepaald wie wat speelt gedurende het seizoen? ‘We dienen onze wensen in bij Georgina Poad, mijn zeer gewaardeerde Britse collega-bassiste. Zij deelt iedereen in per project en kent ieders voorkeuren. Zij weet bijvoorbeeld dat ik ervan houd om de onderkant te spelen als een partij is opgesplitst. Het is heel waardevol om haar in de groep te hebben.’ Zo heeft ieder zijn rol.
‘Alsof je iemand in een Twingo nu laat rijden in een vrachtwagen’
Léo zelf is verantwoordelijk voor het instrumentenpark, hij draagt zorg voor het onderhoud van de bassectie. Tijdens Concertgebouworkest Young (het tweejaarlijkse zomerproject voor jonge musici) is het belangrijk dat er zes instrumenten in perfecte staat klaar staan om bespeeld te kunnen worden. Daaronder bevinden zich een aantal imposante vijfsnarige exemplaren die voor orkestspel bestemd zijn. De meeste zijn tussen de honderd en tweehonderd jaar oud en hebben speciale aandacht nodig. Het is belangrijk dat jonge musici leren spelen op deze grotere exemplaren. ‘Het is net alsof je iemand die zijn rijexamen heeft gehaald in een Twingo nu laat rijden in een vrachtwagen. Dat is niet hetzelfde. Contrabassen hebben nu eenmaal veel vormen en maten, meer nog dan de viool of de cello.’
Als kleutertje al vindt Léo Genet de lage tonen van de contrabas onweerstaanbaar. Op zijn zesde mag hij dan eindelijk beginnen met contrabasles, een keuze waar hij nooit spijt van heeft gekregen.
Na zijn conservatoriumstudie in Lyon volgt hij een tweede master aan het Conservatorium van Amsterdam, waar hij les krijgt van Olivier Thiery, die in het Concertgebouworkest speelt. ‘Ik ben hem veel verschuldigd. Hij is een belangrijke mentor voor mij.’
In de zomer van 2014 neemt Léo samen met zijn latere collega, de Britse contrabassist Felix Lashmar, deel aan het European Union Youth Orchestra en speelt hij in de Grote Zaal van Het Concertgebouw. Daar wonen ze ook een repetitie van het Concertgebouworkest bij – en dan slaat de vonk over. ‘Ik herinner het me nog goed: Daphnis et Chloé van Ravel, Kersten McCalls fluitspel, en die pizzicato’s in de bassen! Ik had nog nooit muziek op dat niveau horen spelen.’
Léo richt zijn pijlen aanvankelijk op de Academie van het Concertgebouworkest, maar het ging net even anders: via onder andere de academie van het Nederlands Philharmonisch Orkest en een aanstelling in het Orchestre Philharmonique de Radio France in Parijs komt zijn droom pas in augustus 2018 uit als hij wordt aangenomen in het Concertgebouworkest.
‘De contrabassectie, de basis van het orkest, draagt met haar lage tonen het hele bouwwerk. Ik ben hier helemaal op m’n plek. Wij tillen de boel op, bepalen de drive, sturen. Het is een heel precieze timing en je moet flexibel zijn. Wij bewaken de baslijn van het orkest, een koord waarop de anderen kunnen dansen.’
Niet alleen muzikaal maar ook sociaal voelt hij zich in het Concertgebouworkest als een vis in het water. Zijn vroegere studiegenoten Felix Lashmar en Théotime Voisin zijn zelfs een tijdje zijn huisgenoten geweest. ‘Als je elkaar zó goed kent, is dat ook een voordeel. We hebben dezelfde zienswijze en dat bevordert het samenspel. Ondanks verschillen in nationaliteit, karakter, streektechniek en klank, vormt de bassectie een hechte eenheid.’
Taakverdeling
Hoe wordt eigenlijk bepaald wie wat speelt gedurende het seizoen? ‘We dienen onze wensen in bij Georgina Poad, mijn zeer gewaardeerde Britse collega-bassiste. Zij deelt iedereen in per project en kent ieders voorkeuren. Zij weet bijvoorbeeld dat ik ervan houd om de onderkant te spelen als een partij is opgesplitst. Het is heel waardevol om haar in de groep te hebben.’ Zo heeft ieder zijn rol.
‘Alsof je iemand in een Twingo nu laat rijden in een vrachtwagen’
Léo zelf is verantwoordelijk voor het instrumentenpark, hij draagt zorg voor het onderhoud van de bassectie. Tijdens Concertgebouworkest Young (het tweejaarlijkse zomerproject voor jonge musici) is het belangrijk dat er zes instrumenten in perfecte staat klaar staan om bespeeld te kunnen worden. Daaronder bevinden zich een aantal imposante vijfsnarige exemplaren die voor orkestspel bestemd zijn. De meeste zijn tussen de honderd en tweehonderd jaar oud en hebben speciale aandacht nodig. Het is belangrijk dat jonge musici leren spelen op deze grotere exemplaren. ‘Het is net alsof je iemand die zijn rijexamen heeft gehaald in een Twingo nu laat rijden in een vrachtwagen. Dat is niet hetzelfde. Contrabassen hebben nu eenmaal veel vormen en maten, meer nog dan de viool of de cello.’
Bach en verder
Een favoriete componist heeft Léo niet echt, maar Johann Sebastian Bach noemt hij ‘god op aarde’. ‘Dit land is gezegend met de Nederlandse Bachvereniging, die waanzinnige opnames maakt. Het Concertgebouworkest heeft een rijke opnamegeschiedenis van het klassieke repertoire met Nikolaus Harnoncourt. Ik ben daarnaast gek op het orkestrepertoire en de speeltraditie van het orkest als het gaat om Bruckner, Mahler en Strauss.
Maar eigenlijk houd ik van vrijwel alles tot aan Stravinsky. Daarna vind ik het soms ingewikkeld, al vind ik Thomas Adès een van de grootste componisten van deze tijd. Met hem werken is echt heel verrijkend.’
‘Ik studeer met Bachs orgelwerken’
Met de muziek van Bach kwam Léo al op jonge leeftijd in aanraking dankzij zijn vioolspelende vader. ‘Als je begint in de klassieke muziek, is dat het fundament.’ De vioolconcerten heeft hij op jonge leeftijd eindeloos op cd beluisterd. Ook tijdens zijn studie bleef Bach een rode draad. ‘Als ik op het conservatorium van Lyon om acht uur ’s ochtends begon, zette ik altijd Bachs orgelwerken op. De contrabas en het orgel zitten in hetzelfde register. In plaats van toonladders – waar ik een hekel aan had – speelde ik de baslijn mee. Met die orgelmuziek kun je alle mogelijke toonsoorten langs, dus het is perfect materiaal om te studeren en het nuttige met het aangename te verenigen.’
Vorig jaar had hij het geluk om mee te mogen spelen in de Matthäus-Passion, iets wat normaal alleen door de twee solocontrabassisten wordt gedaan. Een onvergetelijke ervaring.
Passe-temps
Naast de passie voor zijn orkestwerk heeft de bassist nog een andere liefde: die voor de wereld van instrumenten- en strijkstokkenbouwers. Deel uitmaken van de instrumentencommissie van het orkest, waar alle aanvragen en instrumentgerelateerde zaken worden besproken, was daarom een kolfje naar zijn hand. En over instrumenten- en strijkstokkenbouwers, Léo zou er uren over kunnen vertellen. ‘Een strijkinstrument leeft omdat het hout evolueert met de jaren. Ik heb een goeie band opgebouwd met de stokkenmakers in Parijs en Mirecourt, de wieg van de Franse stokkenmakers. Ik word daar af en toe gevraagd om instrumenten en stokken te bespelen en te beoordelen.
Later zou ik graag aan workshops deelnemen om bijvoorbeeld met de kromming te experimenteren die het hout ondergaat voor het een strijkstok kan worden. Dat soort zaken is van grote invloed op de klank. Uiteindelijk zou ik ooit zelf een stok willen maken.’
In zijn vrije tijd gaat Léo daarom regelmatig naar de openbare werkplaats in Amsterdam-Oost om hout te leren bewerken. Van een beddenframe en een aanrechtblad tot een standaard voor de contrabas. Het doel is om steeds gedetailleerdere dingen te maken. ‘Het is heerlijk om m’n hoofd leeg te maken en iets anders met m’n handen te doen dan muziek maken.’
De contrabas van Léo Genet
Bach en verder
Een favoriete componist heeft Léo niet echt, maar Johann Sebastian Bach noemt hij ‘god op aarde’. ‘Dit land is gezegend met de Nederlandse Bachvereniging, die waanzinnige opnames maakt. Het Concertgebouworkest heeft een rijke opnamegeschiedenis van het klassieke repertoire met Nikolaus Harnoncourt. Ik ben daarnaast gek op het orkestrepertoire en de speeltraditie van het orkest als het gaat om Bruckner, Mahler en Strauss.
Maar eigenlijk houd ik van vrijwel alles tot aan Stravinsky. Daarna vind ik het soms ingewikkeld, al vind ik Thomas Adès een van de grootste componisten van deze tijd. Met hem werken is echt heel verrijkend.’
‘Ik studeer met Bachs orgelwerken’
Met de muziek van Bach kwam Léo al op jonge leeftijd in aanraking dankzij zijn vioolspelende vader. ‘Als je begint in de klassieke muziek, is dat het fundament.’ De vioolconcerten heeft hij op jonge leeftijd eindeloos op cd beluisterd. Ook tijdens zijn studie bleef Bach een rode draad. ‘Als ik op het conservatorium van Lyon om acht uur ’s ochtends begon, zette ik altijd Bachs orgelwerken op. De contrabas en het orgel zitten in hetzelfde register. In plaats van toonladders – waar ik een hekel aan had – speelde ik de baslijn mee. Met die orgelmuziek kun je alle mogelijke toonsoorten langs, dus het is perfect materiaal om te studeren en het nuttige met het aangename te verenigen.’
Vorig jaar had hij het geluk om mee te mogen spelen in de Matthäus-Passion, iets wat normaal alleen door de twee solocontrabassisten wordt gedaan. Een onvergetelijke ervaring.
Passe-temps
Naast de passie voor zijn orkestwerk heeft de bassist nog een andere liefde: die voor de wereld van instrumenten- en strijkstokkenbouwers. Deel uitmaken van de instrumentencommissie van het orkest, waar alle aanvragen en instrumentgerelateerde zaken worden besproken, was daarom een kolfje naar zijn hand. En over instrumenten- en strijkstokkenbouwers, Léo zou er uren over kunnen vertellen. ‘Een strijkinstrument leeft omdat het hout evolueert met de jaren. Ik heb een goeie band opgebouwd met de stokkenmakers in Parijs en Mirecourt, de wieg van de Franse stokkenmakers. Ik word daar af en toe gevraagd om instrumenten en stokken te bespelen en te beoordelen.
Later zou ik graag aan workshops deelnemen om bijvoorbeeld met de kromming te experimenteren die het hout ondergaat voor het een strijkstok kan worden. Dat soort zaken is van grote invloed op de klank. Uiteindelijk zou ik ooit zelf een stok willen maken.’
In zijn vrije tijd gaat Léo daarom regelmatig naar de openbare werkplaats in Amsterdam-Oost om hout te leren bewerken. Van een beddenframe en een aanrechtblad tot een standaard voor de contrabas. Het doel is om steeds gedetailleerdere dingen te maken. ‘Het is heerlijk om m’n hoofd leeg te maken en iets anders met m’n handen te doen dan muziek maken.’
De contrabas van Léo Genet
Met zijn huidige instrument, aangekocht door de Foundation Concertgebouworkest, voelt Léo zich gezegend. ‘Het is of ik deze contrabas mijn hele leven gezocht heb. Hij past bijzonder goed bij mij; hij is iets massiever dan de meeste bassen, met vijf snaren. Ik kan een halve toon lager spelen dan mijn collega’s, die op viersnarige instrumenten met extensie spelen.
Dit instrument is een B.S. Fendt II, gemaakt in Groot-Brittannië in de jaren 1840 – hét gouden tijdperk van de contrabasbouwers daar. Het is een model van Giovanni Paolo Maggini, een kopie van een Gasparo da Salò, een van de grote meesters van de school van Brescia, die rond 1580 de basis heeft gelegd voor de contrabas zoals we die tegenwoordig kennen. De f-gaten en de dubbele inleg zijn heel bijzonder. Een paar maanden terug heb ik zelfs de kans gekregen om op een Da Salò te spelen, een matriarch – een van de eerste contrabassen ooit gemaakt.
Mijn favoriete strijkstok is speciaal voor mij gemaakt door Boris Fritsch, die onlangs de titel Meilleur Ouvrier de France heeft gekregen. De hoogste onderscheiding voor vakmanschap in Frankrijk.’
Benieuwd naar Leo's favoriete muziek? Beluister het hier.
Met zijn huidige instrument, aangekocht door de Foundation Concertgebouworkest, voelt Léo zich gezegend. ‘Het is of ik deze contrabas mijn hele leven gezocht heb. Hij past bijzonder goed bij mij; hij is iets massiever dan de meeste bassen, met vijf snaren. Ik kan een halve toon lager spelen dan mijn collega’s, die op viersnarige instrumenten met extensie spelen.
Dit instrument is een B.S. Fendt II, gemaakt in Groot-Brittannië in de jaren 1840 – hét gouden tijdperk van de contrabasbouwers daar. Het is een model van Giovanni Paolo Maggini, een kopie van een Gasparo da Salò, een van de grote meesters van de school van Brescia, die rond 1580 de basis heeft gelegd voor de contrabas zoals we die tegenwoordig kennen. De f-gaten en de dubbele inleg zijn heel bijzonder. Een paar maanden terug heb ik zelfs de kans gekregen om op een Da Salò te spelen, een matriarch – een van de eerste contrabassen ooit gemaakt.
Mijn favoriete strijkstok is speciaal voor mij gemaakt door Boris Fritsch, die onlangs de titel Meilleur Ouvrier de France heeft gekregen. De hoogste onderscheiding voor vakmanschap in Frankrijk.’
Benieuwd naar Leo's favoriete muziek? Beluister het hier.