Concertprogramma

Isabelle Faust & Friends: Schuberts Octet

Kleine Zaal, 10 oktober 2019

Print dit programma

Isabelle Faust viool
Anne Katharina Schreiber viool
Danusha Waskiewicz altviool
Kristin von der Goltz cello
James Munro contrabas
Lorenzo Coppola klarinet
Javier Zafra fagot
Teunis van der Zwart hoorn

Dit concert maakt deel uit van de series Spotlight en Strijkers met Variatie.

Met dank aan de begunstigers van het Fonds Topmusici in de Kleine Zaal.

Anton Webern (1883-1945)

Sechs Bagatellen, op. 9 (1913)
voor strijkkwartet
Mässig
Leicht bewegt
Ziemlich fliessend
Sehr langsam
Ausserst langsam
Fliessend

Franz Schubert (1797-1828)

Quartettsatz in c kl.t., D 703, op. posth. (1820)
Allegro assai

Anton Webern

Sechs Bagatellen, op. 9 (1913)
voor strijkkwartet

pauze ± 20.35 uur

Franz Schubert

Octet in F gr.t., D 803, op. 166 (1824)
voor strijkkwintet en blazers
Adagio – Allegro
Adagio
Allegro vivace
Thema: Andante – Variationen
I-VII
Menuetto: Allegretto
Andante molto – Allegro

einde ± 22.10 uur

Anton Webern 1883-1945

Webern op darmsnaren

door Noortje Zanen

Topvioliste Isabelle Faust is dit seizoen maar liefst drie keer te horen in de Kleine Zaal. Dat Faust graag nieuwe dingen uitprobeert blijkt uit de programmakeuzes die ze maakt. Vanavond klinkt een bijzondere mix van Schubert en Webern op authentieke instrumenten, in februari speelt ze een gewaagd solo­programma op twee verschillende violen en in mei combineert ze Beethoven met Webern en Schönberg samen met muzikale vrienden als Antoine Tamestit en Jean-Guihen Queyras.

Franz Schubert en Anton Webern samen op één programma en dan ook nog met historische instrumenten, dat hoor je niet vaak. ‘Ik vond het een zeer aantrekkelijk idee om het monumentale en tegelijkertijd zo intieme en verfijnde Octet van Schubert te confronteren met een van de kortste kamermuziek­werken ooit geschreven, de Sechs Bagatellen van Webern’, aldus Isabelle Faust.

‘Omdat het Octet ruim zestig minuten duurt is er daaraan voorafgaand slechts een korte introductie nodig. We combineren het ultrakorte werk van Webern met Schuberts Quartettsatz. Beide werken klinken zonder onderbreking na elkaar en bovendien spelen we na Schubert de Sechs Bagatellen nog een keer.

Het publiek krijgt zo een tweede kans om deze perfecte maar extreem korte en fragiele stukken tot zich door te laten dringen. Luisteraars vertellen na afloop vaak hoe anders ze Webern die tweede keer hebben ervaren.

We spelen vanavond allemaal op historische instrumenten met precies dezelfde ‘set-up’ als destijds. Voor de strijkers betekent dat onder andere dat we alles op darmsnaren spelen. Dat is voor muziek van Webern tegenwoordig vrij ongebruikelijk, maar in de tijd van Webern zelf speelden alle strijkers nog op darm!’

Start / pauzeer slideshow

Webern: Sechs Bagatellen

Anton Webern, een van de bekendste en meest vooruitstrevende leerlingen van Arnold Schönberg, componeerde zijn Sechs Bagatellen tussen 1911 en 1913. Het werk bestaat in totaal uit 57 maten die samen ongeveer vier minuten in beslag nemen.

Schönberg schreef in het voorwoord bij de eerste uitgave treffend: ‘Stelt u zich voor wat een soberheid het vergt om bondig te zijn. Van een blik kan men een gedicht maken, van een zucht een roman. Maar een roman uitdrukken met een enkel gebaar, geluk met een ademtocht, zo’n concentratie is pas mogelijk wanneer zelfmedelijden afwezig is.’

Ondanks de beknoptheid van alle zes delen is Webern erin geslaagd rijke klankkleuren tevoorschijn te toveren die elkaar razendsnel afwisselen, mede dankzij het veelvuldig gebruik van dempers, tremolo’s, pizzicato’s en flageoletten.

Franz Schubert 1797-1828

Schubert: Quartettsatz

Toen Franz Schubert in 1820 aan zijn Quartettsatz begon had hij al vier jaar geen strijkkwartet meer geschreven. Het was zijn eerste poging om een stuk voor deze bezetting te schrijven met het oog op professionele musici in plaats van de informele strijkkwartetavonden samen met zijn broers en zijn vader, die enthousiaste amateurs waren.

Schubert componeerde het eerste deel en de eerste 41 maten van een langzaam tweede deel, maar hij zou het werk nooit voltooien. Was hij onzeker over het resultaat?

Start / pauzeer slideshow

Helaas bestaat daar geen duidelijkheid over, maar het is wel bekend dat 1820 een moeilijk jaar was voor de componist. Hij was in een experimentele fase en zocht naar een nieuw idioom. Dat is goed hoorbaar in de originele, vitale muziek vol merkwaardige harmonieën.

Ook zijn privéleven verliep moeizaam: de zangeres Therese Grob, zijn grote jeugdliefde, ­trouwde met iemand anders. Dat verklaart wellicht de wanhopige, emotionele stemming van het stuk.

Ook al was het werk niet af, het was in ieder geval wel een geslaagd muzikaal experiment. Een goede oefening voor het ontwikkelen van een nieuw muzikaal idioom, verder uitgewerkt in alle werken voor strijkers die Schubert nog zou creëren.

Franz Schubert 1797-1828

Schubert: Octet

Schubert schreef het Octet in F groot voor de bijzondere bezetting van strijkkwartet, contrabas, klarinet, hoorn en fagot in opdracht van graaf Ferdinand von Troyer, die zelf klarinet speelde tijdens de eerste besloten uitvoering in de lente van 1824.

Op expliciet verzoek van de graaf liet Schubert zich voor deze compositie inspireren door het in die tijd uitermate populaire Septet in Es groot van Ludwig van Beethoven uit 1800. Aan Beethovens bezetting voegde Schubert alleen een extra viool toe, waardoor het werk vol zit met symfonische tutti-klanken.

‘Op deze manier hoop ik ik me optimaal voor te bereiden op het schrijven van een grote symfonie’, liet Schubert weten aan een vriend. Op enkele donkere passages na is het Octet opmerkelijk opgewekt vergeleken met veel andere late werken van Schubert, waarin melancholische melodieën overheersen.

Isabelle Faust, die het werk in 2018 ook heeft opgenomen op cd samen met haar partners van vanavond, omschrijft Schuberts werk als volgt: ‘Het is een spetterend vuurwerk van ideeën, emoties, timbres, delicate instrumentaties en symfonische weelde.

Schubert combineerde heel succesvol elementen van een onderhoudend divertimento, pure kamermuziek en orkestrale textuur zonder ook maar één noot te veel of te weinig te schrijven. En zonder ook maar één keer te vervallen in smakeloosheid, oppervlakkigheid of gekunsteldheid.’