Concertprogramma

Rising Stars: Arod Kwartet speelt Webern en Brahms

Kleine Zaal, 13 maart 2019

Print dit programma

Arod Kwartet:
Jordan Victoria viool
Alexandre Vu viool
Tanguy Parisot altviool
Samy Rachid cello

Dit concert maakt deel uit van de serie Rising Stars. 
Dit concert wordt georganiseerd in samenwerking met ECHO

 

 

Anton Webern (1883-1945)

Langsamer Satz (1905)

Béla Bartók (1881-1945)

Vijfde strijkkwartet in Bes gr.t. (1934)
Allegro
Adagio molto
Scherzo: Alla bulgarese
Andante
Finale: Allegro vivace – Presto

pauze ± 20.55 uur

Johannes Brahms (1833-1897)

Tweede strijkkwartet in a kl.t., op. 51 nr. 2 (1865-73)
Allegro non troppo
Andante moderato
Quasi minuetto, moderato – Allegretto vivace
Finale: Allegro non assai 

einde ± 22.00 uur

Anton Webern 1883-1945

Langsamer Satz

door Anneloes Brand

Ieder jaar nomineren vooraanstaande muziekpodia uit heel Europa jonge musici en ensembles voor hun gezamenlijke Rising Stars-serie. Gedurende een heel seizoen reizen deze veelbelovende talenten van stad naar stad.

Het Arod Kwartet werd voorgedragen door kunstencentrum Bozar in Brussel, dat het strijkkwartet volgde sinds de oprichting aan het Parijse conservatorium en de tijd nu rijp achtte voor een internationale lancering.

De jonge Franse strijkers presenteren zichzelf in een concertprogramma met een Hongaars tintje. Van Bartók klinkt het Vijfde strijkkwartet vol volksmuziekinvloeden uit zijn vaderland en omstreken. En ook Brahms liet zich door Hongaarse klanken inspireren in zijn contrastrijke Tweede strijkkwartet.

Webern: Langsamer Satz

Anton Webern schreef zijn intens emotionele Langsamer Satz in juni 1905, toen hij compositie studeerde bij Arnold Schönberg en beiden de tonaliteit nog niet de rug toe hadden gekeerd. Het is een van Weberns vroege werken dat tijdens zijn leven in een la verdween en pas na zijn dood werd herontdekt en in première gebracht – op 27 mei 1962 in Seattle door het University of Washington String Quartet.

Start / pauzeer slideshow

De jonge componist was klaarblijkelijk geïnspireerd door Schönbergs Verklärte Nacht voor strijksextet: ook een laatromantische compositie met de liefde als onderwerp. De muze voor Langsamer Satz was Weberns nicht Wilhelmine Mörtl, zijn toekomstige echtgenote. In mei 1905 gingen zij op wandelvakantie in de Oostenrijkse bergen en schreef de componist in zijn dagboek: ‘Oh, eeuwig wandelen tussen de bloemen, met mijn liefste naast me, jezelf zo een voelen met het universum, zonder zorgen, zo vrij als een vogel – wat geweldig... De lucht was verzadigd van onze liefde.’

Béla Bartók 1881-1945

Vijfde strijkkwartet

De Hongaarse componist Béla Bartók voltooide zes strijkkwartetten, waarvan het Vijfde strijkkwartet in Bes groot het meest virtuoze is. Het werk maakt niet alleen indruk door de muzikale kleuren aan de oppervlakte, maar ook door de knappe constructie.

Die kleuren zijn mede bepaald door Bartóks achtergrond: hij gebruikte volksmuziekachtige motieven, manieren en ritmes uit Hongaarse en andere Oost-Europese volksmuziek als bouwstenen om zijn eigen taal vorm te geven. Bovendien paste hij veel nieuwe en afwijkende speeltechnieken toe: sul ponticello (dicht bij de kam spelen), jeté (met de strijkstok op de snaren stuiteren), col legno (met de houten bovenkant van de strijkstok spelen), glissando (van de ene toon naar de andere glijden) en het zogenaamde ‘Bartókpizzicato’, waarbij de snaar hoorbaar terugklapt op de toets.

Start / pauzeer slideshow

Net als het Vierde strijkkwartet in C groot is het Vijfde strijkkwartet geconstrueerd in een boogvorm: het Scherzo is de kern van het werk en de andere delen zitten er als schillen omheen. Het vijfde deel is een vrije variant van het eerste deel en het tweede en het vierde deel hebben vergelijkbaar thematisch materiaal.

Maar ook de delen zelf zette Bartók symmetrisch op. De drie thematische ideeën van het eerste deel komen na de doorwerking in omgekeerde volgorde (en op zijn kop) terug. Het tweede deel – een mooi voorbeeld van Bartóks ‘nachtmuziek’, waarin trillers en pizzicato’s de geluiden van onzichtbare vogels en vreemde insecten oproepen – heeft eveneens een boogvorm.

Het Scherzo is met zijn gebruikelijke afwijkende triogedeelte vanzelf al symmetrisch, maar Bartók trok het idee nog verder door in de op- en neergaande melodische motieven. Gezien de titel haalde de componist zijn inspiratie uit Bulgarije: het Scherzo is dan ook een rustieke volksdans met hinkende ritmes.

Johannes Brahms 1833-1897

Tweede strijkkwartet

Johannes Brahms vertrouwde zijn eerste twee strijkkwartetten pas na jaren sleutelen aan het publiek toe. Het is bekend dat hij in 1865 aan het Eerste strijkkwartet in c klein begon, maar minder duidelijk is wanneer de eerste schetsen voor het Tweede strijkkwartet in a klein werden gemaakt en hoe het compositieproces van beide werken tot 1873 verder verliep. De twee zijn verschillend als dag en nacht.

Het Eerste strijkkwartet is ritmisch compact, trefzeker en, in de hoekdelen, zeer gedreven. Het Tweede strijkkwartet daarentegen is lyrisch van aard (maar niet minder dramatisch). Brahms droeg opus 51 op aan de bevriende Weense chirurg en amateur­violist en pianist Theodor Billroth.

Start / pauzeer slideshow

Het lijkt er echter sterk op dat het Tweede strijkkwartet oorspronkelijk was bedoeld voor Brahms’ goede vriend, de vooraanstaande Hongaarse violist Joseph Joachim: het openingsmotief van het werk (a-f-a-e) is gebaseerd op Joachims motto ‘Frei aber einsam’ (f-a-e). Deze opeenvolging van noten verschijnt op strategische momenten in het hele kwartet, soms in omgekeerde volgorde, in contrapuntische imitatie (het samenspel van verschillende melodische lijnen) of zelfs in de baslijn.

Bovendien lijkt de gepeperde Finale, gebaseerd op de Hongaarse volksdans czárdás, een eerbetoon aan Joachims Hongaarse afkomst. Een ruzie tussen de heren ten tijde van de voltooiing van het kwartet lijkt de reden dat Brahms zijn strijkkwartetten toch maar niet aan zijn vriend opdroeg.