Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier
interview

Pianist Alexandre Kantorow: ‘Ik zou mezelf ooit wel in Amsterdam zien wonen’

door Catherine Nieuwesteeg
19 jan. 2022 19 januari 2022

Van Cliburn, Boris Berezovski, Daniil Trifonov… sinds 2019 hoort ook Alexandre Kantorow in dit rijtje thuis. Als winnaar van de laatste editie van het prestigieuze Tsjaikovski Concours in Moskou staat de pas 24-jarige Fransman aan het begin van een glanzende pianistencarrière. Hij breekt een lans voor Camille Saint-Saëns.

  • Alexandre Kantorow

    foto: Sasha Gusov

    Alexandre Kantorow

    foto: Sasha Gusov

  • Alexandre Kantorow

    foto: Sasha Gusov

    Alexandre Kantorow

    foto: Sasha Gusov

Het is 12 oktober 2021. Alexandre Kantorow heeft net zijn eerste repetitie met het Concertgebouworkest achter de rug als ik hem ontmoet in de antichambre. Hij debuteert bij het orkest in het duistere en voor een pianist uitputtende Tweede pianoconcert van Sergej Prokofjev.

Kantorow is geen onbekende naam in de muziekwereld: als zoon van de beroemde violist en dirigent Jean-Jacques Kantorow leek Alexandre voorbestemd voor een grote carrière in de muziek, maar dat lag toch niet zo voor de hand. Zijn ouders, beiden violist, wilden hem bewust niet die richting op duwen, maar thuis hoorde Alexandre hen natuurlijk studeren. ‘Ik kende op een gegeven moment alle vioolconcerten. De Finale uit het Vioolconcert van Beethoven bijvoorbeeld, daarop danste ik door de woonkamer toen ik klein was.’ Zijn eerste herinnering aan de piano zijn de stukken die zijn vader voor kinderhandjes had getranscribeerd. ‘De Hongaarse rapsodie van Franz Liszt bijvoorbeeld, die in Tom and Jerry zit.’

Op zijn middelbare school, het Lycée Jean Racine in Parijs, werd veel tijd gemaakt voor musiceren. ‘Met het schoolorkest speelde ik mijn eerste concerten. De podiumervaring, de adrenaline die daarbij hoorde, daar heb ik erg van genoten en het heeft me doen realiseren dat ik een leven als musicus wel voor me zag. En dat terwijl ik eerder eigenlijk de wetenschap in wilde. Ik was goed in wiskunde en verzot op astrofysica.’ Na de middelbare school ging Alexandre naar het Conservatorium van Parijs. Zijn docent was Frank Braley, ‘die de pianistische dimensie ontsteeg: voor mij op dat moment de juiste persoon om me los te maken van het instrument en me een wat breder muzikaal blikveld te geven.’

De weg naar de wedstrijd

Nog tijdens zijn studie komen de eerste belangrijke concerten, zijn naam helpt daarin wel mee. Ook een agent en een cd-label krijgt hij zonder veel moeite aan zich gebonden. Zijn carrière als pianist loopt feitelijk al. Toch speelt ergens in zijn hoofd de gedachte om mee te doen aan de International Tsjai­kovsky Competition, die maar eens in de vier jaar wordt gehouden. ‘Het zaadje is denk ik geplant toen een goede vriend van mij, Lucas Debargue, meedeed. Bovendien zijn de pianisten die ik het meest bewonder allemaal laureaten van dit concours, en de zaal van het conservatorium van Moskou is mythisch – Rachmaninoff en Tsjai­kovski hebben er legendarische concerten gegeven.’ Om zich voor te bereiden vroeg hij de gerenommeerde Russische pianopedagoge Rena Shereshevskaya (ook docente van Debargue) hem te coachen. Twee jaar vóór het concours begon het tijdrovende proces van keuzes maken voor het programma: ‘Dan vroeg ze me een bepaald stuk te studeren en als ik het twee weken later voorspeelde, veranderde ze weer van mening.’ Alexandre zag het concours als een aanleiding om zijn grenzen te verleggen. ‘Als je zoveel tijd in het studeren van een paar werken steekt, word je je ook bewuster van hoever je kunt gaan in een stuk, iets dat je voor een concert niet kunt doen.’

‘Ik heb de top niet bereikt. Ik heb slechts de eerste berg beklommen en nu zie ik een enorme bergketen om me heen’

Het concours zelf en alles wat volgde na het winnen ervan was een vrij intense ervaring. Het besef van zijn prestatie kwam pas later, en dat was maar goed ook, ‘want het is nogal wat om de erfenis van de eerdere laureaten op je schouders te voelen. Ik heb de top niet bereikt. Ik heb slechts de eerste berg beklommen en nu zie ik een enorme bergketen om me heen. Ik voel de druk om de geschiedenis van het concours uit te dragen. Pletnev, Berezovski, Cliburn maar ook Trifonov, allemaal namen die onlosmakelijk zijn verbonden met de piano. Het concours heeft gezorgd voor erkenning van deze namen, nu moet ik mijzelf ook bewijzen’.

Ontspannen

Met Nederland heeft Alexandre al een mooie band. Uit zijn kindertijd herinnert hij zich het appartement van zijn vader in Rotterdam (waar hij toen lesgaf) en de kleurrijke tulpenvelden van de Keukenhof die hij op schoolreis bezocht. Hij soleerde bij het Nederlands Kamerorkest, waarvan zijn vader voorheen concertmeester en dirigent was. ‘Nederland is bijzonder, omdat het een van de legen­darische landen is in de muziekwereld. Het Concertgebouworkest hoort bij de beste orkesten van de wereld en de Grote Zaal van Het Concertgebouw heeft een van de mooiste akoestieken. Je voelt dat hier nog iets naklinkt. De geesten uit het verleden zijn hier blijven hangen. En tegelijk is het misschien wel de enige plek met zo’n belangrijke muzikale erfenis, waar toch ruimte is voor een ontspannen mentaliteit. In Wenen of Berlijn ervaar je het gewicht van de muzikale erfenis als allesoverheersend. Amsterdam is in vergelijking heel jong, vrij en ongecompliceerd. Dat spreekt me wel aan. Ik zou mezelf hier ooit wel zien wonen.’

Het is 12 oktober 2021. Alexandre Kantorow heeft net zijn eerste repetitie met het Concertgebouworkest achter de rug als ik hem ontmoet in de antichambre. Hij debuteert bij het orkest in het duistere en voor een pianist uitputtende Tweede pianoconcert van Sergej Prokofjev.

Kantorow is geen onbekende naam in de muziekwereld: als zoon van de beroemde violist en dirigent Jean-Jacques Kantorow leek Alexandre voorbestemd voor een grote carrière in de muziek, maar dat lag toch niet zo voor de hand. Zijn ouders, beiden violist, wilden hem bewust niet die richting op duwen, maar thuis hoorde Alexandre hen natuurlijk studeren. ‘Ik kende op een gegeven moment alle vioolconcerten. De Finale uit het Vioolconcert van Beethoven bijvoorbeeld, daarop danste ik door de woonkamer toen ik klein was.’ Zijn eerste herinnering aan de piano zijn de stukken die zijn vader voor kinderhandjes had getranscribeerd. ‘De Hongaarse rapsodie van Franz Liszt bijvoorbeeld, die in Tom and Jerry zit.’

Op zijn middelbare school, het Lycée Jean Racine in Parijs, werd veel tijd gemaakt voor musiceren. ‘Met het schoolorkest speelde ik mijn eerste concerten. De podiumervaring, de adrenaline die daarbij hoorde, daar heb ik erg van genoten en het heeft me doen realiseren dat ik een leven als musicus wel voor me zag. En dat terwijl ik eerder eigenlijk de wetenschap in wilde. Ik was goed in wiskunde en verzot op astrofysica.’ Na de middelbare school ging Alexandre naar het Conservatorium van Parijs. Zijn docent was Frank Braley, ‘die de pianistische dimensie ontsteeg: voor mij op dat moment de juiste persoon om me los te maken van het instrument en me een wat breder muzikaal blikveld te geven.’

De weg naar de wedstrijd

Nog tijdens zijn studie komen de eerste belangrijke concerten, zijn naam helpt daarin wel mee. Ook een agent en een cd-label krijgt hij zonder veel moeite aan zich gebonden. Zijn carrière als pianist loopt feitelijk al. Toch speelt ergens in zijn hoofd de gedachte om mee te doen aan de International Tsjai­kovsky Competition, die maar eens in de vier jaar wordt gehouden. ‘Het zaadje is denk ik geplant toen een goede vriend van mij, Lucas Debargue, meedeed. Bovendien zijn de pianisten die ik het meest bewonder allemaal laureaten van dit concours, en de zaal van het conservatorium van Moskou is mythisch – Rachmaninoff en Tsjai­kovski hebben er legendarische concerten gegeven.’ Om zich voor te bereiden vroeg hij de gerenommeerde Russische pianopedagoge Rena Shereshevskaya (ook docente van Debargue) hem te coachen. Twee jaar vóór het concours begon het tijdrovende proces van keuzes maken voor het programma: ‘Dan vroeg ze me een bepaald stuk te studeren en als ik het twee weken later voorspeelde, veranderde ze weer van mening.’ Alexandre zag het concours als een aanleiding om zijn grenzen te verleggen. ‘Als je zoveel tijd in het studeren van een paar werken steekt, word je je ook bewuster van hoever je kunt gaan in een stuk, iets dat je voor een concert niet kunt doen.’

‘Ik heb de top niet bereikt. Ik heb slechts de eerste berg beklommen en nu zie ik een enorme bergketen om me heen’

Het concours zelf en alles wat volgde na het winnen ervan was een vrij intense ervaring. Het besef van zijn prestatie kwam pas later, en dat was maar goed ook, ‘want het is nogal wat om de erfenis van de eerdere laureaten op je schouders te voelen. Ik heb de top niet bereikt. Ik heb slechts de eerste berg beklommen en nu zie ik een enorme bergketen om me heen. Ik voel de druk om de geschiedenis van het concours uit te dragen. Pletnev, Berezovski, Cliburn maar ook Trifonov, allemaal namen die onlosmakelijk zijn verbonden met de piano. Het concours heeft gezorgd voor erkenning van deze namen, nu moet ik mijzelf ook bewijzen’.

Ontspannen

Met Nederland heeft Alexandre al een mooie band. Uit zijn kindertijd herinnert hij zich het appartement van zijn vader in Rotterdam (waar hij toen lesgaf) en de kleurrijke tulpenvelden van de Keukenhof die hij op schoolreis bezocht. Hij soleerde bij het Nederlands Kamerorkest, waarvan zijn vader voorheen concertmeester en dirigent was. ‘Nederland is bijzonder, omdat het een van de legen­darische landen is in de muziekwereld. Het Concertgebouworkest hoort bij de beste orkesten van de wereld en de Grote Zaal van Het Concertgebouw heeft een van de mooiste akoestieken. Je voelt dat hier nog iets naklinkt. De geesten uit het verleden zijn hier blijven hangen. En tegelijk is het misschien wel de enige plek met zo’n belangrijke muzikale erfenis, waar toch ruimte is voor een ontspannen mentaliteit. In Wenen of Berlijn ervaar je het gewicht van de muzikale erfenis als allesoverheersend. Amsterdam is in vergelijking heel jong, vrij en ongecompliceerd. Dat spreekt me wel aan. Ik zou mezelf hier ooit wel zien wonen.’

  • Alexandre Kantorow

    foto: Sasha Gusov

    Alexandre Kantorow

    foto: Sasha Gusov

  • Alexandre Kantorow

    foto: Sasha Gusov

    Alexandre Kantorow

    foto: Sasha Gusov

Wat is zijn indruk van het Concertgebouw­orkest na zijn eerste repetitie? ‘Je voelt een grote muzikale bagage, echte reflexen tussen de verschillende secties, die ieder hun eigen geluid hebben. Wat me tot nu toe het meest is opgevallen is de aandacht voor het timbre. Het feit dat de musici als één geheel kunnen spelen, maar ook verschillende lagen kunnen creëren – ze weten welk instrument er op een bepaald moment doorheen moet klinken bijvoorbeeld. In het Tweede pianoconcert van Prokofjev dat we repeteren moet je buitenmenselijke klanken zoeken, klanken uit de hel. Daarom is het fantastisch om met een orkest te spelen dat de middelen heeft om hierin zo ver te gaan.’

‘Je kunt ook het comfort vermijden, zo ontstaan verrassingen’

Prettig oncomfortabel

Hoe is het om met een andere dirigent te werken dan je vader? ‘Als ik met mijn vader speel, hoeven we bijna niets te zeggen. Ik ben erg beïnvloed door wat hij muzikaal waardeert, dus we hoeven over weinig dingen na te denken, het gaat vanzelf. Met een andere dirigent kunnen er juist weer dingen ontstaan uit het verschil in visie. Je kunt ook het comfort vermijden, zo ontstaan verrassingen. Het uitgangspunt van de concertpianist is eigenlijk sowieso oncomfortabel: we spelen nooit op hetzelfde instrument, waardoor we eraan gewend zijn om constant onze manier van spelen aan te passen. Een ontmoeting met een nieuwe dirigent is idealiter altijd een leermoment voor beiden: het is belangrijk om je ideeën te uiten maar ook om ze bij te kunnen stellen. Het is een spel om elkaar vervolgens ergens in het midden te vinden. Vanmorgen bijvoorbeeld nam ik in een bepaalde passage veel tijd terwijl dirigent Tugan Sokhiev opmerkte dat het om een overgang ging, waar ik eigenlijk door moest spelen. Dat bleek veel natuurlijker. Het is prettig om door iemand met een externe blik op dit soort dingen geattendeerd te worden. Van mijn kant probeer ik ook dingen aan te dragen die ik belangrijk vind. Ik houd erg van dit soort momenten en bovendien gaan we tijdens het concert verder in dit proces. Het is nog beter om een programma meerdere avonden te spelen, dan merk je wat er wel of niet werkt. Dat oncomfortabele is dus eigenlijk heel vruchtbaar.’

Saint-Saëns’ creativiteit

Kantorow heeft net de eerste twee piano­concerten van Camille Saint-­Saëns opgenomen. Het Derde, Vierde en Vijfde pianoconcert had hij al eerder op de plaat gezet met Tapiola Sinfonietta onder leiding van zijn vader, een cd die bekroond werd met een Diapason d’Or en een Victoire de la musique. Waarom zo’n fascinatie voor deze componist? ‘Wat interessant is aan Saint-Saëns is zijn creativiteit. Hij heeft vijf pianoconcerten geschreven en is misschien wel de enige componist die voor elk concert compleet van optiek verandert. Meestal zie je een evolutie en breekpunten, maar heb je toch een samenhangend oeuvre. Bij Saint-Saëns krijg je vooral het idee dat hij bij ieder werk radicaal van stijl verandert. Het Eerste pianoconcert is echt een jeugdwerk: fris en romantisch, in één adem en erg beeldend. Het Tweede begint met een passage die eigenlijk voor orgel geschreven is, vervolgens komen er een paar Schumann-achtige momenten. Het tweede deel is dan weer ontzettend licht en grappig, bijna Hollywood. De Finale is een knotsgekke tarantella met passages die aan Berlioz en Verdi doen denken. Het Derde pianoconcert begint met het thema van de Negende symfonie van Schubert en daarna volgt plotseling Frans cabaret! Saint-Saëns heeft constant ideeën over verschillende vormen en structuren en gaat steeds verder in de orkestratie om nieuwe klanken te vinden. In het Vijfde ‘Egyptische’ pianoconcert zit het meest flagrante voorbeeld hiervan: met een klassiek orkest probeert hij de traditionele instrumenten en muziekstijlen van verschillende ­culturen na te bootsen. Daar zitten echt vondsten tussen die nooit eerder op piano waren gedaan. Er zit een orgel­register bij met een thema op de hoogste noten van de piano, waardoor het bijna lijkt alsof je een prepared piano hoort [een piano met objecten tussen de snaren om nieuwe klankeffecten te bereiken, red.], zulke vreemde klanken levert dat op. We komen een boeddhistisch gebed tegen, een Chinese passage. Maurice Ravel keek bijvoorbeeld ook veel naar de orkestraties van Saint-Saëns, hij had zijn hele oeuvre thuis staan.’

Kantorow wil graag een lans breken voor Saint-Saëns, die afgelopen december honderd jaar geleden stierf. ‘Je merkt dat hij niet de aandacht heeft gekregen die hij verdient, ook in Frankrijk niet. Het Eerste en het Derde pianoconcert hoor je eigenlijk nooit, daarom was ik blij om het Derde hier een paar jaar geleden te spelen met het Nederlands Kamerorkest. Mensen houden van deze muziek omdat ze direct is, ze zet niet aan tot filosofische levensbeschouwingen zoals bij Bruckner, maar ze is efficiënt en weet de mensen te raken.’

Alexandre Kantorow
Naar het Amsterdamse ­recitaldebuut van Alexan­dre Kantorow werd reikhalzend uitgekeken: op 28 mei 2020 zou hij Brahms, Bartók en Liszt spelen in de serie Grote Pianisten in de Kleine Zaal. Vóór zijn zege op het Tsjaikovski Concours 2019 had hij in de Grote Zaal twee avonden – in oktober 2018 – gesoleerd bij het Nederlands Kamerorkest; maar nu zou hij alléén van zich laten horen. De pandemie verhinderde deze primeur, en er werd voor begin 2021 enthousiast een nieuwe afspraak in de agenda gezet. Wie had destijds voorzien dat de beperkingen van het concertleven zo lang zouden voortduren!

Wat Alexandre Kantorow overkwam, overkomt nog steeds ontelbare musici: uitstel en annuleringen zijn aan de orde van de dag. Voor Het Concertgebouw was dat vorig jaar de aanleiding om De week van de jonge musicus te organiseren. Van 22 t/m 28 februari 2021 kwam er iedere avond een nieuw optreden online, bedoeld als stimulans in een tijd waarin veel musici die juist op het punt van doorbreken staan belangrijke kansen missen.

Alexandre Kantorow beet het spits af met een uitvoering van de Ballade in d klein, op. 10 nr. 1 van Brahms en de finale van De vuurvogel van Stravinsky. Na zijn concerten met het Concertgebouworkest op 13 en 14 oktober jl. verraste Kantorow het publiek met hetzelfde stuk van Stravinsky als toegift.


Wat is zijn indruk van het Concertgebouw­orkest na zijn eerste repetitie? ‘Je voelt een grote muzikale bagage, echte reflexen tussen de verschillende secties, die ieder hun eigen geluid hebben. Wat me tot nu toe het meest is opgevallen is de aandacht voor het timbre. Het feit dat de musici als één geheel kunnen spelen, maar ook verschillende lagen kunnen creëren – ze weten welk instrument er op een bepaald moment doorheen moet klinken bijvoorbeeld. In het Tweede pianoconcert van Prokofjev dat we repeteren moet je buitenmenselijke klanken zoeken, klanken uit de hel. Daarom is het fantastisch om met een orkest te spelen dat de middelen heeft om hierin zo ver te gaan.’

‘Je kunt ook het comfort vermijden, zo ontstaan verrassingen’

Prettig oncomfortabel

Hoe is het om met een andere dirigent te werken dan je vader? ‘Als ik met mijn vader speel, hoeven we bijna niets te zeggen. Ik ben erg beïnvloed door wat hij muzikaal waardeert, dus we hoeven over weinig dingen na te denken, het gaat vanzelf. Met een andere dirigent kunnen er juist weer dingen ontstaan uit het verschil in visie. Je kunt ook het comfort vermijden, zo ontstaan verrassingen. Het uitgangspunt van de concertpianist is eigenlijk sowieso oncomfortabel: we spelen nooit op hetzelfde instrument, waardoor we eraan gewend zijn om constant onze manier van spelen aan te passen. Een ontmoeting met een nieuwe dirigent is idealiter altijd een leermoment voor beiden: het is belangrijk om je ideeën te uiten maar ook om ze bij te kunnen stellen. Het is een spel om elkaar vervolgens ergens in het midden te vinden. Vanmorgen bijvoorbeeld nam ik in een bepaalde passage veel tijd terwijl dirigent Tugan Sokhiev opmerkte dat het om een overgang ging, waar ik eigenlijk door moest spelen. Dat bleek veel natuurlijker. Het is prettig om door iemand met een externe blik op dit soort dingen geattendeerd te worden. Van mijn kant probeer ik ook dingen aan te dragen die ik belangrijk vind. Ik houd erg van dit soort momenten en bovendien gaan we tijdens het concert verder in dit proces. Het is nog beter om een programma meerdere avonden te spelen, dan merk je wat er wel of niet werkt. Dat oncomfortabele is dus eigenlijk heel vruchtbaar.’

Saint-Saëns’ creativiteit

Kantorow heeft net de eerste twee piano­concerten van Camille Saint-­Saëns opgenomen. Het Derde, Vierde en Vijfde pianoconcert had hij al eerder op de plaat gezet met Tapiola Sinfonietta onder leiding van zijn vader, een cd die bekroond werd met een Diapason d’Or en een Victoire de la musique. Waarom zo’n fascinatie voor deze componist? ‘Wat interessant is aan Saint-Saëns is zijn creativiteit. Hij heeft vijf pianoconcerten geschreven en is misschien wel de enige componist die voor elk concert compleet van optiek verandert. Meestal zie je een evolutie en breekpunten, maar heb je toch een samenhangend oeuvre. Bij Saint-Saëns krijg je vooral het idee dat hij bij ieder werk radicaal van stijl verandert. Het Eerste pianoconcert is echt een jeugdwerk: fris en romantisch, in één adem en erg beeldend. Het Tweede begint met een passage die eigenlijk voor orgel geschreven is, vervolgens komen er een paar Schumann-achtige momenten. Het tweede deel is dan weer ontzettend licht en grappig, bijna Hollywood. De Finale is een knotsgekke tarantella met passages die aan Berlioz en Verdi doen denken. Het Derde pianoconcert begint met het thema van de Negende symfonie van Schubert en daarna volgt plotseling Frans cabaret! Saint-Saëns heeft constant ideeën over verschillende vormen en structuren en gaat steeds verder in de orkestratie om nieuwe klanken te vinden. In het Vijfde ‘Egyptische’ pianoconcert zit het meest flagrante voorbeeld hiervan: met een klassiek orkest probeert hij de traditionele instrumenten en muziekstijlen van verschillende ­culturen na te bootsen. Daar zitten echt vondsten tussen die nooit eerder op piano waren gedaan. Er zit een orgel­register bij met een thema op de hoogste noten van de piano, waardoor het bijna lijkt alsof je een prepared piano hoort [een piano met objecten tussen de snaren om nieuwe klankeffecten te bereiken, red.], zulke vreemde klanken levert dat op. We komen een boeddhistisch gebed tegen, een Chinese passage. Maurice Ravel keek bijvoorbeeld ook veel naar de orkestraties van Saint-Saëns, hij had zijn hele oeuvre thuis staan.’

Kantorow wil graag een lans breken voor Saint-Saëns, die afgelopen december honderd jaar geleden stierf. ‘Je merkt dat hij niet de aandacht heeft gekregen die hij verdient, ook in Frankrijk niet. Het Eerste en het Derde pianoconcert hoor je eigenlijk nooit, daarom was ik blij om het Derde hier een paar jaar geleden te spelen met het Nederlands Kamerorkest. Mensen houden van deze muziek omdat ze direct is, ze zet niet aan tot filosofische levensbeschouwingen zoals bij Bruckner, maar ze is efficiënt en weet de mensen te raken.’

Alexandre Kantorow
Naar het Amsterdamse ­recitaldebuut van Alexan­dre Kantorow werd reikhalzend uitgekeken: op 28 mei 2020 zou hij Brahms, Bartók en Liszt spelen in de serie Grote Pianisten in de Kleine Zaal. Vóór zijn zege op het Tsjaikovski Concours 2019 had hij in de Grote Zaal twee avonden – in oktober 2018 – gesoleerd bij het Nederlands Kamerorkest; maar nu zou hij alléén van zich laten horen. De pandemie verhinderde deze primeur, en er werd voor begin 2021 enthousiast een nieuwe afspraak in de agenda gezet. Wie had destijds voorzien dat de beperkingen van het concertleven zo lang zouden voortduren!

Wat Alexandre Kantorow overkwam, overkomt nog steeds ontelbare musici: uitstel en annuleringen zijn aan de orde van de dag. Voor Het Concertgebouw was dat vorig jaar de aanleiding om De week van de jonge musicus te organiseren. Van 22 t/m 28 februari 2021 kwam er iedere avond een nieuw optreden online, bedoeld als stimulans in een tijd waarin veel musici die juist op het punt van doorbreken staan belangrijke kansen missen.

Alexandre Kantorow beet het spits af met een uitvoering van de Ballade in d klein, op. 10 nr. 1 van Brahms en de finale van De vuurvogel van Stravinsky. Na zijn concerten met het Concertgebouworkest op 13 en 14 oktober jl. verraste Kantorow het publiek met hetzelfde stuk van Stravinsky als toegift.


Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.