Wat is de Klassieke periode?

Klassieke periode

De Klassieke periode is een stijlperiode van ca. 1750 tot 1820, waarin muziek 'begrijpelijker' werd en meer contrast kreeg. 'Klassieke' componisten zijn Haydn en Mozart.

Hoe klinkt muziek uit de Klassieke periode?

De Klassieke periode volgde uit de Barok en ging over in de Romantiek. Na de dichte, meerstemmige klankweefsels uit de Barok is muziek uit de Klassieke periode opvallend helder en 'open': je hoort meestal één duidelijke melodielijn met akkoordbegeleiding.

Het karakter is vaak lichter dan de veelal serieuze (religieuze, statige) toon van barokmuziek: de symfonieën van Joseph Haydn en Wolfgang Amadeus Mozart neigen vaak naar dans- of volksmuziek.

Fortepianist Kristian Bezuidenhout speelt een Rondo uit Mozarts Pianosonate in C groot, KV545.

Belangrijk werden ook stemmingswisselingen binnen één werk: na een beginthema zorgt een tweede thema voor contrast in sfeer en toonsoort. Er ontstond ook een grotere rol voor dynamiek; de uitvinding van de fortepiano maakte een groter verschil tussen hard en zacht mogelijk. Op de contrasten in sfeer en toonsoort is ook de klassieke sonatevorm gebaseerd.

De componisten Ludwig van Beethoven en Franz Schubert belichamen een overgang tussen de Klassieke periode en de Romantiek.

Waarom ontstond de Klassieke periode?

Net als andere kunsten en architectuur veranderde muziek in de achttiende eeuw sterk door maatschappelijke ontwikkelingen. Adel was nog altijd de belangrijkste aanjager van muziek, maar de betrokkenheid van 'het volk' groeide.

Er ontstond behoefte aan toegankelijke muziek met herkenbare emoties, maar wel ingeperkt door regels: de Verlichting propageerde het gebruik van het verstand.

Kunst en architectuur spiegelden zich aan de klassieke oudheid (vandaar de ook wel gebruikte term 'Classicisme'), maar die Grieks-Romeinse voorbeelden speelden bij muziek uit de klassieke periode nauwelijks een rol.