Wat is een viool?

viool

De viool is een instrument met een klankkast en vier snaren die met een strijkstok in trilling worden gebracht.

Wat zijn de eigenschappen van de viool?

Een viool bestaat uit:

  • een klankkast met twee f-vormige klankgaten
  • een hals, eindigend in een krul met stemschroeven
  • vier snaren, gespannen over een zogeheten kam
  • een kinstuk, waarmee de violist het instrument tussen zijn kin en schouder klemt

De vier snaren van de viool zijn in kwinten gestemd – verwijzend naar het interval tussen de snaren g-d’-a’ en e’’. Ze worden door middel van een strijkstok in trilling gebracht of met de vingers getokkeld (zie ook pizzicato). Door een snaar met de vingers van de linkerhand af te klemmen, wordt deze korter en klinkt er een hogere toon.

Wat is de geschiedenis van de viool?

De viool kreeg zijn hedendaagse vorm halverwege de zestiende eeuw in Italië. Voorlopers van de viool zijn de vedel, de rebec en de lira da braccio. Belangrijke vioolbouwers waren Andrea Amati (ca.1505-1577), Andrea Guarneri (1626-1698) en Antonio Stradivari (1644-1737). Ook de vorm van de twee klankgaten stamt uit die tijd.

Start / pauzeer slideshow

Welke plaats heeft de viool in het orkest?

In het orkest is de viool het hoogste instrument van de strijkersfamilie (altviolen, celli en contrabassen). De violisten van het orkest zijn onderverdeeld in eerste en tweede violen – iedere groep heeft zijn eigen partij.

Wanneer de violisten in meer dan twee groepen worden onderverdeeld spreekt men van gediviseerde violen. Een bekend voorbeeld is het voorspel van Lohengrin van Richard Wagner, waar de violen in acht partijen zijn opgesplitst.

Het vrijwel onuitputtelijke repertoire voor de viool omvat orkestwerken, concerten en kamermuziek. Bekende werken voor viool solo (zonder begeleiding) zijn de Sonata's en Partita's (BWV 1001-1006) van Johann Sebastian Bach en de 24 Capricci, op. 1 van Niccolò Paganini.

De Tweede partita voor viool solo van Johann Sebastian Bach