Wat is basso continuo?

basso continuo

De basso continuo is een begeleidende baspartij, aangevuld met akkoorden, die in veel barokmuziek voorkomt.

Hoe klinkt basso continuo?

In muziek van tussen 1600 en 1750 vind je vaak een basso continuo. Deze vormt net als andere baspartijen het harmonisch fundament van de muziek. In basso continuo werd de bezetting meestal niet vastgelegd: de componist verwachtte dat de uitvoerenden zouden bepalen welke instrumenten ingezet zouden worden. Gewoonlijk waren dat bas­instrumenten zoals de fagot, cello en viola da gamba. Ook akkoord­instrumenten, zoals klavecimbel, orgel, theorbe en, vanaf 1700, ook forte­piano, speelden mee. Alle instrumenten speelden de baslijn, de akkoordinstrumenten speelden daarboven nog akkoorden. Deze instrumenten noemen we ook wel de continuogroep.

Sí dolce è'l tormento (1624) van Claudio Monteverdi. De continuo-partij wordt gespeeld door cello en teorbe.

Hoe speel je basso continuo?

Een continuopartij ziet eruit als een notenbalk met een baspartij, waaronder cijfers genoteerd zijn: een ‘becijferde bas’. De cijfers geven aan hoe er een akkoord op de genoteerde basnoot moet worden gestapeld. (De cijfers staan voor de interval­len tussen de akkoordnoten.) De spelers van de akkoord­instrumenten kunnen zo de tussenstemmen improviseren, die passen bij de compositie. Zo’n notatie scheelde tijd en bovendien papier en inkt: in deze tijd dure middelen.

Becijferde bas in Pachelbels Ca­non in D

Becijferde bas in Johann Pachelbels Canon in D

Hoe ontstond basso continuo?

In de Renaissance schreven componisten zoals Giovanni Pierluigi da Palestrina stukken volgens de regels van het contrapunt. In dit systeem waren de hoogste stem, de middenstemmen en de laagste stem allemaal even belangrijk. Bij het luisteren naar deze muziek trekt steeds een andere stem de aandacht.

Bij het aanbreken van de Barok rond 1600 kwam de nadruk te liggen op solostemmen, begeleid door een of meerdere instrumenten die de melodie harmonisch ondersteunden. Als je deze muziek beluistert hoor je eigenlijk vooral de melodie en de baslijn. De tussenpartijen, die daarvoor gelijkwaardig waren geweest, zijn nu vooral harmonische opvulling. Componisten namen dan ook niet meer de moeite om deze helemaal uit te schrijven. In plaats daarvan gingen ze gebruik maken van de ' becijferde bas', waarbij cijfers onder de baspartij de tussenstemmen aanduiden.

In Che si può fare (1664) van Barbara Strozzi spelen cello, klavecimbel en contrabas de steeds herhalende continuo-partij.

Hoe liep het af met basso continuo?

De basso continuo werd rond 1800 bijna volledig vervangen door aparte, uitgeschreven partijen voor de verschillende instrumenten. De contrabas en cello, orgel en fagot kregen allemaal een andere partij. Zo kon er een verschil in klankkleur worden aangebracht. Deze ontwikkeling past in een trend van steeds preciezere notatie: componisten legden veel specifieker vast hoe ze de uitvoering wilden hebben.

In muziek van na 1800 zie je nog wel eens continuo-notatie, meestal in stukken voor orgel of stukken die de barokstijl willen imiteren. Ook blijft het lezen en schrijven van de becijferde bas een onderdeel van de muzikale opleiding van muziekwetenschappers, organisten en componisten.