Nog geen account of wachtwoord vergeten? Klik hier
orkestlid

Violist Henk Rubingh: ‘Mijn eerste Matthäus-Passion in Het Concertgebouw was een wonder’

door Henriëtte Posthuma de Boer
12 nov. 2021 12 november 2021

Na ruim 37 jaar bij de tweede violen, waarvan 32 als eerste aanvoerder, neemt Henk Rubingh afscheid van het Concertgebouworkest. ‘Al die fantastische klanken, dat ik daar tussen zat!’

  • Henk Rubingh

    foto: Eduardus Lee

    Henk Rubingh

    foto: Eduardus Lee

  • Henk Rubingh

    foto: Eduardus Lee

    Henk Rubingh

    foto: Eduardus Lee

Dankzij een gouden tip van de toenmalige concertmeester Jaap van Zweden om te komen proefspelen, kwam Henk Rubingh in 1984 op de tweede aanvoerdersstoel bij de tweede violen van het Concertgebouworkest terecht. Vijf jaar later zou hij de groep als eerste aanvoerder onder zijn hoede nemen.

Met de Kerstmatinee op 25 december neemt hij afscheid van zijn orkest, waar hij intens genoten heeft van talloze onvergetelijke momenten. ‘De Kerstmatinee wordt dit jaar geleid door Jaap van Zweden, dus zo is de cirkel rond.’

Zijn eerste dag bij het orkest, in augustus 1984: ‘Ik had gedroomd dat ik te laat kwam op de repetitie. Maar ik was op tijd, enorm nerveus, dat wel. Ik stelde me aan de andere orkestleden voor, iets wat nauwelijks nog gedaan wordt, en kreeg de tweede stoel toegewezen, naast Peter Brunt. Ik was 27, een mooi begin. Voor ik hier kwam had ik, na mijn studie in Duitsland, ruim drie jaar als tweede concertmeester in Groningen gespeeld, bij wat nu het Noord Nederlands Orkest is. Daar kwam in 1983 Jaap van Zweden solospelen – we kenden elkaar van vroeger, 1970, uit het zomerkamp van Jeugd en Muziek in Woudschoten. Inmiddels was Jaap concertmeester bij het Concertgebouworkest en hij maakte me attent op een vacature bij de tweede violen. Daar heb ik auditie voor gedaan; ik had nooit echt de ambitie om solist te worden. Ik vond solospelen wel leuk, maar wist dat het een eenzaam en zenuwslopend bestaan is. Bovendien is het mijn grootste ambitie om samen met anderen tot een zo mooi mogelijk resultaat te komen.’

Onvergetelijk

‘Die eerste repetitie, met Semyon Bychkov, de Tweede symfonie van Rachmaninoff, een prachtig, gigantisch werk. Ik wist niet wat me overkwam, al die fantastische klanken om me heen. Dat ik daar tussen zat! Een onvergetelijk moment. Zoals de eerste vier jaar alles nieuw en onvergetelijk was. Met de grote Bernard Haitink als chef-­dirigent, en de ene na de andere grootheid die langskwam: Doráti, Leinsdorf, Jochum, Giulini, Bernstein, daar stonden ze, pal voor mijn neus.

Mijn eerste Matthäus-Passion in Het Concertgebouw, onder Nikolaus Harnoncourt, ook een wonder. Met Kurt Equiluz als evangelist en die hemelse sopraan Arleen Augér. We gingen ermee op tournee – 1985, mijn eerste! – naar Milaan en Modena, wat je je nu niet meer kunt voorstellen, met een passie op tournee. Ik was al langer geïnteresseerd in de Barok en werd meteen in 1984 al gevraagd mee te spelen bij de Amsterdamse Bach Solisten. Met collega’s uit het Concertgebouworkest stortte ik me, in de geest van Harnoncourt, op de authentieke uitvoeringspraktijk. Bachs Die Kunst der Fuge hebben we in totaal 87 keer uitgevoerd en tot 2002 hebben we het barokrepertoire doorkruist. Daarna heb ik nog een aantal jaren in het Concertgebouw Kamerorkest gespeeld en nog altijd speel ik graag en veel kamermuziek. Meestal met losvaste ensembles, met collega’s en academisten, jonge mensen voor wie dat heel leerzaam is. Ik coach ze ook graag, het zijn heel goede, gemotiveerde spelers.’

Klein dorp

In zijn tijd bij het Concertgebouworkest heeft Rubingh veel geleerd. Bijvoorbeeld dat als je iets voor elkaar wil krijgen, je dat heel duidelijk moet communiceren. ‘Het contact met sommige collega’s verliep soms wat stroef, meestal door een gebrek aan duidelijke communicatie. Het is moeilijk om zo’n groot gezelschap op één lijn te krijgen, je hebt met heel verschillende karakters te maken. Ik vergelijk een orkest wel eens met een klein dorp, waar iedereen alles van elkaar weet, maar toch ook zo zijn eigen leefwijze en ideeën heeft. Wat we gemeen hebben is de liefde voor muziek en dat we in principe allemaal heel goede instrumentalisten zijn.

‘Ondanks al die veranderingen herken je het orkest nog altijd’

Als ik het oude met het huidige orkest vergelijk, was de sfeer vroeger anders. Het was een Nederlandser orkest, heel familiair, maar ook wel wat conservatiever en behoudend. Nu telt het orkest 25 nationaliteiten, musici met heel verschillende achtergronden, waardoor de traditie van toen aan het veranderen is. De verjonging van de laatste jaren heeft het orkest fris en alert gemaakt, helderder van klank, behendiger ook. Dat begon destijds al met Riccardo Chailly, die het orkest in de breedte van het repertoire enorm heeft geholpen, een trend die onder de inspirerende leiding van Mariss Jansons tot volle bloei kwam. Vergeet ook niet dat het instrumentarium ongelooflijk is verbeterd. Ik ben al jarenlang lid van de instrumentencommissie en we zijn nog altijd bezig dat instrumentarium te vervolmaken. Iedereen die een vaste aanstelling bij het orkest krijgt, heeft recht op een passend instrument. En toch, ondanks al die ­veranderingen herken je de orkestklank nog altijd. Dankzij de akoestiek van de zaal, die het orkest meeneemt naar andere zalen, waardoor het zijn heel eigen sound bewaart.’

Alleen nog een lintzaag

‘Laatst speelde ik voor de 69ste keer de Zevende symfonie van Bruckner, voor de zomervakantie voor de 74ste keer de Vijfde van Mahler. En toch blijft het geweldig, die muziek is voor mij niet kapot te krijgen, ik houd er intens van. Dat zal ik wel missen, net als het dagelijks contact met mijn collega’s. Maar het wordt ook tijd het strijkstokje over te dragen aan een jongere generatie en andere dingen te gaan doen. Ik ga me nu bezighouden met vioolbouw.’

Rubingh koestert al jarenlang de wens zelf violen te bouwen, een wens die voortkomt uit de behoefte antwoord te vinden op de vraag: waar komt dat geluid toch vandaan? ‘Ik heb mijn leven lang gepoogd het beste uit het instrument te krijgen, maar waarom heeft de ene prachtige viool een totaal ander karakter dan een andere prachtige viool? Die kleur, dat geluid... Hoe komt het dat een Guarneri del Gesù heel donker klinkt en een ­Stradivarius als sunshine? De enige manier om meer begrip te krijgen, is door zelf te gaan bouwen. Ik ben van nature vrij handig en heb een aantal bevriende vioolbouwers die me willen helpen – het ontbreekt me nog aan ervaring. Het juiste gereedschap heb ik al in huis, ik mis alleen nog een lintzaag. Het hout ligt al in mijn souterrain. Deze zomer was ik in de Dolomieten, het ‘Dal der violen’, een natuurreservaat waar op een noordhelling Noorse sparren heel langzaam groeien, wat het hout bij uitstek geschikt maakt om bovenbladen van te maken. Dat wist Stradivari ook al. Daar heb ik wat hout gekocht, in wigvormige plankjes die je zelf moet bewerken. Pas in januari gaat de knop echt om, dan kan ik me er volkomen op concentreren. Ik heb al een paar ‘bestellingen’ binnen, van collega’s. Het zal een totale obsessie zijn, anders wordt het niks. Inmiddels heb ik het wereldkundig gemaakt, dus is er geen ontkomen aan.’

Dankzij een gouden tip van de toenmalige concertmeester Jaap van Zweden om te komen proefspelen, kwam Henk Rubingh in 1984 op de tweede aanvoerdersstoel bij de tweede violen van het Concertgebouworkest terecht. Vijf jaar later zou hij de groep als eerste aanvoerder onder zijn hoede nemen.

Met de Kerstmatinee op 25 december neemt hij afscheid van zijn orkest, waar hij intens genoten heeft van talloze onvergetelijke momenten. ‘De Kerstmatinee wordt dit jaar geleid door Jaap van Zweden, dus zo is de cirkel rond.’

Zijn eerste dag bij het orkest, in augustus 1984: ‘Ik had gedroomd dat ik te laat kwam op de repetitie. Maar ik was op tijd, enorm nerveus, dat wel. Ik stelde me aan de andere orkestleden voor, iets wat nauwelijks nog gedaan wordt, en kreeg de tweede stoel toegewezen, naast Peter Brunt. Ik was 27, een mooi begin. Voor ik hier kwam had ik, na mijn studie in Duitsland, ruim drie jaar als tweede concertmeester in Groningen gespeeld, bij wat nu het Noord Nederlands Orkest is. Daar kwam in 1983 Jaap van Zweden solospelen – we kenden elkaar van vroeger, 1970, uit het zomerkamp van Jeugd en Muziek in Woudschoten. Inmiddels was Jaap concertmeester bij het Concertgebouworkest en hij maakte me attent op een vacature bij de tweede violen. Daar heb ik auditie voor gedaan; ik had nooit echt de ambitie om solist te worden. Ik vond solospelen wel leuk, maar wist dat het een eenzaam en zenuwslopend bestaan is. Bovendien is het mijn grootste ambitie om samen met anderen tot een zo mooi mogelijk resultaat te komen.’

Onvergetelijk

‘Die eerste repetitie, met Semyon Bychkov, de Tweede symfonie van Rachmaninoff, een prachtig, gigantisch werk. Ik wist niet wat me overkwam, al die fantastische klanken om me heen. Dat ik daar tussen zat! Een onvergetelijk moment. Zoals de eerste vier jaar alles nieuw en onvergetelijk was. Met de grote Bernard Haitink als chef-­dirigent, en de ene na de andere grootheid die langskwam: Doráti, Leinsdorf, Jochum, Giulini, Bernstein, daar stonden ze, pal voor mijn neus.

Mijn eerste Matthäus-Passion in Het Concertgebouw, onder Nikolaus Harnoncourt, ook een wonder. Met Kurt Equiluz als evangelist en die hemelse sopraan Arleen Augér. We gingen ermee op tournee – 1985, mijn eerste! – naar Milaan en Modena, wat je je nu niet meer kunt voorstellen, met een passie op tournee. Ik was al langer geïnteresseerd in de Barok en werd meteen in 1984 al gevraagd mee te spelen bij de Amsterdamse Bach Solisten. Met collega’s uit het Concertgebouworkest stortte ik me, in de geest van Harnoncourt, op de authentieke uitvoeringspraktijk. Bachs Die Kunst der Fuge hebben we in totaal 87 keer uitgevoerd en tot 2002 hebben we het barokrepertoire doorkruist. Daarna heb ik nog een aantal jaren in het Concertgebouw Kamerorkest gespeeld en nog altijd speel ik graag en veel kamermuziek. Meestal met losvaste ensembles, met collega’s en academisten, jonge mensen voor wie dat heel leerzaam is. Ik coach ze ook graag, het zijn heel goede, gemotiveerde spelers.’

Klein dorp

In zijn tijd bij het Concertgebouworkest heeft Rubingh veel geleerd. Bijvoorbeeld dat als je iets voor elkaar wil krijgen, je dat heel duidelijk moet communiceren. ‘Het contact met sommige collega’s verliep soms wat stroef, meestal door een gebrek aan duidelijke communicatie. Het is moeilijk om zo’n groot gezelschap op één lijn te krijgen, je hebt met heel verschillende karakters te maken. Ik vergelijk een orkest wel eens met een klein dorp, waar iedereen alles van elkaar weet, maar toch ook zo zijn eigen leefwijze en ideeën heeft. Wat we gemeen hebben is de liefde voor muziek en dat we in principe allemaal heel goede instrumentalisten zijn.

‘Ondanks al die veranderingen herken je het orkest nog altijd’

Als ik het oude met het huidige orkest vergelijk, was de sfeer vroeger anders. Het was een Nederlandser orkest, heel familiair, maar ook wel wat conservatiever en behoudend. Nu telt het orkest 25 nationaliteiten, musici met heel verschillende achtergronden, waardoor de traditie van toen aan het veranderen is. De verjonging van de laatste jaren heeft het orkest fris en alert gemaakt, helderder van klank, behendiger ook. Dat begon destijds al met Riccardo Chailly, die het orkest in de breedte van het repertoire enorm heeft geholpen, een trend die onder de inspirerende leiding van Mariss Jansons tot volle bloei kwam. Vergeet ook niet dat het instrumentarium ongelooflijk is verbeterd. Ik ben al jarenlang lid van de instrumentencommissie en we zijn nog altijd bezig dat instrumentarium te vervolmaken. Iedereen die een vaste aanstelling bij het orkest krijgt, heeft recht op een passend instrument. En toch, ondanks al die ­veranderingen herken je de orkestklank nog altijd. Dankzij de akoestiek van de zaal, die het orkest meeneemt naar andere zalen, waardoor het zijn heel eigen sound bewaart.’

Alleen nog een lintzaag

‘Laatst speelde ik voor de 69ste keer de Zevende symfonie van Bruckner, voor de zomervakantie voor de 74ste keer de Vijfde van Mahler. En toch blijft het geweldig, die muziek is voor mij niet kapot te krijgen, ik houd er intens van. Dat zal ik wel missen, net als het dagelijks contact met mijn collega’s. Maar het wordt ook tijd het strijkstokje over te dragen aan een jongere generatie en andere dingen te gaan doen. Ik ga me nu bezighouden met vioolbouw.’

Rubingh koestert al jarenlang de wens zelf violen te bouwen, een wens die voortkomt uit de behoefte antwoord te vinden op de vraag: waar komt dat geluid toch vandaan? ‘Ik heb mijn leven lang gepoogd het beste uit het instrument te krijgen, maar waarom heeft de ene prachtige viool een totaal ander karakter dan een andere prachtige viool? Die kleur, dat geluid... Hoe komt het dat een Guarneri del Gesù heel donker klinkt en een ­Stradivarius als sunshine? De enige manier om meer begrip te krijgen, is door zelf te gaan bouwen. Ik ben van nature vrij handig en heb een aantal bevriende vioolbouwers die me willen helpen – het ontbreekt me nog aan ervaring. Het juiste gereedschap heb ik al in huis, ik mis alleen nog een lintzaag. Het hout ligt al in mijn souterrain. Deze zomer was ik in de Dolomieten, het ‘Dal der violen’, een natuurreservaat waar op een noordhelling Noorse sparren heel langzaam groeien, wat het hout bij uitstek geschikt maakt om bovenbladen van te maken. Dat wist Stradivari ook al. Daar heb ik wat hout gekocht, in wigvormige plankjes die je zelf moet bewerken. Pas in januari gaat de knop echt om, dan kan ik me er volkomen op concentreren. Ik heb al een paar ‘bestellingen’ binnen, van collega’s. Het zal een totale obsessie zijn, anders wordt het niks. Inmiddels heb ik het wereldkundig gemaakt, dus is er geen ontkomen aan.’

  • De viool van Henk Rubingh

    foto: Eduardus Lee

    De viool van Henk Rubingh

    foto: Eduardus Lee

  • De viool van Henk Rubingh

    foto: Eduardus Lee

    De viool van Henk Rubingh

    foto: Eduardus Lee

De violen van Henk Rubingh

‘Ik heb nu een Guarneri del Gesù uit 1729 in bruikleen van een particuliere verzamelaar. Fantastisch om daarop te mogen spelen. Aanvankelijk had ik eenzelfde soort instrument via het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds, tot deze viool langskwam en ik de kans kreeg daarop te spelen. Heel even had ik dus twee van die topviolen in huis! Uiteindelijk koos ik voor deze, die net iets mooier is en nog beter bij me past. Die eerste heb ik teruggegeven aan het instrumentenfonds; op mijn huidige viool mag ik blijven spelen tot een nader te bepalen datum. Ik hoop na april volgend jaar, als er nog een soloconcert in mijn agenda staat. Daarna heb ik een kopie van mijn vorige Guarneri del Gesù tot mijn beschikking, gebouwd door Ritz Iwata in Amstelveen. Een heel mooi instrument, waar ik nog jaren op voort kan.’

De violen van Henk Rubingh

‘Ik heb nu een Guarneri del Gesù uit 1729 in bruikleen van een particuliere verzamelaar. Fantastisch om daarop te mogen spelen. Aanvankelijk had ik eenzelfde soort instrument via het Nationaal Muziekinstrumenten Fonds, tot deze viool langskwam en ik de kans kreeg daarop te spelen. Heel even had ik dus twee van die topviolen in huis! Uiteindelijk koos ik voor deze, die net iets mooier is en nog beter bij me past. Die eerste heb ik teruggegeven aan het instrumentenfonds; op mijn huidige viool mag ik blijven spelen tot een nader te bepalen datum. Ik hoop na april volgend jaar, als er nog een soloconcert in mijn agenda staat. Daarna heb ik een kopie van mijn vorige Guarneri del Gesù tot mijn beschikking, gebouwd door Ritz Iwata in Amstelveen. Een heel mooi instrument, waar ik nog jaren op voort kan.’

Dit artikel wordt u gratis aangeboden door Preludium. Meer lezen? Abonneer dan nu.