Concertprogramma

Het Middagconcert: Signum Kwartet speelt Schubert

Kleine Zaal, 5 februari 2019

Print dit programma

Signum Kwartet:
Florian Donderer viool
Annette Walther viool
Xandi van Dijk altviool
Thomas Schmitz cello

Franz Schubert (1797-1828)

Strijkkwartet in a kl.t., D 804 (1824) ‘Rosamunde’
Allegro ma non troppo
Andante
Menuetto: Allegretto
Allegro moderato

Leoš Janáček (1854-1928)

Eerste strijkkwartet (1923) ‘Kreutzer’
Adagio
Con moto
Con moto (Vivace, Andante)
Con moto (Adagio)

er is geen pauze
einde ± 15.00 uur

Dit concert wordt mede mogelijk gemaakt door KPN

Franz Schubert (1797-1828)

Schubert: 'Rosamunde'

door Anneloes Brand

Tussen de twee kwartetten van vanmiddag ligt ongeveer een eeuw. Beide componisten – de één een twintiger, de ander bijna zeventig – hadden niet veel tijd nodig om deze bevlogen, intense werken op papier te zetten.

Schubert: ‘Rosamunde’

Na enkele jaren voornamelijk liederen te hebben geschreven, keerde Franz Schubert begin 1824 terug naar de instrumentale ­kamermuziek. Hij werkte hard en intens geconcentreerd. Zo schreef een vriend: ‘Als je overdag bij hem langs gaat, zegt hij: ‘Hallo, hoe gaat het? – Goed!’ en gaat verder met schrijven, waarop jij maar weer vertrekt.’

In sneltreinvaart creëerde Schubert meesterwerken als het Strijkkwartet ‘Rosamunde’, het Strijkkwartet ‘Der Tod und das Mädchen’ en het Octet in F groot. De twee strijkkwartetten zijn opvallend verschillend van karakter: het eerste is bespiegelend en melancholiek, het tweede dramatisch en intens.

Start / pauzeer slideshow

Het delicate Strijkkwartet in a klein dankt zijn bijnaam ‘Rosamunde’ aan het tweede deel, Andante, waarin Schubert een melodie citeerde uit zijn muziek voor het toneelstuk Rosamunde, Fürstin von Zypern uit het voorgaande jaar. Net als zijn vele andere theaterpogingen beleefde ook dit toneelstuk weinig succes, maar de orkestmuziek leefde voort – vooral de hergebruikte derde Entr’acte.

Overigens greep Schubert tevens in het derde deel, het Menuetto, terug op eerder werk: het openingsmotief komt uit zijn lied Die Götter Griechenlands, D 677 op een gedicht van Schiller. Terneergeslagen vraagt de componist zich af: ‘Schöne Welt, wo bist du?’ Maar na drie delen die balanceren tussen wanhoop, vrees, verlangen en droefheid rekent Schubert in het levendige, dansante slotdeel met de somberheid af en triomfeert de hoop.

Het ‘Rosamunde’-kwartet was Schuberts enige strijkkwartet dat tijdens zijn leven werd gepubliceerd. Het werd op 14 maart 1824 in pre­mière gebracht door het kwartet van de befaamde violist Ignaz Schuppanzigh, aan wie het was opgedragen. Een van Schuberts vrienden tekende hierover op: ‘Schuberts kwartet is uitgevoerd, tamelijk langzaam volgens zijn mening, maar wel puur en fijngevoelig... Het kreeg veel applaus.’.

Leoš Janáček (1854-1928)

Janáček: ‘Kreutzer’

door Marco Nakken

In de herfst van 1923 had Leoš Janáček slechts tien dagen nodig om zijn Eerste strijkkwartet – geïnspireerd door Tolstojs novelle De Kreutzer-sonate – te componeren. In deze in 1890 verschenen novelle vertelt ene Pozdnisjev gedurende een lange treinreis hoe hij in een ongelukkig huwelijk gevangen heeft gezeten en hoe hij uiteindelijk, verteerd door jaloezie, zijn vrouw om het leven heeft gebracht.

De muziek fungeert in het verhaal als katalysator. Als Pozdnisjevs vrouw samen met een violist en huisvriend op een avondje Beethovens ‘Kreutzersonate’ voor viool en piano speelt, slaat de toch al labiele verteller volledig door.

Voor Tolstoj was de novelle onder andere een middel om zijn omstreden opvattingen over het huwelijk (of de onmogelijkheid daarvan) uiteen te zetten, maar Janáček lijkt vooral in de schildering van de hoog oplopende emoties geïnteresseerd te zijn geweest. ‘Ik ben er nog helemaal opgewonden van en het is al een jaar geleden dat ik het geschreven heb.

Start / pauzeer slideshow

Ik had een ongelukkige Russische vrouw in gedachten gekweld, geschopt en uiteindelijk doodgeslagen, zoals de Russische schrijver Tolstoj dat in De Kreutzersonate heeft verteld’, schreef Janáček aan Kamila Stösslová, de hartstochtelijk aanbeden muze van zijn laatste jaren, nadat in 1924 het kwartet was uitgevoerd.

Het eerste deel van het kwartet wordt gekenmerkt door abrupte tempowisselingen. Het klaaglijke motief (Adagio) waarmee het deel opent wordt afgewisseld met een haastig voorbij scherend volksliedje. Het tweede deel is een scherzo. Het begint als een dansje, maar mondt snel uit in een door de altviool aan de kam gespeelde spookachtige passage.

Het derde deel wordt wederom gekenmerkt door de abrupte overgangen van hartstochtelijke lyriek naar bijna gewelddadige ostinato’s. In de finale keert het klagelijke motief uit het eerste deel terug en geeft de met ‘snikkend’ aangeduide, onbegeleide melodie van de eerste viool wellicht de smeekbeden van de wanhopige echtgenote weer.