Concertprogramma

Modigliani Kwartet speelt Tsjaikovski, Schubert en Beethoven

Kleine Zaal, 22 december 2018

Print dit programma

Modigliani Kwartet: 
Philippe Bernhard viool
Loïc Rio viool
Laurent Marfaing altviool
François Kieffer cello

Franz Schubert (1797-1828)

Quartettsatz in c kl.t., D 703, op. posth. (1820)

Ludwig van Beethoven (1770-1827)

Strijkkwartet in Bes gr.t., op. 18 nr. 6 (1798-1800)
Allegro con brio
Adagio, ma non troppo
Scherzo: Allegro
La malinconia: Adagio - Allegretto quasi allegro

pauze (± 20.55 uur)

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893)

Derde strijkkwartet in es kl.t., op. 30 (1876)
Andante sostenuto - Allegro moderato
Allegretto vivo e scherzando
Andante funebre e dolorosa ma con moto
Finale: Allegro non troppo e risoluto

einde (± 21.50 uur)

Franz Schubert 1797-1828

Schubert: Quartettsatz

door Liesbeth Houtman

Ruim een dozijn strijkkwartetten schreef Franz Schubert tussen 1811 en 1816 als jonge aanstormende componist. Daarna volgde een adempauze van acht jaar en met drie ‘rijpe’ en sublieme werken zette hij vervolgens de kroon op zijn kwartet-oeuvre.

Start / pauzeer slideshow

Tussendoor begon de 23-jarige componist in 1820 aan een strijkkwartet in c klein, waarvan hij alleen het eerste deel, Allegro assai, voltooide. Weliswaar kwamen nog eenenveertig maten van een Andante tot stand, maar toen hield hij het voor gezien. Naar de reden kunnen we slechts gissen. Had Schuberts aarzeling misschien te maken met het feit dat hij met dit werk de sprong waagde van zijn vroege op de amateurmusicus toegesneden kwartetten naar het professionele circuit? Hoe dan ook: de Quartettsatz in c klein,

D 703 is zo rijk aan contrasten en ritmische en melodische vondsten dat het deel prima op eigen benen kan staan. Met drie elementen vertelt Schubert een prachtig en intens verhaal: een rusteloos eerste thema waaruit een sierlijke melodie ontstaat, waarna de muziek van majeur naar mineur verschiet en er opnieuw een lieflijk thema klinkt.

Ludwig van Beethoven 1770-1827

Beethoven: Strijkkwartet

door Axel Meijer

Pas na vijf strijktrio’s begint Ludwig van Beethoven rond zijn achtentwintigste aan zijn eerste strijkkwartet. De lange aanloop heeft te maken met de hooggespannen verwachtingen die muziekkenners tegen het eind van de achttiende eeuw hebben van het genre. Joseph Haydn, de ‘vader van het strijkkwartet’, en Wolfgang Amadeus Mozart hebben het genre al tot het summum van de kamermuziek verheven.

De jonge Beethoven moet even zoeken naar de overtuiging dat hij iets aan de kwartetliteratuur heeft toe te voegen. Maar dat doet hij magistraal met zijn zes kwartetten opus 18, waarvan hier het laatste klinkt: het Strijkkwartet in Bes groot. Van de vier delen is het eerste, Allegro con brio, het meest haydneske. Het hoofdthema is een zigzaggend gebroken akkoord waar Beethoven met hoorbaar plezier mee speelt.

Start / pauzeer slideshow

Sommige momenten doen denken aan de muzikale humor waar Beethovens oude leermeester Haydn patent op had. Dan volgt een van Beethovens sterkste vroege adagio’s. De kracht zit hem niet in een doorwrochte vorm, maar juist in de eenvoud van de lange lijnen en de simpele aankleding van de stemmen. Het korte Scherzo dat erop volgt, is daarentegen een razend ingewikkeld spel van ritmische verspringingen, loopjes en virtuoze solo’s.

Het zwaartepunt ligt in de finale, La malinconia. De titel dekt de lading perfect, zeker waar het gaat om de langzame inleiding. In de periode dat Beethoven deze muziek schrijft, groeit zijn vermoeden dat zijn gehoorproblemen alleen maar zullen verergeren. Maar de titel zegt ook iets over de revolutionaire weg die Beethoven inslaat: hij wil met zijn muziek niet alleen emoties suggereren, maar ze zo exact mogelijk weergeven.

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (1840-1893)

Tsjaikovski: Derde strijkkwartet

door Rutger Helmers

Het Derde strijkkwartet in es klein is een van Pjotr Iljitsj Tsjaikovski’s zwaarmoedigste composities. De componist schreef het in 1876 tijdens een van zijn vele bezoeken aan Parijs als eerbetoon aan Ferdinand Laub, een van zijn collega’s op het conservatorium van Moskou, die als violist de premières van zijn eerste twee kwartetten had verzorgd en het jaar ervoor aan een longziekte was overleden.

Het is een werk diep gedompeld in rouw, en het is dan ook niet verwonderlijk dat juist dit kwartet bij de dood van de componist zelf op verschillende plaatsen te zijner herinnering werd gespeeld. Het openingsdeel begint met een langzame inleiding die gelijk een toon van intense droefenis neerzet.

De lucht klaart enigszins op in het daaropvolgende Allegro moderato, dat na de nodige strubbelingen zelfs bestemd lijkt om in majeur te eindigen; maar juist als dat punt wordt bereikt, keren de mineurklanken terug, en belanden we uiteindelijk weer bij de treurzang van de inleiding, teruggeworpen in de bittere realiteit.

Het tweede deel is een vederlicht scherzo met veel pizzicato’s, van het type waar Felix Mendelssohn in uitblonk, en lijkt vooral bedoeld om de luisteraar even op adem te laten komen voor het daaropvolgende Andante funebre. Dit derde deel is het emotionele hart van het kwartet. Het wordt gekenmerkt door onverbiddelijke akkoorden met wrange dissonanten, waar de eerste viool soms met lyrische frasen bovenuit stijgt. Bij de afsluiting van dit thema blijft de tweede viool in eigenaardige ritmes op een toon hangen, afgewisseld met archaïsche slotformules voor het kwartet als geheel: een imitatie van het reciteren van een priester en een koor bij een rouwdienst.

Na een meer beweeglijke en zangerige middensectie keert het openingsthema terug en doet de componist er nog een schepje bovenop door de cello zijn basnoten nadrukkelijk te laten herhalen. Het resultaat is een uitdrukking van onverdunde, kloppende pijn. Anders dan in de neerslachtige Zesde symfonie, die Tsjaikovski aan het eind van zijn leven schreef, is er in dit kwartet nog wel ruimte voor verlossing: in een robuuste, beethoveniaanse Finale keert de levenslust terug en kan de luisteraar proberen het beklemmende gevoel van de eerdere delen achter zich te laten.