Interview

Sanne Hunfeld - tweede viool

Uit het Preludium maandblad oktober 2019

Vioolspelen alleen is voor Sanne Hunfeld niet genoeg; ze zit in de Artistieke Commissie van het Concertgebouworkest en betrekt haar collega’s bij een origineel plan met kinderliedjes als uitgangspunt. ‘Er is zoveel potentieel binnen het orkest!’

In oktober 2018 won Sanne Hunfeld de Prix de Salon. Deze prijs wordt jaarlijks door de businessclub van het Koninklijk Concertgebouworkest uitgekeerd aan een orkestlid voor een goed muzikaal idee. Dat van Sanne was ontstaan tijdens het kleren strijken.

‘Heel suf, maar zo ontstaan soms de beste plannen. Ineens zag ik het voor me, het idee om kinderliedjes uit landen die in het orkest vertegenwoordigd zijn te laten bewerken voor een ensemble met zang.’ Met behulp van de prijs kon de energieke violiste het plan verder uitwerken.

Eind juni werden negen liedjes uitgevoerd met mezzosopraan Karin Strobos voor een klein publiek in de Amsterdamzaal. In februari 2020 krijgt het project gestalte als een kinderconcert met de poëtische titel Maankozijn. ‘Regisseur Lotte van Dijck buigt zich over het overkoepelende verhaal.’

Samenspelen

Haar eigen carrière begon met kinderliedjes. ‘Ik was altijd aan het zingen.’ Hoewel Sanne niet in een gezin van musici is opgegroeid, zitten er veel kunstzinnige en muzikale genen in de familie. ‘Mijn oom, Xander Hunfeld, is componist. Mijn vader is autodidact ­pianist en speelt in zijn vrije tijd veel jazz. En mijn moeder heeft thuis altijd veel met me gezongen. Al die klanken heb ik van jongs af aan meegekregen.’

Van Amsterdam verhuisde het gezin naar Amstelveen. ‘Daar is een heel goede muziekschool, en mijn ouders hadden door dat ik interesse had in muziek. Ze lieten me daar drie instrumenten uitproberen. Een soort afstreepmethode. De pianojuf leek me wat streng, en voor fluit moest je een gaaf gebit hebben, dat had ik niet. Dus werd het viool. Vrij willekeurig. Maar het was meteen duidelijk dat ik er iets op kon.

Start / pauzeer slideshow

En ik bleef het leuk vinden. Dat komt ook omdat je op die muziekschool meteen in een orkestje wordt gezet, dan ervaar je direct de lol van het ­samenspelen. Mijn dochter van negen speelt ook viool, en sinds ze in een orkestje speelt gaat het heel goed, ze oefent uit zichzelf, heel leuk om te zien.’

Thuis in het orkest

Het Concertgebouworkest zat al vroeg in haar hoofd. ‘Dat stamt van toen ik een jaar of tien was; ik weet nog dat we op het Museumplein stonden en dat ik naar de lier van Het Concertgebouw wees en zei: ‘Daar wil ik spelen.’

Ze studeerde in Amsterdam, Londen en Den Haag. ‘Ik had nooit de ­ambitie om solist te worden. Ik had altijd in mijn achterhoofd: als ik ooit in het Concertgebouworkest terecht kan komen, maakt het me niet uit op welke positie.’

Ze maakte er al snel werk van: net terug uit Londen werd ze aangenomen bij de orkestacademie. ‘Dat was een cruciaal moment. Ik mocht meteen mee op tournee naar Japan; je wordt zo in het orkest opgenomen, ik voelde me er vanaf het begin helemaal thuis.’

‘Ik beschouw de Artistieke Commissie als het artistieke geweten van het orkest’

Voordat ze daadwerkelijk bij het Concertgebouworkest kwam was ze een jaar of vier freelancer. ‘Ik heb veel verschillende dingen gedaan: ik speelde onder meer bij het Nieuw Ensemble en Combattimento Consort, en had een eigen pianotrio, Suleika. Soms mis ik dat bestaan als kamermusicus wel.

Bij het orkest ben je een schakeltje in het geheel, wat ook leuk is en even dankbaar, maar kamermuziek voelt directer, je hebt een direct lijntje met elkaar en het publiek. En er is zo veel moois geschreven! Maar ja, ik had naast mijn ambities als musicus nog een andere wens, en dat was een gezin stichten. En dat is gebeurd, haha!’

Vier kinderen, die hebben veel tijd en aandacht nodig. Voor kamermuziek was geen tijd meer. ‘Het zijn tropenjaren geweest. Maar langzamerhand komt er meer lucht. Ze gaan nu alle vier naar school, er zijn inmiddels wat vrije ochtendjes… Ik ben relatief jong moeder geworden, dus het komt wel weer.’

Artistieke Commissie

Het orkest beschouwt ze ‘als een soort grote familie. Je doet veel mensen­kennis op, en daardoor leer je ook veel over jezelf. Maar het mooiste is natuurlijk dat je iedere week weer de meest bijzondere muziek speelt en overlevert. Het soort repertoire maakt dan niet veel uit: ‘Zolang het maar zeggingskracht heeft! Ik speel net zo lief Dutilleux als Beethoven. Ik ben een alleseter, en wil ook een allround musicus zijn.’

Sannes brede muzikale ervaring komt goed van pas bij haar rol als lid van de Artistieke Commissie (AC), een afvaardiging van orkestleden met een belangrijke stem bij het bepalen van het artistieke beleid. Naast Sanne zijn dat op dit moment Vincent Cortvrint, Fred Edelen en Johan van Iersel. ‘We beoordelen opnames, denken mee over de programmering, over welke dirigenten en solisten we wel en niet uitnodigen, we zitten bij proefspelen…’

Ook aanzitten bij diners met dirigenten behoort tot het takenpakket, om ervoor te zorgen dat de contacten niet alleen via directie en management verlopen. Daarnaast beheren de AC-leden ieder een eigen portefeuille, zoals social media, marketing en – Sannes specia­lisme – educatie. ‘Het is een grote verantwoordelijkheid. En het kost veel tijd: je komt makkelijk aan 400 uur per jaar.’

Ze heeft het ervoor over, haar betrokkenheid bij het orkest is groot. ‘Ik hou me heel graag bezig met de inhoud. Ik beschouw de AC als het artistieke geweten van het orkest. Het is het orgaan dat waakt over de artistieke kwaliteit en daarin de directie adviseert. Samen stippelen we de artistieke visie uit. Dat vind ik belangrijk, want ik beschouw het niet als vanzelfsprekend dat het symfonieorkest in zijn huidige vorm de eenentwintigste eeuw gaat overleven. We moeten kijken hoe we relevant kunnen blijven.’

Ontplooiing

Dat betekent voor Sanne dat individuele ontplooiing van de orkestleden centraal moet staan. ‘Er is zoveel potentieel binnen het orkest. Door de vrijheid te krijgen je buiten het orkest te ontwikkelen, ben je binnen het orkest ook in staat om de muzikale boodschap iedere keer weer met de juiste intentie over te dragen, en niet in te dutten. Wij zijn de ambassadeurs – we moeten de ruimte krijgen om het publiek te bereiken.’

Met het kinderliedjesproject, waarin ze haar collega’s betrekt, geeft ze zelf het voorbeeld. ‘Het is zo leuk om daarmee bezig te zijn! Het geeft veel energie en je leert je collega’s op een andere manier kennen. Ik ben ook heel benieuwd met wat voor liedjes zij zijn opgegroeid. Het uiteindelijke doel is natuurlijk om alle 25 nationaliteiten van het orkest te bestrijken. Er komen nu al zulke pareltjes bovendrijven. Bijvoorbeeld een Japans liedje dat aangedragen is door eerste violiste Junko Naito, daar gaat heel veel nostalgie van uit, prachtig.’

De viool van Sanne Hunfeld, foto: Renske Vrolijk

De viool van Sanne Hunfeld

‘De herkomst van mijn viool is eigenlijk onduidelijk, maar hij is getaxeerd als een Omobono-Stradivarius. Omobono was de zesde zoon van de grote Antonio Stradivari; hij werkte zijn leven lang in dat atelier en is nooit onder de vleugels van zijn vader vandaan gekomen.’

‘Ik heb de viool in bruikleen gekregen van de stichting Van Eeghen, een particuliere stichting, zoals ook heel toevallig Peter Brunt [Sannes vroegere docent aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag] een viool van die stichting bespeelt. Ik speel al negen jaar op deze viool en mag hem blijven bespelen, daar ben ik heel blij mee. Je raakt toch vergroeid met zo’n instrument.’

En de stok? Die heeft ze gekocht. ‘Ik won ooit de Kersjesprijs, en dacht: ik kan honderd lessen nemen, óf een mooie stok kopen. Ik kocht een stok van Eugène Sartory (1871-1946). Daar speel ik nog steeds mee. Ik ben niet zo zakelijk ingesteld, maar dit is een heel goede investering geweest!’