Interview

The age of Adès

Uit het Preludium maandblad oktober 2019

Dit seizoen werkt het Koninklijk Concertgebouworkest veelvuldig samen met de componist, dirigent en pianist Thomas Adès. De Brit trok in de jaren negentig de aandacht en groeide binnen enkele jaren uit tot een internationale grootheid. Meet Thomas Adès!

De Britten zijn graag op zoek naar the next big thing. Misschien is het omdat Henry Purcell pas na 200 jaar een waardige opvolger kreeg in Edward Elgar, dat het wachten op de nieuwe Muzikale Messias onderdeel bleef van de Britse mindset. Zo lijkt de Britse popjournalistiek sinds 1970 permanent op zoek naar de volgende Beatles. En sinds de dood van Benjamin Britten in 1976 worden voortdurend jonge componisten gebombardeerd tot Grote Belofte. Dat leidt doorgaans tot teleurstellingen. Maar niet bij Thomas Adès.

Bekijk het concertprogramma van 10 en 11 oktober: Schatten en schandalen met Thomas Adés

Op 1 juli 1995 ging zijn kameropera Powder Her Face in première. Niet in een groot operahuis – ze was geschreven in opdracht van een klein operagezelschap en werd uitgevoerd tijdens het Cheltenham Festival, een middelgroot Londens festival dat bekend staat om zijn grote aandeel nieuwe muziek. Maar het bleef niet onopgemerkt. De opera over de promiscue Hertogin van Argyll was sterk seksueel getint en veroorzaakte een klein nationaal schandaal – met name de uitgecomponeerde fellatioscène was een brug te ver voor Classic FM.

Start / pauzeer slideshow

Maar dat was niet de enige reden waarom de opera al gauw door andere theaters werd opgepikt en geleidelijk uitgroeide tot een regelrechte klassieker. De flair en virtuositeit waarmee de toen 24-jarige Adès allerlei oude en nieuwe stijlen tot een vloeiend geheel smeedde was een sensatie.

Schaamteloze bevestiging

En hij bleek geen one hit wonder. Twee jaar later maakte Adès’ orkestwerk Asyla – een opdracht van het City of Birmingham Symphony Orchestra en dirigent Simon Rattle – opnieuw duidelijk dat we te maken hadden met een fenomeen. In de kamermuziek liet hij al langer zijn unieke stem horen.

Zijn strijkkwartet Arcadiana is een aaneenschakeling van stijlen, vormen en thema’s die uit de muziekgeschiedenis gevist zijn en op zo’n manier met elkaar verweven dat ze zowel weldadig vertrouwd als shockingly nieuw klinken. Toen collega-componist Christopher Fox dat werk trachtte te analyseren, kon hij er niet over uit hoe Adès het klaarspeelt ‘de emotionele kracht van Nimrod uit Elgars Enigma-­variaties te distilleren in slechts zeventien maten’.

‘It’s a mistake to think of any composer too much in the singular’

Thomas Adès

Adès’ omgang met de muziek­geschiedenis markeert een ommekeer in het twintigste-eeuwse componeren die typerend was voor de jaren negen­tig, maar die bij weinig anderen zo overtuigend en eigenzinnig werd vormgegeven. Decennia lang hadden (stijl-)citaten van vroegere muziek een afstandelijk, kritisch of ironisch commentaar betekend.

Adès behoort tot een generatie componisten die met liefde en ongefilterde nostalgie teruggrijpen op die muziek, haar omarmen en naadloos integreren in het hier-en-nu. Door ook elementen uit de hedendaagse pop en elektronische dance in de strijd te werpen, én gebruik te maken van hypermoderne – en soms ternauwernood uitvoerbare – technieken, creëert Adès een mix die even eigentijds als traditioneel is – een nieuw soort Romantiek, zonder dat er sprake is van een herhaling van zetten.

Biologische cellen

Adès’ benadering komt voort uit de overtuiging dat een componist deels het product is van zijn invloeden. ‘It’s a mistake to think of any composer too much in the singular’, zegt hij in een recent interview in de Financial Times. ‘Er zou helemaal geen muziek zijn als iedereen alleen maar zijn eigen muziek had.

Dus ieders muziek klinkt min of meer als die van iemand anders. Het is beter om het te beschouwen als een proces van biologische cellen die je absorbeert, en die zich omvormen tot de muziek die je schrijft. De celkern is heel zacht en kneedbaar: je identiteit als kunstenaar is deels passief – de cellen die ik toevallig absorbeer – en deels actief, omdat ik toch degene ben die uiteindelijk bepaalt wat ik ermee doe.’

Adès koestert zijn voorbeelden. In zijn werk kunnen bijvoorbeeld Liszt, Stravinsky, tango en Madness een kleurrijk verbond aangaan en tóch onmiddellijk herkenbaar zijn als Adès. Ook als dirigent paart hij zijn werk graag aan dat van anderen. Zoals hij deze maand bij het Concertgebouworkest een suite uit Powder Her Face omringt met verwante twintigste-eeuwse werken. De balletten Prélude à l’après-midi d’un faune van Claude Debussy en Les Biches van Poulenc waren in hun tijd al even pikant en ouh là là.

Met de Ier Gerald Barry deelt Adès een zoektocht naar de grenzen van de virtuositeit en het speelbare, maar dan wel gebruikmakend van herkenbare elementen. Die moeilijkheidsgraad maakt overigens dat Adès en Barry sterk afhankelijk zijn van uitzonderlijke musici, die ze vertrouwen. Simon Rattle verklaarde ooit: ‘Hoe hoofdkrabbend, misselijkmakend moeilijk de muziek ook is, waar het om gaat is dat hoe beter je haar uitvoert, hoe dichter je [Adès’] idiosyncratische visie benadert, en hoe prachtiger het klinkt.’

Concertgebouworkest

Powder Her Face heeft met ruim 300 (!) uitvoeringen inmiddels de status van een moderne klassieker, evenals Asyla, waarmee Adès in 1999 de prestigieuze Grawemeyer Award in de wacht sleepte. Met zijn tweede opera The Tempest maakte hij de torenhoge verwachtingen waar, en bij de première van zijn derde in 2016 schreef The New York Times: ‘Als je dit jaar één opera gaat zien, zorg dan dat het The Exterminating Angel is.’ Thomas Adès is nog steeds hot. Eerder dit jaar zorgde zijn Pianoconcert – geschreven voor Kirill Gerstein – bij de première in Boston voor lovende kritieken. In maart 2020 dirigeert hij het bij het Concertgebouworkest, gecombineerd met muziek van twee favoriete componisten, Busoni en Janáček.

Sinds 1996 heeft het Concertgebouw­orkest werken van Adès op het repertoire. Vanaf 2010 werden de banden strakker aangehaald. Nadat delen uit Powder Her Face enkele malen op het programma hadden gestaan, dirigeerde Adès in 2011 zelf het orkest in muziek uit De vliegende Hollander van Matthijs Vermeulen en drie eigen werken: Tevot, de Nederlandse première van zijn vioolconcert Concentric Paths en het opdrachtwerk Polaris.

In 2016 kwam hij terug met These Premises Are Alarmed en een nieuw opdrachtwerk, Totentanz. In Preludium zei hij toen: ‘Bij veel van mijn muziek zijn choreografieën geschreven, dat vind ik altijd prachtig. Ik ga nog veel meer balletmuziek schrijven.’ En zo geschiedde. Dit voorjaar voltooide hij het op Dante geïnspireerde Inferno, dat op 12 juli jongstleden zijn balletpremière beleefde in Adès’ ‘tweede thuisstad’, Los Angeles, met een choreografie van Wayne McGregor voor The Royal Ballet.

In Amsterdam vormt Inferno het sluitstuk van de samenwerking die Adès dit seizoen met het Concertgebouworkest aangaat. In oktober, maart en juni dirigeert hij het orkest in uiteenlopende programma’s met muziek van hemzelf en verwante componisten, en op 12 oktober en 17 maart treedt hij als pianist op met orkestleden in kamer­muziekprogramma’s. Want je zou bijna vergeten dat Adès als pianist óók al jaren successen viert en meerdere prijzen op zijn naam heeft staan.

Concerten met Thomas Adès

do 10 en vr 11 oktober | Grote Zaal
Concertgebouworkest & Thomas Adès: Debussy, Barry, Adès, Poulenc
Bekijk dit concertprogramma

za 12 oktober | The Loft, A'DAM Toren
Club Night met Thomas Adès en musici van het Concertgebouworkest

di 17 maart | Kleine Zaal
musici van het Concertgebouworkest & Thomas Adès: Adès, Fauré

vr 20 en zo 22 maart | Grote Zaal
Concertgebouworkest, Adès & Gerstein: Janáček, Adès, Busoni

do 18 en vr 19 juni | Grote Zaal
Concertgebouworkest & Thomas Adès: Liszt, Stravinsky, Adès